★ 341 AD – Het gouden landschap met de stille slaven, glazen implantaten en het marmeren bassin met luminescente vloeistof.
Vannacht had ik weer zo’n wilde droom die ik meteen moest vastleggen voordat hij vervaagde. Maar deze was anders. Deze was scherper, helderder, en voelde meer als een herinnering dan een fantasie.

1. De Spiraal

Ik werd niet wakker in mijn bed. Ik werd wakker in de droom. Mijn ogen waren open, maar wat ze zagen was geen slaapkamer. Het was een oneindige ruimte, gevuld met een zacht, wit licht dat nergens vandaan leek te komen en overal tegelijk. En ik stond er middenin, alsof de zwaartekracht was opgeheven. Om mij heen kronkelde een gigantische spiraal, gemaakt van gepolijst marmer en levend licht. Langs de buitenrand, als parels aan een ketting, hingen honderden poorten. Boven elke poort brandde een klein, wit bordje: 1456 BC. 332 BC. 1066 AD. 1945 AD. Jaartallen. Elke deur was een tijd.

De oneindige spiraal met tijdspoorten
De spiraal – toegang tot alle tijden
🚪
De poort naar 341 AD
De toegang tot het fundament
“De Wachter stak een hand uit, een klauw van duisternis. Ik raakte de oude man niet eens aan. Hij wees alleen. Zijn ogen vulden zich met leeg maar helder wit licht. En de oude man loste op in een stille, een implosie van licht en ruimte.”

Ik stak mijn hand uit naar 2500 BC en stapte door de nevelige poort. Plotseling stond ik op het hete zand van een Egyptisch plateau. De Grote Piramide verrees voor me, stralend wit, de stenen zo scherp dat ze het licht braken. Slaven zwermden als mieren over hellingen, hun huid glimmend van het zweet. Maar toen ik me omdraaide, zag ik het eerste haperinkje: een witte, vormeloze leegte tussen twee rotsblokken. Een flaw. Een man die een blok steen voortsleepte, liep er recht op af en loste op in het niets. Even later kwam hij aan de andere kant weer tevoorschijn, alsof hij door een wolk was gelopen.

◈ ◈ ◈

2. Het Witte Land

Ik zwierf verder door de tijd. 1212 AD, 33 AD, 1815 AD. Overal dezelfde haperingen, dezelfde witte leegtes. Tot ik een poort zag die er anders uitzag. Hij was gemaakt van wit gepolijst ivoor en straalde een zacht, allesdoordringend licht uit. Het bordje erboven brandde met intense helderheid: 341 AD.

Ik duwde de deur open. Het licht was overal. Het drong door mijn oogleden, vulde mijn hoofd met een warme, gouden gloed. Toen ik mijn ogen opendeed, zag ik een Romeins landschap, overgoten met verzadigd licht. De kleuren waren intenser dan in welke andere tijd dan ook. De lucht was diep saffierblauw, de temperatuur volmaakt. Het was de hemel, dacht ik even. Maar er was geen geluid. Geen wind. De stilte was absoluut.

En toen zag ik de slaven. Honderden, in lange witte gewaden, hun hoofden kaalgeschoren, hun ogen leeg als die van pasgeboren baby’s. Ze bewogen traag, in trance. Een van hen, een jonge man met een gebeeldhouwd gezicht, stond stil naast een marmeren zuil. Tegen zijn onderbuik was een vreemd apparaat bevestigd: een omgekeerde bloem van helder glas en pulserend metaal, met dunne buisjes die naadloos in zijn huid overgingen. Terwijl ik keek, trok een rilling door zijn lichaam. In het glas verscheen een kleine, witte, parelende druppel. Hij rolde langs het buisje en verdween, de grond in, de zuil in, de lucht in. De hele wereld draaide op deze druppels.

Ik begreep het met een diep instinct: dit was de eerste versie van de matrix. Niet mensen als batterijen, maar mannen als levende, ademende zaadproducerende eenheden. 341 AD was de machinekamer, het fundament. De vroegste tijd die de spiraal te bieden had. Hier was ontdekt hoe je de essentie van de mens kon aftappen om de werkelijkheid zelf te laten draaien.

Ik liep verder. Ik zag een oude man, zijn ogen niet leeg maar wijd open van een eeuwigheid aan verdriet. Hij beefde niet bij de rilling, maar zijn hand balde zich tot een vuist. Hij wist het. Hij wist wat er met hem gebeurde. Zijn lichaam was een fabriek, niet meer van hemzelf. Toen zag ik een vrouwenhand uit de grond steken, bleek en slank. Ik knielde en veegde aarde weg: een mooi, jong gezicht met gesloten ogen, half in de grond verzonken. Uitgeputte slaven die terugkeerden naar de aarde.

“De Wachter stond voor me. Zijn zwarte silhouet torende boven me uit, zijn witte ogen boorden zich in mijn ziel. De stilte was absoluut, drukkend.”

3. Het Marmeren Bassin

Plotseling hoorde ik een geluid – het eerste geluid hier. Een zacht geklots. Achter een rij cipressen lag een enorm marmeren bassin, gevuld met een melkachtige, licht gloeiende vloeistof. Alle dunne buisjes die uit de schimmen kwamen kwamen, uit hun navels, mondden uit in het bassin. De vloeistof pulseerde traag, alsof ze leefde, alsof er een hartslag in zat. Het was de ruwe olie van de werkelijkheid.

Een hand op mijn schouder. De oude man. Zijn ogen waren razend, zijn mond vormde geluidloos de woorden: Stop het. Maak het stuk. Hij wees naar het bassin, deed een stap naar voren – een wanhoopsdaad van verzet. Maar de lucht boven het bassin scheurde open in een gapende, zwarte wond. Een figuur daalde neer: een Wachter, een schaduw in de vorm van een man met ogen als witte, hete sterren. Hij wees naar de oude man, en de man loste op in een stille, zwarte implosie. Toen draaiden de witte ogen zich naar mij.

4. De Ontsnapping

Ik rende. Ik rende zoals ik nog nooit had gerend, tussen de roerloze slaven door, terug naar de poort. De Wachter kwam niet achter me aan – hij hoefde niet. Ik voelde zijn aanwezigheid als een zoeklicht over mijn rug. Eindelijk zag ik het witte licht van de spiraal door de openstaande poort. Ik stormde erop af, mijn hand uitgestrekt – en de Wachter stond voor me. Zijn klauw reikte naar me uit. Ik sloot mijn ogen, wachtend op de zwarte implosie.

In plaats daarvan voelde ik een ruk aan mijn bewustzijn, een schok. Ik opende mijn ogen. Ik lag in mijn bed. In mijn eigen kamer. Het ochtendlicht viel naar binnen, bleek en gewoon. Maar mijn lichaam trilde na. En diep van binnen, op een plek die ik niet kon aanraken, voelde ik een lichte, trekkende pijn. Een leegte. Alsof er iets was afgenomen.

Ik stond op en schreef de woorden op. Maar terwijl ik schreef, drong de gedachte zich aan me op: was het een droom? De details waren te scherp, de angst te echt. Ik keek uit het raam. De wereld zag er normaal uit. Tot ik tussen een voorbijganger en een geparkeerde auto een vlek zag: een witte, vormeloze leegte. De voorbijganger liep er dwars doorheen, zijn lichaam vervaagde en loste op in het wit. Aan de andere kant kwam hij weer tevoorschijn.

De flaw. Het was hier ook. Het was altijd hier geweest. Ik keek naar mijn hand. Was ik echt? Of was ik gewoon een andere slaaf, in een andere tijd, met een ander apparaat, een andere leegte?

Beneden me, in het marmeren bassin van de realiteit, pulseerde de witte vloeistof verder. En ergens, in het gouden landschap van eeuwige stilte, werd een nieuwe druppel afgetapt. Voor mij. Voor jou. Voor de hele mensheid.

Ik legde de pen neer. Ik weet niet of ik het moet geloven. Ik weet het nog steeds niet. Maar sinds die nacht, als ik in de spiegel kijk, zoek ik in mijn eigen ogen naar die leegte. En soms, heel soms, denk ik hem te zien.

📷 Over deze afbeelding

De hoofdafbeelding toont 341 AD – Het Witte Land: een Romeins landschap badend in intens gouden licht, met stille slaven in witte gewaden en een marmeren bassin op de achtergrond.