🌙 Lege Nachten
Een stad die nooit slaapt – een man die nooit rust vindt
Op een verlaten plein, badend in kil licht, zit Wim in zijn taxi. De stad slaapt – of doet alsof. Wat overblijft is stilte. En in die stilte: herinneringen. Van het grauwe heden glijdt hij terug naar een rauw verleden vol punk, vriendschap, drugs en verloren idealen. Antwerpen is geen decor, maar een levend, ademend wezen.
📖 Lees het boek
💡 Klik op de pagina’s om te bladeren – volledig scherm werkt ook
“Sommige nachten eindigen niet. Ze blijven gewoon in je hoofd zitten.”
✧ Lege Nachten – Wim De Gier ✧
Hoofdstuk 1: Lege Nachten
Het Sint-Jansplein lag er verlaten en desolaat bij, alsof het plein door de tijd was vergeten. De schaarse bomen die er stonden, leken met tegenzin geplant te zijn, hun takken strekten zich uit naar het vale licht. Ze oogden vermoeid, alsof ze smachtten naar daglicht, weg van de gloed van de natriumlampen. De oude lampen, sporadisch bevestigd aan de gevels van de huizen, wierpen onheilspellende schaduwen op het natte asfalt. De regen, die kort daarvoor nog met bakken was neergekomen, had een dunne, glinsterende film achtergelaten, die het plein nog desolater maakte.
Er was geen enkel teken van menselijk leven. Het was het diepst van de nacht, een uur waarin zelfs de katten zich schuilhielden. De stad leek in een diepe slaap verzonken. Iedereen, behalve hij.
Wim zat eenzaam en verloren op de hoek van het plein, ineen gedoken in de vertrouwde cocon van zijn taxi. De verwarming loeide, zoals altijd. Het was een ingesleten gewoonte, bijna een troostend ritueel – een poging om de kou die tot in zijn botten leek te kruipen te verdrijven, in een stad die met de dag kil en ongenaakbaar leek te worden. Zijn oogleden voelden loodzwaar, alsof de hele nacht zich als een fysieke last op zijn schouders had genesteld. Hij probeerde de opkomende slaap te verdrijven met flarden van gedachten, willekeurige herinneringen en fantasieën, maar hoe harder hij vocht, hoe steviger de slaap hem omarmde.
Hij draaide zich moeizaam om naar het zijraam, dat beslagen was door zijn adem. Een dunne, mistige sluier onttrok de buitenwereld aan zijn blik, een wereld die sowieso al in een verstilde leegte gehuld was. Elke nacht herhaalde dit tafereel zich, met de precisie van een klokwerk. Dit was het uur van de absolute stilte, de onvermijdelijke anticlimax na de hectiek van de avondspits. Het moment waarop alle activiteit tot een pijnlijke stilstand kwam, waarbij de overbodigheid van zijn aanwezigheid zich pijnlijk stil manifesteerde. Na de stroom van elegante, gehaaste lichamen die hij naar hun warme thuis had gebracht – mensen die hun werkdag achter zich hadden gelaten, sommigen uit pure gemakzucht, anderen gedreven door noodzaak – was er nu niets meer. Geen beweging, geen geluid dat de oorverdovende stilte kon verbreken. Enkel de allesomvattende leegte.
De cafés rondom het plein, die overdag bruisten van leven en geluid, stonden er nu verlaten en donker bij.
Wim had zijn stoel zo ver mogelijk naar achteren geschoven. Zijn rugleuning had hij tot op de achterbank laten zakken, zijn spiegels nauwgezet afgesteld, alsof hij zich in een geïmproviseerde wachttoren bevond, alert op elk teken van leven in de uitgestorven straten. Maar er bewoog niets. Zelfs de madonna met kind, hoog op de hoek van een gevel recht tegenover hem, stond er onverstoorbaar bij. Het leek alsof zelfs zij, gebeiteld in steen, vermoeid was geworden van het eeuwige waken.
Het kind in haar armen straalde een onbevangen zelfverzekerdheid uit, onaangetast door de vergankelijkheid die het omringde. Maar de moeder zelf, glinsterend door de regen, keek met een onpeilbare, dode blik omhoog naar de troebele hemel. Ze leek een stille pijn uit te stralen, een verdriet dat zich door de jaren en generaties heen had opgestapeld. Verweerd door het harde leven in deze buurt, getekend door de constante vervuiling en het doordringende roestbruine licht dat haar elke nacht opnieuw omhulde, stond ze daar als een vergeten baken, blind geworden door alles wat ze had moeten aanschouwen. Zelfs de hemel boven haar was onheilspellend troebel – geen helder zwart, geen troostend grijs, maar een ondefinieerbare, vieze kleur die als een glazen stolp over de stad leek te liggen.
Overdag voelde de atmosfeer nauwelijks anders. Het was alsof de lucht hier permanent verzadigd was met de muffe geur van oude rook, doordrenkt met het zweet en de stille wanhoop van een stad die zichzelf al lang niet meer leek te herkennen. De Madonna torende boven dit alles uit, alsof ze de collectieve last van de buurt had geabsorbeerd, gedragen. Alsof ze in stilte smeekte om een aanraking, een vluchtig gebaar van troost. Maar niemand scheen haar stille roep te horen. Ze was immers slechts steen, niet meer dan dat. En elke dag brokkelde ze een klein beetje verder af, onzichtbaar voor de haastige blikken van de voorbijgangers.
Wim wachtte met een stoïcijns geduld. Zijn vermoeide ogen scanden de verlaten straten rondom het plein, op zoek naar een potentiële klant. Hij wierp afwisselend blikken in zijn binnenspiegel, zijn buitenspiegel en zijwaarts. Er mocht niemand onopgemerkt passeren in deze stille uren. Hij kende dit plein door en door, als de palm van zijn hand. Elke straatsteen had hij honderden keren gezien, elk café kende hij bij naam, inclusief de verhalen die zich achter hun gesloten deuren afspeelden. Hij wist wie hier overdag voorbijkwam: de dokwerkers met hun geharde handen, de zeemannen met hun verre blik, de bedienden met hun gehaaste tred. Mannen met een fysieke arbeid achter de rug, altijd onderweg, hun blikken leeg en gericht op niets specifieks. Alleen maar door, altijd maar door naar hun volgende bestemming. ‘s Avonds keerden sommigen terug naar dit plein, maar in een andere gedaante. Dan werd hun zuurverdiende geld over de bar gegooid in één van de vele cafés. Dan werd er luidruchtig gedronken, geroepen, gelachen, gevochten en uit volle borst gezongen. De zeemannen probeerden hun heimwee te verdrinken in goedkope whisky en in de vluchtige omhelzingen van meisjes die de ernst van het bestaan niet al te nauw namen.
De volgende ochtend zag je de overblijfselen van die nachtelijke uitspattingen. Wankelende figuren, als schimmen die verdwaald waren geraakt tussen de vroege forenzen. Het leek alsof ze waren blijven hangen in de nasleep van een plaatselijke storm. Het was geen fraai gezicht, maar het hoorde bij het leven rondom het Sint-Jansplein. Toch voelde deze specifieke nacht anders aan. Het was de overgang van een luie zondag naar een onverbiddelijke maandag. Dan viel zelfs hier, in dit bruisende hart van de nachtelijke activiteiten, het doek. Het geld was opgeraakt, de lichamelijke genoegdoening was verdwenen, de roes van de drank was uitgewerkt. Dan restte er enkel nog de naakte leegte. Een broos moment van stilte, een adempauze voordat de nieuwe, meedogenloze wedloop van de week weer zou beginnen.
Wim veegde een paar zweetdruppels van zijn voorhoofd en draaide de verwarming een stuk lager. Buiten daalde de temperatuur gevaarlijk dicht bij het vriespunt. Nog geen sneeuw, gelukkig. Maar het zou hem niet verbazen als het binnenkort zou vallen. Eind oktober was tegenwoordig onvoorspelbaar geworden. Er waren steeds minder zekerheden in het leven. Zelfs het weer leek zich te hebben losgemaakt van elke vorm van logica. De afgelopen zomer was verstikkend geweest – een ware marteling. Geen enkele dag had de lucht verfrissend aangevoeld. Het leek alsof hij de ondraaglijke hitte als enige had ervaren, alsof de rest van het land in een collectieve extase had verkeerd over de tropische temperaturen. Kranten stonden vol met vrolijke foto’s van overvolle stranden en lachende mensen. Maar voor Wim was het een hel geweest. Elke dag zwetend achter het stuur, opgesloten in een broeikas op vier wielen, zonder de mogelijkheid tot vakantie, zonder enig perspectief op ontsnapping. De verstikkende hitte bleef in zijn geheugen gegrift als een mislukte, koortsachtige droom. Nu had hij tenminste een beetje controle. In de beslotenheid van zijn taxi kon hij de temperatuur naar zijn hand zetten. Dat was al iets, een kleine overwinning op de chaos van de wereld daarbuiten.
De economische crisis hing als een ijskoude hand in zijn nek, een onzichtbare dreiging die overal voelbaar was. Er was een paradoxale situatie ontstaan: te veel van alles, en toch nooit genoeg. Antwerpen voelde aan als een gigantisch, leeg bassin dat men wanhopig probeerde te vullen met een kraantje dat nauwelijks meer dan een paar druppels per keer produceerde. En dan verkondigde men met opgeheven hoofd de zogenaamde grootsheid van die leegte, een holle retoriek die de werkelijke situatie op pijnlijke wijze maskeerde. Mensen bleven zich krampachtig vastklampen aan de illusie van overvloed, ook al wist iedereen diep vanbinnen dat het een leugen was. Het leven was als een te klein deken geworden – hoe je het ook wendde of keerde, er bleef altijd een koud, onbedekt stuk over.
Heel af en toe zag hij nog flitsen van een ander soort bestaan: mensen die even alle remmen losgooiden. Die alle schijnzekerheden overboord wierpen en met hun geld begonnen te smijten alsof er geen morgen was. Een laatste, wanhopige stuiptrekking van vrijheid, een kortstondige opflakkering van pure waanzin. Maar die momenten waren vluchtig, en daarna viel alles weer terug in de grauwe, monotone werkelijkheid.
Om zijn gedachten te ordenen – of misschien juist om ze even te verdrijven uit zijn oververmoeide hoofd – pakte Wim zijn rittenblad. Hij begon de afgelopen avond mentaal te ontleden, een ritueel dat hij altijd uitvoerde wanneer het werk erop zat. Een soort persoonlijke balans, niet zozeer financieel, maar eerder een inventaris van de menselijke ontmoetingen. Wie had hij vervoerd? Wat waren hun verhalen, hun onuitgesproken motieven? Wat konden hun kleding, hun houding, de vage geur die ze achterlieten in zijn taxi, hem verraden over hun levens? Het behoorde niet tot zijn taken, dat wist hij dondersgoed. Tijdens zijn opleiding had zijn instructeur het hem met nadruk ingeprent: “Het ene oor in, het andere oor uit.” Maar Wim kon niet anders. Het was een onbedwingbare neiging, sterker dan zijn rationele zelf.
Zijn eerste rit die avond was een zogenaamde ‘bonnekeskoers’ geweest. Een klant ophalen bij Bayer, een arbeider die op kosten van de zaak naar huis moest worden gebracht. Een lange rit, goed voor een aanzienlijk deel van zijn avondinkomsten in één keer. Geen fooi, uiteraard – de klant hoefde immers zelf niet te betalen, en het contract voorzag er niet in. Maar over het algemeen waren zulke klanten de beste. Niet dronken, geen onredelijke eisen. Alleen maar diep vermoeid, verlangend naar de rust van hun eigen huis. Ze wilden gewoon zo snel mogelijk naar huis.
Daarna had hij zoals gewoonlijk postgevat op het Sint-Jansplein, zijn vaste stek in de vroege avonduren. Maar de zaken waren traag. Na een half uur vruchteloos wachten besloot Wim tegen zijn principes in een paar rondjes te rijden in de omliggende straten, op goed geluk. Eigenlijk was het niet toegestaan om zomaar rond te cruisen zonder een concrete oproep. Maar wat moest hij anders? Er was geen enkel alternatief. Stilstand betekende verlies, niet alleen financieel, maar ook een knagend gevoel van nutteloosheid in deze lange, stille nacht.
Wim De Gier tuurde naar de glimmende kasseien, terwijl hij zijn rondje reed, die door zijn koplampen werden beschenen. Af en toe flakkerde een neonreclame boven een nachtwinkel, of knipperde een verkeerslicht ongeduldig op een leeg kruispunt. In de verte klonk het vage geraas van een enkele auto, maar de meeste straten waren stil.
Wim ademde langzaam uit en keek naar de lege achterbank in zijn spiegel. De stilte in de wagen was bijna tastbaar. Het zachte gezoem van de motor en het geruis van de banden op het wegdek waren de enige geluiden die hem gezelschap hielden. Zo had hij het graag: geen gezeur, geen verplichtingen tot praatjes. Gewoon rijden, de meters laten tikken, en verder niets.
Een oud punknummer speelde zachtjes uit de radio die op de achtergrond aanstond – een song van lang geleden, onbedoeld opgepikt op een laat-nachtprogramma. Wim herkende de akkoorden en in een reflex spande zijn kaak zich even aan. Hij zette de radio wat zachter, tot er enkel nog wat onduidelijke klanken overbleven. Muziek bracht herinneringen, en herinneringen wilde hij juist op afstand houden. Tenminste, meestal.
Aan de rand van zijn gezichtsveld bewoog iets. Op het trottoir stak een man wankel zijn arm op. Een klant! Wim remde rustig en liet de taxi tot stilstand komen naast de man. Het portier ging open en een walm van alcohol en nachtclubparfum drong de auto binnen.
De klant was een veertiger in een kreukelig pak, duidelijk dronken maar goedaardig glimlachend. Hij plofte op de achterbank. “Goedenavond,” mompelde de man met dikke tong. “Naar de Jan Van Gentstraat, alsjeblieft.”
Wim knikte kort, wierp een snelle blik in de spiegel naar de troebele ogen van de man, en vertrok zonder een woord te zeggen. De man leek daar geen aanstoot aan te nemen. Hij zakte onderuit, zijn hoofd leunend tegen het raam, en begon zachtjes te mompelen.
“Drukke nacht?” vroeg de klant opeens, half onverstaanbaar. Zijn poging tot conversatie hing in de lucht terwijl Wim door de verlaten binnenstad manoeuvreerde.
“Valt mee,” antwoordde Wim kortaf. Meer woorden kreeg de dronkaard niet. Hij had geen behoefte aan een gesprek waarin hij toch niets zinnigs te melden had.
De man knikte alsof hij een wijsheid had gehoord en sloot zijn ogen. Misschien dommelde hij weg; zijn mond viel open en hij ademde zwaar. Wim concentreerde zich weer op de weg. De taxi gleed door smalle straten, langs gevels die wisselend in schaduw en in het oranje straatlicht opdoken. Her en der zag hij het vervaagde silhouet van graffiti – een anarchie-teken hier, een half afgebladderde bandnaam daar – overblijfselen van een ander tijdperk, alsof de echo’s van vroeger zich in de muren hadden vastgezet.
Bij het rood knipperende verkeerslicht op de hoek van de Lange Brilstraat hield Wim halt. Hij kende deze buurt maar al te goed. Nog een paar straten verder lag de Stadswaag, ooit het kloppend hart van zijn wilde jaren. Nu lag het plein er waarschijnlijk verlaten bij, de panden eromheen verworden tot gewone cafés of appartementen. Toch voelde hij een vertrouwde beklemming in zijn borstkas nu hij hier weer reed. Al jaren vermeed hij deze route bewust, maar vanavond was hij op automatische piloot hier beland.
Hij wierp een blik in de spiegel. De klant snurkte inmiddels zachtjes. Voorzichtig, om de man niet te wekken, nam Wim de bocht richting de bestemmingsstraat. Terwijl hij de taxi over de Lange Brilstraat stuurde, zag hij links van zich de contouren van wat ooit Cinderella’s Ballroom was geweest – de legendarische nachtclub van weleer. De gevel was donker, geen teken meer van leven of muziek. Een broksteen van een herinnering zwol op in zijn achterhoofd.
Wim klemde zijn handen iets strakker om het stuur. In gedachten zag hij de oude houten deur van Cinderella weer opengaan, hoorde hij het gedempte gebulder van muziek en het gelach van toenmalige vrienden. Even leek het alsof de geesten van die nachten hem riepen.
De dronken man achterin bewoog en mompelde iets onverstaanbaars. Wim knipperde en de illusie vervloog. Hij was niet langer de jongeman die naar binnen stormde in de nacht, maar een taxichauffeur die zijn klant naar huis bracht.
Met een schokje reed de wagen de drempel op voor het adres. “Meneer, we zijn er,” zei Wim vlak.
De man op de achterbank opende met moeite zijn ogen en keek verdwaasd om zich heen. “Ah… dank je,” murmelde hij terwijl hij een prop briefjes uit zijn broekzak haalde. Hij friemelde er twee twintigjes uit en gooide ze op de voorstoel. “Hou de rest maar.”
Wim knikte, rekende snel – de rit was achttien euro, dit was ruim voldoende. “Fijne avond verder,” mompelde hij neutraal terwijl de man uit de wagen klauterde.
“Jij ook, kameraad,” zei de dronkaard onvast. Hij zwaaide lomp groetend voordat hij naar de ingang van een rijtjeshuis slingerde.
Wim deed een korte grom die als instemming kon doorgaan en sloot dan het portier weer. Met een druk op de knop vergrendelde hij de deuren. Even bleef hij zitten, de motor stationair draaiend in de stille straat.
Door de voorruit heen staarde hij naar het rijtje huizen en de flarden van de nachtelijke hemel daartussen. De man was al binnen, de straat opnieuw verlaten. Wim voelde aan zijn binnenzak en haalde er een pakje sigaretten uit. Met trillende vingers – onrust die hij niet van zich af kon schudden – stak hij er een op. De eerste trek brandde in zijn longen, een klein ankerpunt in de duisternis.
Hij wilde niet nadenken over wat hij had gezien – het spookbeeld van Cinderella, de echo’s van vroegere tijden. Toch, nu hij hier alleen zat, sloop die wereld weer zijn gedachten binnen. Als de nacht vorderde en de stad sliep, kwamen de herinneringen vaak het sterkst.
Wim blies rook naar het plafond en sloot voor een moment zijn ogen. Ongewild begonnen de beelden van het verleden zich af te spelen, ongefilterd en ruw, alsof het gisteren was.
De terugblik: Het Punktijdperk
De basdreunen van snelle punkmuziek bonkten tegen de roetzwart beschilderde muren van Cinderella’s Ballroom. Het was halverwege de jaren tachtig en op de Stadswaag bruiste het nachtleven nog elke weekendnacht alsof er geen morgen bestond. Binnen was de lucht dik van sigarettenrook en zweet, doordrenkt met de geur van gemorst bier en zoete wietdampen. Felgekleurde lichtflitsen uit een paar overgebleven schijnwerpers schoten over de menigte en onthulden telkens fragmenten: een glimp van een hanenkam hier, een flarden van leer en veiligheidsspelden daar, gezichten met uitgelopen make-up, monden schreeuwend in extase.
In het midden van deze chaos stond een jongere versie van Wim, onherkenbaar voor wie hem nu zou zien. Zijn donkerblonde haar was toen kortgeschoren aan de zijkanten en bovenop piekte het in ongelijkmatige stekels omhoog – een zelf geknipte poging tot een punkkapsel. Een versleten zwart leren jack met daarop bandpatches en studs omhulde zijn slanke lichaam. Hij stond met een halve liter bier in de hand mee te brullen met een anthem dat door de luidsprekers knalde.
Linda stond iets verderop bij de bar met een blikje bier in de hand. Haar zwaar omrande ogen gleden door de ruimte alsof ze iedereen opzocht die ze kende. Haar korte, felrode haar stak alle kanten op, bezweet door het dansen van eerder die avond. Toen ze Wim en Mark spotte, hief ze haar blikje even omhoog in groet, een flauwe glimlach spelend op haar lippen. Wim stak zijn hand op teruggroetend, en even kruisten hun blikken elkaar. Er trok een gevoel door hem heen – moeilijk te plaatsen, een soort trots gemengd met iets van genegenheid. Dit waren zijn mensen, dit was zijn plek. Hier hoefde niets en kon alles.
Plots voelde Wim een harde klap op zijn rug. Hij draaide zich om en keek recht in de brede grijns van Luca, of was het Lorenzo? De tweeling was altijd lastig uit elkaar te houden in het halfdonker van de club. Beide broers hadden donker haar tot op hun schouders en droegen identieke versleten legerjassen. Alleen een litteken op Luca’s kin onderscheidde hen, maar in het flikkerende licht was dat detail vaak zoek.
“Wim, gast, wat een nacht!” riep de broer – het was Lorenzo, hoorde hij aan de iets hogere stem – boven de muziek uit. Hij gooide een arm om Wim heen en hield met zijn andere hand een fles goedkope wijn omhoog die hij blijkbaar ergens vandaan had gehaald. “Hier, drink eens mee,” brulde Lorenzo lachend. Hij bood de fles aan.
Wim, al aangeschoten, grijnsde en nam een flinke slok van de zurige wijn. Het mengsel van bier en wijn in zijn maag gaf hem een kort fladderend gevoel, alsof hij nog lichter in zijn hoofd werd. “Waar is Luca?” schreeuwde hij terug.
Lorenzo haalde zijn schouders op en rolde met zijn ogen. “Die zit achterin met een of andere chick te vrijen, denk ik!” Hij gaf Wim een veelbetekenende knipoog. “Zoals altijd, hè.”
Wim lachte kort. Luca was inderdaad berucht om zijn escapades; het kon hem niet schelen of het iemand was die hij net ontmoette. In dit wereldje dreef iedereen toch op vluchtige pleziertjes.
Mark was inmiddels naar de bar gestuiterd om meer bier te halen. Hij voegde zich bij Linda, die nu samen met hem twee verse plastic bekers bier richting Wim en Lorenzo omhoog hield als teken dat ze er klaar voor waren. Wim en Lorenzo worstelden zich lachend door de zwetende menigte naar hen toe.
Uiteindelijk bereikten ze hijgend de bar, waar Linda een van de bekers in Wim’s hand drukte.
“Proost,” schreeuwde Linda boven de herrie uit, en ze tikte haar eigen beker tegen de zijne. Haar ogen glansden felblauw onder haar dikke eyeliner. Naast haar gaf Mark een paar losse danspasjes, al knoeide hij daarbij bier over zijn eigen laarzen.
Wim nam een grote slok. Het lauwe bier smaakte bitter, maar dat deerde hem niet. De alcohol suisde warm door zijn lijf. Hij voelde zich onaantastbaar, verdoofd en springlevend tegelijk. Linda begon tegen hem te praten, maar de muziek zwol net aan in een nieuw, nog sneller nummer, waardoor haar woorden verzwolgen werden in het lawaai. Hij boog zich naar haar toe, zijn oor vlak bij haar lippen om haar te kunnen verstaan. Een lok van haar rode haar kietelde tegen zijn wang.
“Ik zei: gaan we hierna naar de Match of naar huis?” herhaalde ze lachend in zijn oor. Haar stem had dat hese timbre dat kwam van een avond schreeuwen en roken.
Wim keek haar even aan. Nog doorzwevend op de roes van drank en muziek had hij geen enkel besef van tijd. “Is het laat dan?” vroeg hij, proberend boven de muziek uit te komen. Zijn stem schoot bijna tekort. Hij voelde Linda’s hand op zijn schouder terwijl hij sprak. Het was een lichte aanraking, maar die brandde aangenaam door de stof van zijn jas heen.
Linda haalde grijnzend haar schouders op en leunde nog dichter naar hem toe, zodat haar lippen bijna zijn oor raakten. “Tijd bestaat niet, mannetje. Alleen nu,” plaagde ze. Hij kon haar glimlach bijna voelen.
Voordat Wim iets kon antwoorden, dook plots Luca naast hen op, die zijn arm bruut tussen hen in wrong. Zijn pupillen waren groot en zwart; de zoete geur om hem heen verraadde dat hij net nog wat gerookt had. “Kom, we gaan naar de Getto!” riep Luca enthousiast, verwijzend naar een andere beruchte nachtbar om de hoek. “Hier sluiten ze binnen een uur. In de Getto gaan we door tot morgenvroeg!”
Mark, die het gehoord had, stak instemmend zijn duim op. “Ja, man! Op naar de Getto!”
Linda keek Wim aan en grijnsde met een mengeling van uitputting en adrenaline. “Nog een laatste ronde dan?” schreeuwde ze.
Wim voelde zijn hart bonzen en zijn hoofd tollen van de mix van drank en energie. Hij knikte. “Natuurlijk, vooruit!”
In een kleine optocht baanden de vrienden zich een weg naar buiten. Toen Wim de deuren van Cinderella uitstapte, sloeg de koele nachtlucht hem in het gezicht. Buiten op de Stadswaag waren nog groepjes punks, goths en andere nachtbrakers aan het rondhangen alsof het plein van hen was. Iemand had een transistorradio mee naar buiten genomen; er klonk nog steeds muziek, zij het zachter dan binnen. Tegen een muur was een man bezig een graffiti-tag te spuiten, terwijl twee meisjes met uitgescheurde netkousen ernaast stonden te giechelen.
Wim keek even om naar de gevel van Cinderella. Boven de deur hing het verweerde bord met de naam, half verlicht door een zwakke lamp. De bastonen dreunden nog door de muren naar buiten. Een vreemd voorgevoel kriebelde in hem – alsof hij dit moment moest onthouden, alsof het een van de laatste keren was dat ze hier samen zouden buitenkomen. Maar hij schudde die gedachte weg. Dergelijke melancholie hoorde niet bij hem, niet hier.
Lorenzo sloeg hem speels tegen de arm. “Droom je weer weg, ouwe?” riep hij lachend. “Kom, voor de flikken komen opdagen.”
Wim glimlachte vluchtig en volgde de groep, die al luidruchtig richting de Getto slenterde. Mark liep met een arm om Linda’s middel, hun stemmen schaterend om een grap waar Wim het begin niet van had meegekregen. Luca liep voorop en zwaaide uitbundig met zijn leeggedronken wijnfles als een vaandel. Lorenzo hield gelijke tred met Wim en stak hem nogmaals de fles toe om de laatste druppels te nemen.
Terwijl de contouren van Cinderella’s Ballroom achter hen kleiner werden en de nacht in trok, voelde Wim een mengeling van roes en rusteloosheid door zich heen razen. Dit was zijn leven, en vannacht kon niet lang genoeg duren.
Hoofdstuk 2
Wim bleef even zitten terwijl de jongen richting de portiek liep en verdween. De motor snorde zacht, klaar om weer op pad te gaan, maar Wim bleef nog een minuut staan. Hij staarde naar de lege stoel naast zich waar zojuist een echo van zijn vroegere leven had gezeten. Zijn hart klopte sneller dan normaal. De ontmoeting had hem meer gedaan dan hij wilde toegeven.
Ooit was hij net zo jong en hoopvol geweest, vol bravoure en het gevoel dat de nacht eeuwig kon duren. En kijk hem nu: een eenzame chauffeur die zijn passagiers nauwelijks aankeek. Een paar woorden met een vreemdeling hadden hem van streek gemaakt.
Hij schudde moeizaam zijn hoofd en legde de taxi weer in gang. Genoeg. Geen gezwets over vroeger. Toch merkte hij dat zijn gedachten, aangewakkerd door die ontmoeting, onherroepelijk terugdreven naar dat verleden dat hij zo wanhopig trachtte te vergeten.
De straten van Borgerhout waren stil, de huizen dicht op elkaar gepakt, hun gevels verweerd door jaren van regen en vervuiling. Wim stuurde de taxi richting de Turnhouts baan, zijn ogen scannend voor een nieuwe klant, maar zijn hoofd elders. De jongen had iets in hem losgemaakt, een barst in de muur die hij zo zorgvuldig had gebouwd. Het was niet alleen zijn uiterlijk – die hanenkam, die eyeliner – maar de manier waarop hij sprak, vol vuur en dromen, alsof de wereld nog van hem was. Wim kende dat gevoel, had het zelf ooit gevoeld, maar het was zo lang geleden dat het bijna een vreemde herinnering leek, een leven dat niet het zijne was.
Hij stopte bij een rood licht, de ruitenwissers zwiepend in een traag ritme. De regen was weer begonnen, een fijne motregen die de stad in een waas hulde. Hij dacht aan de kelder waar de jongen het over had, aan de lokale bandjes, de punk en hardcore. Het was een wereld die hij dacht achtergelaten te hebben, maar die nog steeds leek te ademen, ergens in de schaduwen van Antwerpen. Hij voelde een steek van jaloezie, niet op de jongen zelf, maar op de vrijheid die hij vertegenwoordigde, de mogelijkheid om nog te geloven dat het allemaal ergens toe leidde.
Zijn handen trilden licht op het stuur, een zenuwachtige tic die hij niet kon onderdrukken. Hij balde zijn vuisten, dwong zichzelf te focussen op de weg. De Turnhouts baan was breed en leeg, de neonlichten van een nachtwinkel flikkerend in de verte. Hij kende deze straten als zijn broekzak, elke scheur in het asfalt, elke graffiti-tag die nog niet was overgeschilderd. Maar vanavond voelde alles anders, alsof de stad zelf hem uitdaagde, hem dwong om te kijken naar wat hij had begraven.
De radio kraakte, een nieuwe oproep. “Taxi 214, klant aan de Falconrui, nu.” Wim zuchtte, zijn vingers aarzelend boven de knop. De Falconrui was diep in het Schipperskwartier, een plek waar hij zelden kwam. Het was te dicht bij de oude kroegen, de plekken waar hij ooit met Koen en Sara rondhing. Maar hij had geen keuze – de meter moest blijven tikken.
“Begrepen,” zei hij, zijn stem vlak. Hij stuurde de taxi richting de Rosse buurt, de straten nu iets drukker, de nacht nog niet helemaal dood. Onder de roze neonlichten zag hij weer de vrouwen, hun gezichten moe maar vastberaden, en de dronken toeristen die lallend uit bars strompelden. Zijn ogen scanden de stoep, zoekend naar de klant, maar zijn gedachten waren elders, gevangen in een herinnering die hij niet kon afschudden.
Het was 1979, een koude winteravond in een kraakpand aan de rand van Borgerhout. De muren waren bedekt met graffiti – anarchietekens, bandnamen, scheldwoorden – en de vloeren bezaaid met lege flessen en peuken. Het rook er naar schimmel en vrijheid. Wim zat op een versleten bank, een lauwe Stella in zijn hand, terwijl Koen en Sara ruzieden over iets onbenulligs, zoals altijd.
“Je snapt het niet, Sara,” zei Koen, zijn stem scherp van de speed. “Als we niet vechten, nemen ze alles van ons af. De cafés, de clubs, alles!”
Sara rolde met haar ogen, haar blonde haar in een slordige knot, een sigaret bungelend tussen haar lippen. “En wat win je dan, Koen? Een paar gebroken botten en een nacht in de cel? Dat is geen revolutie, dat is dom.” Ze keek naar Wim, zoekend naar steun, maar Wim zweeg, zijn ogen op de fles in zijn hand.
“Laat hem, Sara,” zei Koen, terwijl hij een nieuwe fles opentrok. “Wim is toch al half vertrokken. Nietwaar, maat?”
Wim keek op, zijn kaak gespannen. “Ik ben hier,” zei hij, zijn stem laag.
“Maar ik ben het zat om altijd maar te vechten voor niks.”
Sara ging naast hem zitten, haar schouder tegen de zijne. “Het is niet voor niks, Wim,” zei ze zacht, haar stem bijna breekbaar. “Maar je moet weten waarom je het doet. Anders is het alleen maar lawaai.”
Hij keek naar haar, en voor een moment voelde hij iets wat leek op hoop. Sara had dat effect op hem – ze zag dwars door zijn muren heen, en dat maakte hem bang en levend tegelijk. Maar voordat hij iets kon zeggen, vloog de deur open, en een groep vrienden stormde binnen, hun stemmen luid en chaotisch. De nacht explodeerde weer in drank en geschreeuw, zoals altijd.
Wim schrok op uit de herinnering, zijn handen strak om het stuur. De taxi stond stil bij een kruispunt, het verkeerslicht groen, maar hij had het gemist. Een auto achter hem toeterde, en hij vloekte zachtjes, zijn voet op het gaspedaal. De stad gleed weer aan hem voorbij, de neonlichten van een nachtwinkel flikkerend in de verte. Hij voelde zijn hart bonzen, de herinnering aan Sara’s stem nog vers in zijn hoofd. Waarom kwam dit allemaal nu terug? Waarom kon hij het niet laten rusten?
Bij de Falconrui stopte hij voor een oude kroeg, de gevel versleten, de ramen beslagen. Een man stond tegen een lantaarnpaal geleund, zijn silhouet vaag in de regen. He droeg een lange jas, de kraag omhoog, en een pet die zijn gezicht verborg. Wim voelde een koude rilling. Er was iets aan de man – de manier waarop hij stond, de lome houding – dat hem bekend voorkwam, net als de jongen eerder die nacht.
De man opende het achterportier en liet zich op de bank vallen, een walm van whisky en natte kleren vulde de auto. “Naar de haven,” zei hij, zijn stem rasperig, alsof hij te lang had geschreeuwd. Hij leunde achterover, zijn gezicht nog steeds verborgen onder de pet.
Wim knikte, zijn keel droog. Hij trok op, de taxi gleed door de natte straten, maar zijn ogen schoten steeds naar de achteruitkijkspiegel. De man zat stil, zijn handen in zijn schoot, maar er was iets aan hem – een tatoeage die onder de mouw van zijn jas uitstak, een vage glinstering van een ring – dat Wims hart sneller deed kloppen. Hij kende die details, of dacht dat hij ze kende. Maar het was onmogelijk. Koen was weg, verdwenen, misschien dood. Toch?
“Rustige nacht?” vroeg de man, zijn stem nu iets helderder, maar met een ondertoon die Wim niet kon plaatsen. Het was geen vriendelijke vraag, meer een prik, een test.
“Valt mee,” zei Wim, zijn stem vlak. He hield zijn ogen op de weg, maar zijn handen klampten zich aan het stuur vast. “Jij? Wat doe je hier zo laat?”
De man lachte, een kort, schor geluid. “Wat denk je? De nacht opsnuiven, zoals vroeger.” He leunde voorover, zijn ellenbogen op de rand van de voorstoel, en Wim ving een glimp van zijn gezicht – een ruwe kaaklijn, een litteken boven zijn wenkbrauw. Zijn maag draaide om. Het was hem. Of niet? De twijfel vrat aan hem, maar hij durfde niet te vragen.
“Vroeger,” herhaalde Wim, net niet fluisterend. “Dat is lang geleden.”
“Ja,” zei de man, zijn ogen nu op Wim gericht, scherp en onleesbaar. “Maar sommige dingen vergeet je nooit, toch, Wim?”
Wims hart sloeg over. He trapte te hard op de rem, de taxi schokte tot stilstand op een leeg kruispunt. He draaide zich om, zijn ogen zoekend naar het gezicht van de man, maar die leunde alweer achterover, zijn pet weer over zijn ogen getrokken. “Rustig aan, chauffeur,” zei hij, een grijns in zijn stem. “Breng me gewoon naar de haven.”
Wim ademde zwaar, zijn handen trillend. He wilde schreeuwen, vragen wie hij was, wat hij wist, maar de woorden bleven steken. In plaats daarvan startte hij de taxi weer, de haven niet ver meer. De rest van de rit was stil, de spanning als een mes in de lucht. Toen ze aankwamen, stapte de man uit zonder te betalen, zijn silhouet verdwijnend in de mist van de haven. Wim bleef zitten, zijn hart bonzend, de naam “Koen” op het puntje van zijn tong.
He zat roerloos in de taxi, de motor nog draaiend, de haven een vage vlek van licht en schaduw voor hem. De man was weg, opgeslokt door de nacht, maar zijn aanwezigheid hing nog in de auto, een spook dat weigerde te vertrekken. Wim tastte naar zijn sigaretten, maar zijn handen trilden te erg om de aansteker vast te houden. He vloekte zachtjes, zijn stem verloren in de stilte. Was het Koen geweest? Of speelde zijn hoofd spelletjes, zoals het zo vaak deed in deze lange, lege nachten?
He dwong zichzelf te ademen, zijn ogen gericht op de horizon waar de stad overging in de dokken. De haven was altijd een plek van vertrek geweest, van ontsnapping, maar voor Wim voelde het als een val. He had hier ooit gestaan, jong en vol vuur, met Koen en Sara, dromend van een leven dat groter was dan deze stad. Ze hadden gelachen, geschreeuwd, gevochten, alsof ze onsterfelijk waren. Maar de stad had hen allemaal gebroken, op haar eigen trage, genadeloze manier.
Zijn gedachten gleden terug naar een andere nacht, later dat jaar, 1979. Niet in een club, maar in een kraakpand aan de rand van Borgerhout, een vervallen huis dat ze hun thuis noemden. De muren waren bedekt met graffiti, de vloeren bezaaid met lege flessen en peuken. Het rook er naar schimmel en vrijheid. Wim en Sara zaten op een versleten bank, de rest van de groep weg of ingestort na een nacht van drinken en schreeuwen. Een kaars flakkerde op een omgekeerde krat, het enige licht in de kamer.
Sara leunde tegen hem, haar hoofd op zijn schouder, haar haar ruikend naar rook en iets zoets, iets wat hij nooit kon plaatsen. “Weet je, Wim,” zei ze, haar stem zacht, bijna breekbaar, “soms denk ik dat we hier nooit wegkomen. Dat we altijd zullen blijven vechten, tot er niets meer over is.”
He keek naar haar, zijn hart zwaar van iets wat hij niet durfde te benoemen. “Misschien,” zei hij, zijn stem hees. “Maar zolang jij hier bent, is het nog niet afgelopen.”
Ze glimlachte, een zeldzame, echte glimlach, en voor een moment voelde hij iets wat leek op hoop. “Je bent een dromer, weet je dat?” zei ze, haar ogen glinsterend in het kaarslicht. “En dat gaat je nog eens kapotmaken.”
He wilde iets zeggen, haar aanraken, maar voordat hij kon bewegen, klonk er een harde klap aan de deur. Politie, of misschien een rivaliserende groep, het maakte niet uit. De nacht explodeerde in chaos, zoals altijd. Sara sprong op, haar kwetsbaarheid verdwenen, en trok Wim mee naar buiten. “Kom op, Wim!” schreeuwde Koen vanuit de gang, zijn stem schor van de drank. De deur vloog open, en een golf van kou en regen sloeg naar binnen. Wim greep een fles van de grond, klaar om te vechten, maar Sara hield hem tegen, haar hand stevig op zijn arm. “Niet doen,” zei ze, haar ogen scherp. “We moeten weg.”
Ze renden de nacht in, de sirenes achter hen, hun lach vermengd met angst. Maar die nacht, die momenten met Sara, bleven in Wims geheugen gebrand, een vuur dat nooit helemaal doofde.
Terug in de taxi voelde Wim de kou van de haven door de kieren van de auto sijpelen. He startte de motor, maar zijn gedachten bleven bij Sara, bij Koen, bij de jongen die hij ooit was. He reed terug naar het Sint-Jansplein, de Madonna weer in zicht, haar stenen gezicht een stille aanklacht. He parkeerde en staarde naar haar, de regen glinsterend op haar wangen als tranen. He voelde een irrationele drang om uit te stappen, de gevel te beklimmen, haar aan te raken, alsof dat iets zou veranderen. Maar hij bleef zitten, gevangen in zijn cocon van leer en rook.
De Madonna leek zwaarder dan ooit, alsof ze niet alleen de stad droeg, maar ook zijn eigen verloren jaren. He dacht aan zijn moeder, aan een zeldzaam moment in een kerk, haar hand warm in de zijne, haar stem zacht terwijl ze zei: “Jij bent sterker dan dit, Wim.” Maar ze had het mis gehad. De stad had gewonnen, zoals altijd.
De radio kraakte opnieuw, een nieuwe oproep. “Taxi 214, klant aan de Kammenstraat, nu. Spoed.” Wim fronste. De Kammenstraat was vlak bij het oude huis van Koen, or wat daar nog van over was. Zijn maag kneep samen, een oude, vertrouwde angst. He wilde weigeren, maar de meter moest blijven tikken. Met een zucht drukte hij de knop in. “Begrepen. Ik ga.”
De taxi kwam in beweging, de koplampen sneden door de duisternis terwijl hij de haven verliet. Terwijl hij door de natte straten reed, zag hij in de verte een figuur staan, een vrouw deze keer, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten legerjack, haar haar kort en slordig, en ze stond met een sigaret in haar hand, de rook kringelend in de regen. Wim voelde zijn adem stokken. Het kon niet waar zijn. Niet na al die jaren. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij staarde naar haar, zijn hart bonzend. Was het Sara? Haar houding, de manier waarop ze de sigaret vasthield, het was te vertrouwd, te pijnlijk. Ze keek op, haar ogen vingen de koplampen, en voor een moment leek de tijd te stoppen. Toen draaide ze zich om, gooide de sigaret weg, en verdween in een steegje, alsof ze er nooit was geweest.
De Gelukkige Dagen
Het was 1979, een zwoele zomernacht op het Conscienceplein in Antwerpen, waar Wim en zijn vijf vrienden – Mark, Linda, Lorenzo, Luca, en hijzelf – vaak samenkwamen als ze niet afkickten of sliepen. Het plein, met zijn fontein en het standbeeld van Hendrik Conscience, was hun toevluchtsoord, een plek waar ze met andere punkers uit hun milieu neerstreken, hun leren jassen en hanenkammen een rebellie tegen de grauwe stad. Ze zaten in een slordige kring rond de fontein, de kasseien warm onder hun billen, een joint rondgaand terwijl de zon onderging en de stad tot leven kwam. Het waren deze momenten, bruisend van leven, dat ze konden reflecteren over de zin van anarchie en chaos, hun stemmen luid, hun gelach vrij.
De lucht was zwaar van de geur van hasj en warme stenen, vermengd met de zilte bries van de Schelde die door de smalle straten trok. Rond de fontein lagen lege bierflesjes, een stille getuigenis van hun aanwezigheid, terwijl een paar hippies, overblijfselen van de generatie voor hen, zich bij de groep voegden, hun lange haren en kralenkettingen een contrast met de gescheurde broeken en veiligheidsspelden van de punkers. Een oude hippie met een grijze baard, zijn ogen glazig van een vroege joint, hurkte naast Lorenzo en stak een nieuwe joint aan, de vlam van zijn aansteker flakkerend in de schemering. “Jullie zijn net als wij, weet je,” zei hij, zijn stem traag maar warm terwijl hij de joint doorgaf. “Wij zaten hier ook, dromend van een wereld zonder regels. Maar jullie hebben meer vuur.”
Lorenzo grijnsde, zijn hanenkam wiebelend terwijl hij de joint aannam, de rook in een lange wolk uitblazend. “Vuur? Dat is anarchie, ouwe,” zei hij, zijn stem bruisend van bravoure. “Geen bazen, geen wetten, alleen wij. Dit plein is ons rijk.” Hij gebaarde naar de fontein, naar de punkers die lachten en praatten, naar de stad die hen leek te omarmen. “Hier maken wij de regels.”
Linda lachte, haar rode haar een wilde halo in het schemerlicht, en porde Lorenzo in zijn zij. “Regels? Jij kunt niet eens je eigen schoenen strikken na een joint,” zei ze, haar ogen gretig terwijl ze de joint van hem overnam. Ze inhaleerde diep, haar lippen krullend in een speelse glimlach, en keek naar Wim, die naast haar zat, zijn leren jack krakend terwijl hij achteroverleunde. “Wat denk jij, filosoof? Is dit anarchie of gewoon een excuus om high te worden?”
Wim grinnikte, zijn ogen half dicht tegen de ondergaande zon, en nam de joint aan, de warme rook zijn longen vullend. “Allebei,” zei hij, zijn stem laag maar vast. “Anarchie is chaos, maar chaos is vrijheid. Zolang we samen zijn, maakt het niet uit.” Hij keek naar Mark, die naast hem zat, een fles Stella in zijn hand, zijn ogen op de fontein gericht. “Toch, Mark?”
Mark knikte, zijn glimlach klein maar echt, zijn stem rustig maar scherp. “Zolang we dit hebben,” zei hij, gebarend naar de kring, naar de punkers en hippies, naar het plein dat pulseerde met leven, “is het genoeg. Regels of geen regels, dit is ons.” Hij nam een slok bier, zijn ogen glinsterend in het licht van een straatlantaarn die net aansprong.
Luca, altijd de showman, sprong op, zijn hanenkam dansend, en gooide zijn armen in de lucht. “Hoor, hoor!” brulde hij, zijn stem echoënd over het plein. “Op ons rijk, op onze chaos!” Hij greep de fles van Mark, nam een slok, en spuugde een fontein van bier in de lucht, tot gelach van de groep. Een paar oudere voorbijgangers keken afkeurend, maar de punkers juichten, hun stemmen een koor van rebellie. Een meisje met een gescheurde broek, haar haar felgroen geverfd, sloeg op een geïmproviseerde trommel, en een andere punker, een jongen met een leren armband vol spijkers, begon mee te zingen, een rauwe versie van “Anarchy in the UK” die de nacht vulde.
“Jullie zijn gestoord,” zei een hippie met een kralenketting, zijn lach warm terwijl hij een nieuwe joint rolde. “Maar ik mag jullie wel. Ferre zou dit prachtig hebben gevonden.” Hij gebaarde naar de nabijgelegen Muze, een café waar Ferre Grignard, de legendarische blueszanger, ooit zijn thuis had gevonden. Ferre was een icoon onder de hippies, zijn ruwe stem en rebelse geest een baken tot aan zijn dood in 1982, en zijn naam werd gefluisterd met eerbied, zijn liederen een soundtrack voor hun nachten. “Hij zat hier ook, weet je,” vervolgde de hippie, zijn ogen glazig van herinneringen. “Zingend, drinkend, dromend. Jullie zijn zijn erfgenamen.”
Linda glimlachte, haar arm losjes om Wim heen, haar stem bruisend.
“Erfgenamen? Misschien,” zei ze, haar ogen op de Muze gericht. “Maar wij hebben betere drugs.” Ze lachte, en de groep barstte uit in gejoel, hun stemmen versmeltend met het zachte geklater van de fontein. Wim voelde de warmte van haar lichaam, de buzz van de hasj, en voor een moment was de wereld perfect, een plek waar tijd niet bestond, waar alleen hun lach en hun chaos telden.
Maar zelfs in deze momenten van vrijheid was de stad nooit helemaal van hen. De politie, altijd op de loer, hield het plein in de gaten, hun aanwezigheid een constante dreiging die de punkers met bravoure en spot probeerden te negeren. Terwijl de joint rondging en het gelach steeg, verschenen twee agenten aan de rand van het plein, hun uniformen scherp afstekend tegen de schemering. Ze liepen langzaam, hun ogen scannend, hun handen op hun riem, klaar om in te grijpen. De groep verstilde even, een instinctieve spanning die door de kring trok, maar Luca, altijd de eerste om te provoceren, leunde voorover en fluisterde luid genoeg om gehoord te worden: “Daar heb je de varkens weer. Klaar om ons te pesten.”
“Rustig, Luca,” mompelde Mark, zijn stem kalm maar waarschuwend, zijn ogen op de agenten gericht. “Laat ze maar kletsen.”
De agenten bleven staan, hun blikken op de groep gericht, en een van hen, een brede man met een hangsnor, stapte dichterbij. “Paspoorten,” zei hij, zijn stem vlak maar autoritair, terwijl hij zijn hand uitstak. “Nu.”
Wim voelde zijn maag draaien, een mix van woede en angst die hij niet helemaal begreep. Ze deden toch niks verkeerd? Ze zaten hier, rookten wat, lachten wat – wat was daar crimineel aan? Maar de agenten zagen het anders, hun ogen vernauwend terwijl ze de punkers en hippies bekeken alsof ze een bende waren. “Waarom altijd ons?” mompelde Linda, haar stem zacht maar scherp, terwijl ze haar paspoort uit haar jaszak viste. “Ze laten de echte boeven met rust.”
“Ze houden niet van onze stijl,” zei Lorenzo, zijn stem bruisend van spot terwijl hij zijn paspoort overhandigde, zijn hanenkam fier omhoog. “Te veel kleur voor hun saaie wereld.” Hij knipoogde naar de agent, die zijn kaken verstrakte maar niets zei, zijn ogen scannend over het document.
De andere agent begon te fouilleren, zijn handen ruw terwijl hij Luca’s zakken doorzocht, een pakje sigaretten en een aansteker op de grond gooiend. “Wat is dit?” vroeg hij, een joint uit Luca’s jaszak vissend, zijn stem dreigend. Luca grijnsde, zijn bravoure onbreekbaar. “Kruiden, meneer,” zei hij, zijn ogen twinkelenden. “Voor mijn thee.”
De agent snoof, zijn ogen vernauwend, maar gooide de joint op de grond en trapte erop, de rook vervliegend in de avondlucht. “Volgende keer ben je mee,” gromde hij, en Luca lachte, een scherp, uitdagend geluid. “Belooft u dat, meneer?” zei hij, zijn stem bruisend, en de groep barstte in gelach uit, hun stemmen de spanning brekend.
De agenten vertrokken, hun paspoorten teruggegooid, maar de sfeer was veranderd, een sluimerende paranoia die onder de bravoure lag. “Ze komen altijd terug,” mompelde Linda, haar ogen op de fontein gericht, haar stem zachter nu. “Ze willen ons breken.” Wim voelde een koude rilling, een angst die hij niet durfde te benoemen. Ze waren vrij, toch? Maar de politie zag hen als criminelen, hun hasj, hun chaos, hun bestaan een bedreiging. “Ze snappen het niet,” zei hij, zijn stem laag, zijn economische instinct al toen scherp. “Ze denken dat we iets stelen, maar we nemen alleen wat van ons is.”
Mark knikte, zijn hand op Wims schouder. “Ze haten wat ze niet begrijpen,” zei hij, zijn stem vast. “Maar dit plein is van ons. Laat ze maar komen.” De groep juichte, hun stemmen luid, hun angst verdrongen door solidariteit, maar de paranoia bleef, een stille dreiging die hun nachten kleurde.
Deel 2: Café De Skipper
De avonden op het Conscienceplein liepen vaak over in nachtelijke escapades, en als de stemming wat donkerder werd, als de joint niet meer volstond en de politie te dichtbij kwam, slopen ze naar café De Skipper, een levendige duistere kroeg op de Grote Markt waar de stad tot leven kwam. De Skipper was een smeltkroes, een plek waar werkmensen, Hells Angels, punkers, hippies, en allerlei andere zielen elkaar vonden, hun verschillen vervaagden in een waas van rook, bier, en drugs. Het café was altijd vol, de lucht zweterig, hasj, en goedkope drank, de jukebox speelde The Ramones, The Clash, hard rock, en wat oudere flowerpower bullshit, een geest die nog altijd rondzweefde over de stad.
Ze duwden de zware houten deur open, de warmte en het lawaai hen opslokkend als een omhelzing. Binnen was het een chaos van stemmen, gelach, en het gerinkel van glazen. Werkmensen in stoffige overalls deelden pinten met punkers in gescheurde jassen, hippies met kralenkettingen vertelden verhalen aan Hells
Angels, die met hun leren vesten en tatoeages een aparte status hadden. De Angels waren gevreesd, hun reputatie van agressie en controle over de drugsmarkt een stilzwijgende waarheid, maar niemand nam er aanstoot aan – het was de prijs voor een vlotte toevoer van alles wat de nacht nodig had: speed, hasj, wiet, LSD, opium, heroï ne, en pillen zoals Rohypnol, vaak met twee rode strepen op de verpakking, die je alleen op recept hoorde te krijgen. Cocaïne was elitair, te duur voor de meesten, maar de rest was betaalbaar, altijd voorradig, een constante stroom die de nachten voedde.
“Op Ferre!” brulde Luca, een glas jenever in de lucht, terwijl hij op een barkruk klom, zijn hanenkam glanzend in het schemerlicht. De groep lachte, hun glazen klingend, en Linda leunde tegen Wim, haar ogen glinsterend. “Hij zou hier passen, weet je,” zei ze, haar stem zacht maar bruisend. “Met ons, met deze chaos.” Wim knikte, zijn arm losjes om haar heen, de warmte van haar lichaam een anker in de rokerige chaos.
“Zie je die kerel daar?” fluisterde Lorenzo, zijn ogen op een Hells Angel gericht die in een hoek stond, een joint delend met a hippie. “Hij regelt alles. Zonder hem geen feest.” Wim keek, zijn hoofd licht van de hasj, en knikte. “Aanbod en vraag, toch?” zei hij, zijn stem droog, zijn economische instinct al toen scherp. Lorenzo lachte, zijn hand op Wims schouder. “Jij bent een slimmerik, Wim. Altijd al geweest.”
De Skipper was een feest, een plek waar iedereen elkaar kende, waar de grenzen tussen groepen vervaagden. Een werkman met eeltige handen kocht een rondje voor de punkers, een hippie met dreadlocks deelde een strip LSD met een punker met een hanenkam, en zelfs de Hells Angels, met hun ruige reputatie, waren deel van het geheel, hun aanwezigheid een garantie voor de chaos die ze allemaal liefhadden. “Op de Skipper!” brulde Mark, zijn glas in de lucht, en de groep juichte, hun stemmen versmeltend met de dreunende jukebox.
Linda danste, haar rode haar zwaaiend, en trok Wim mee, haar lach een melodie die zijn hart vulde. “Kom op, filosoof, beweeg!” zei ze, haar ogen stralend, en Wim lachte, zijn lichaam losser, de drugs en de nacht een perfecte symfonie. Luca sprong op een tafel, zijn jenever morsend, en begon een rauwe versie van “Anarchy in the UK” te zingen, zijn stem krakend maar bruisend, terwijl Lorenzo hem probeerde omver te duwen, hun gelach de kroeg vullend. Een Hells Angel keek toe, zijn ogen vernauwend, maar toen grijnsde hij, zijn tanden blinkend, en hief zijn glas, een stilzwijgende goedkeuring.
Maar de vrijheid van De Skipper was nooit zonder risico. De politie, altijd op zoek naar een excuus, viel regelmatig binnen, hun laarzen bonkend op de houten vloer, hun stemmen snijdend door de muziek. Een inval begon vaak met een roep om paspoorten, gevolgd door fouilleringen die ruwer waren dan op het plein. “Iedereen tegen de muur!” brulde een agent, zijn zaklamp flitsend over de menigte, terwijl zijn collega’s de punkers en hippies uit elkaar trokken, hun zakken doorzoekend, hun glazen omgooiend. Wim voelde zijn hart bonzen, een mix van woede en angst die hij niet helemaal begreep. Wat deden ze verkeerd? Ze feestten, ze leefden – waarom was dat een misdaad?
“Paspoort,” snauwde een agent, zijn hand uitgestrekt naar Luca, die grijnsde maar zijn ogen nerveus. “Rustig, meneer, ik ben een brave jongen,” zei Luca, zijn stem bruisend maar gespannen, terwijl hij zijn paspoort overhandigde. De agent doorzocht zijn zakken, een zakje hasj op de grond gooiend, en Luca’s grijns vervaagde, zijn bravoure wankelend. “Dit is bezit,” gromde de agent, zijn stem dreigend, en Luca haalde zijn schouders op, zijn stem zachter nu. “Voor persoonlijk gebruik, meneer. U kent dat toch?”
De agent sloeg Luca’s paspoort dicht en gooide het op de grond, zijn ogen vernauwend. “Volgende keer ben je mee,” zei hij, en de groep verstilde, een pijnlijke spanning trok door de kroeg. Linda greep Wims hand, haar vingers strak, en fluisterde: “Ze haten ons, Wim. Ze willen ons weg.” Wim voelde een koude rilling, een paranoia die groeide met elke inval, elke fouillering, elke dreiging van arrestatie. Ze waren vrij, toch? Maar de politie zag hen als criminelen, hun hasj, hun pillen, hun chaos een bedreiging.
De ergste nacht kwam toen de politie Lorenzo arresteerde. Het was laat, de jukebox dreunde nog, en de groep was diep in hun roes, hun glazen gevuld, hun ogen glazig. De deur vloog open, en een zestal agenten stormde binnen, hun zaklampen flitsend, hun stemmen brullend. “Iedereen blijven staan!” schreeuwde een agent, terwijl zijn collega’s de menigte uiteendreven. Lorenzo, zijn hanenkam wapperend, stond op een tafel, een joint in zijn hand, en lachte, zijn stem bruisend. “Kom op, heren, join the party!” zei hij, zijn bravoure onbreekbaar.
Maar een agent, een lange man met een kaak als staal, greep hem bij zijn kraag en trok hem van de tafel, zijn handen ruw terwijl hij Lorenzo’s zakken doorzocht. Een strip Rohypnol viel op de grond, en de agent zijn ogen vernauwden. “Dit is genoeg,” gromde hij, en voordat iemand kon reageren, werden Lorenzo’s handen achter zijn rug gedraaid, handboeien klikkend. “Jullie anarchisten denken dat je boven de wet staat,” snauwde de agent, zijn stem scherp, terwijl hij Lorenzo naar buiten sleurde.
“Laat hem los!” schreeuwde Linda, haar stem vol emotie, haar ogen glinsterend van woede en angst, maar Mark hield haar tegen, zijn hand stevig op haar arm. “Niet doen, Lin,” fluisterde hij, zijn stem gespannen. “Ze zoeken een reden.” Wim voelde zijn maag draaien, een blinde woede vermengd met een verlammende angst. Lorenzo was hun broer, hun anarchist, en nu werd hij als een crimineel afgevoerd, zijn lach vervaagd, zijn ogen groot van schok. “Ik ben zo terug, jongens!” riep hij, zijn stem bruisend maar breekbaar, terwijl de politie hem in een combi duwde.
De kroeg was stil, de jukebox uit, de feeststemming gebroken. “Ze komen altijd voor ons,” mompelde Luca, zijn ogen op de grond, zijn bravoure weg. “Wat doen we dan verkeerd?” Wim voelde een koude rilling, een paranoia die zijn gedachten vulde. Ze waren vrij, toch? Maar de politie zag hen als een bedreiging, hun drugs, hun chaos, hun bestaan een misdaad. “Ze snappen het niet,” zei hij, zijn stem laag, zijn economische instinct scherp. “Ze denken dat we de stad kapotmaken, maar we bouwen iets. Ons iets.”
Mark knikte, zijn hand op Wims schouder. “Ze haten wat ze niet begrijpen,” zei hij, zijn stem vast. “Maar dit is onze plek. Ze krijgen ons niet klein.” De groep juichte, hun stemmen luid, hun angst verdrongen door solidariteit, maar de paranoia bleef, een stille dreiging die hun nachten kleurde. Lorenzo was de volgende dag vrij, zijn arrestatie een waarschuwing, maar de angst groeide, een schaduw die hun feest overschaduwde.
Toch bleef De Skipper hun thuis, een plek waar ze lachten, dansten, en leefden, hun drugs een ritueel van kameraadschap, hun chaos een viering van hun jeugd. Ze deelden joints, slikten pillen, en lachten, hun stemmen luid, hun harten open. Het was afhankelijkheid, ja, maar het was ook hun leven, hun feest, hun Skipper, en in de rokerige chaos van die kroeg was het alles wat ze nodig hadden.
Die nachten op het Conscienceplein en in De Skipper waren een viering van hun rebellie, hun eenheid, een tijd waarin de stad van hen was, en de nacht een eindeloze belofte van chaos en vreugde, zelfs met de politie als constante schaduw.
Hoofdstuk 3
Wim stond roerloos in de regen, de koplampen van zijn taxi nog gericht op de steeg waar de vrouw was verdwenen. Zijn hart bonsde in zijn borst, een ritme dat hij niet meer had gevoeld sinds zijn wilde jaren. Was het Sara? Haar silhouet, dat legerjack, de manier waarop ze de sigaret vasthield – het was te vertrouwd, te pijnlijk. Maar de stad speelde spelletjes met hem, zoals altijd, en de mist slokte haar op alsof ze nooit had bestaan. Hij stapte weer in de taxi, zijn kleren klam tegen zijn huid, en sloeg het portier dicht. De motor snorde zacht, maar hij bleef zitten, zijn handen trillend op het stuur. De naam “Sara” lag op zijn tong, maar hij durfde hem niet uit te spreken, bang dat het de illusie zou breken – of juist zou bevestigen.
De radio kraakte, een nieuwe oproep, maar Wim negeerde het. Hij staarde naar de natte straten van de Kammenstraat, de neonlichten van een gesloten kledingwinkel flikkerend in de verte. De stad was stil, op het zachte tikken van de regen na, maar in zijn hoofd was het een chaos van stemmen en gezichten. De jonge punker van eerder die nacht, de man in de haven die misschien Koen was, en nu deze vrouw – het verleden leek hem te achtervolgen, alsof Antwerpen zelf hem dwong om te kijken naar wat hij had begraven. Hij sloot zijn ogen, zijn adem zwaar, en voelde de herinneringen opwellen, onstuitbaar als een golf.
Het begon allemaal ergens in de herfst van 1977, op een avond die zich grijs en miezerig had aangekondigd, zoals er toen zovele waren. Wim was net achttien geworden, werkloos, rusteloos, en met het gevoel dat hij nergens thuishoorde. Thuis voelde als een tussenstation, geen bestemming. Zijn ouders begrepen hem niet, de school had hem uitgekotst, en de stad leek enkel nog te bestaan uit regels die hem belemmerden. Maar op een avond in het café aan de Brouwersvliet had hij Matthias ontmoet. Die droeg een leren jas vol veiligheidsspelden, zijn haren waren zwart geverfd en op zijn rechterwang had hij met stift het logo van de Sex Pistols gekrabbeld. Ze raakten aan de praat over muziek. Een week later zaten ze samen in een oude VW-bus op weg naar Brussel, op weg naar hun eerste echte punkconcert: The Damned in de Ancienne Belgique.
Vanaf dat moment was alles veranderd.
Het werd een manier van leven – of beter gezegd: overleven. Elke week waren er concerten, ergens in België of Nederland. Ze trokken ernaartoe alsof het een pelgrimstocht was. Als Matthias met zijn roestige bus kon rijden, vertrokken ze direct van op het plein in Antwerpen. Maar vaker nog moesten ze improviseren. Ze zochten vrienden met een rijbewijs of die gek genoeg waren om hen mee te nemen, en als dat niet lukte, dan was er de trein. Lange, stinkende NMBS-ritten waarbij ze urenlang tegen elkaar aan hingen in de gangpaden, tussen zwetende forenzen en controleurs die hen wantrouwend aankeken. Het was niet ongewoon dat ze ergens midden in de nacht in een station als Mechelen of Leuven strandden, wachtend op de eerste trein terug naar huis, terwijl ze op de koude tegels van het perron lagen, met hun hoofd op een versterker of een opgerolde jas.
En als zelfs de trein geen optie meer was, dan staken ze hun duim omhoog langs de N-wegen, met een zelfgetekend bordje: “Brussel”, “Gent”,
“Amsterdam”. Liften was een kunst. Wim had geleerd hoe je best keek – niet te hongerig, niet te wild – en hoe je de juiste verhalen verzon als een chauffeur begon te vragen wat een stel jongeren in godsnaam op pad deed met een gitaarkoffer en een tas vol stickers. Ee n keer werden ze opgepikt door een groepje Nederlandse skaters die hen tot in Den Haag brachten. Ze bleven drie dagen in een kraakpand slapen met matige elektriciteit en een kat die permanent dronken leek van de lijmgeur in huis.
De muziek was alles. Ze gingen voor de rauwheid, het volume, de rebellie. Wim stond vooraan bij The Damned, voelde de spuug van Dave Vanian langs zijn wang glijden terwijl het publiek kolkte. Hij werd meegesleurd in de moshpit bij The Clash in Paradiso. Hij schreeuwde zich hees bij de Dead Kennedys in Brussel, waar Jello Biafra als een bezetene over het podium raasde. Elke keer opnieuw verloor hij zichzelf in die roes. The Police, The Cure, Joy Division, Gary Numan – ze zagen ze allemaal. Sommigen nog jong en opkomend, anderen al legendarisch. De muziek was ruw, compromisloos, vaak nauwelijks verstaanbaar, maar het resoneerde diep. Het gaf vorm aan hun woede, aan hun verlangen om gehoord te worden in een wereld die liever wegkeek.
En altijd waren ze onderweg. De straten van Antwerpen werden vertrekpunten, perrons hun tijdelijke thuis. Er was iets bijna poëtisch aan dat eeuwige reizen. De geur van nat asfalt, verschaald bier en zweet. De kaartjes die ze aan elkaar doorgaven, de gedeelde zakken friet op een bankje bij een stationskiosk. De vriendengroep was hecht. Matthias was de onbetwiste leider, Arno had meestal geld op zak en een hoofd vol theorieën over anarchisme, en Hilde… Hilde was anders. Stil, met korte rode haren en ogen die alles zagen maar niets zeiden. Ze kon teksten van Dead Kennedy’s uit het hoofd opzeggen terwijl ze op een plastic bekertje zat te tekenen. Wim was stilletjes verliefd op haar, maar sprak het nooit uit. Hij wist dat zij te vrij was om zich ergens aan te binden – net als hijzelf.
Ze leefden van dag tot dag. In kraakpanden, op matrassen op de grond, met dekens die naar kattenurine roken. Ze deelden wat ze hadden: eten, drank, muziek, soms zelfs geliefden. Wim raakte langzaam maar zeker in de ban van drugs. Eerst was het enkel om wakker te blijven, om de nachten te kunnen uitzitten. Een lijntje speed hier, een pil daar. Maar het sloop erin. In het kraakpand aan de Lange Nieuwstraat werd heroïne gebruikt, en hoewel hij het lang had afgehouden, gebeurde het op een avond toch. Hij zat op de vloer, zijn hoofd bonkte, Hilde lag naast hem en vroeg: “Wil je ook?” En hij knikte.
Vanaf dan ging het bergaf. Niet meteen. In het begin was het nog beheersbaar. Wim bleef gaan naar concerten, bleef liften, bleef lachen. Maar hij merkte dat zijn wereld kleiner werd. Zijn reflexen traag. Zijn geheugen gaten begon te vertonen. Er waren nachten dat hij op een onbekende matras wakker werd, niet wist in welke stad hij was, en enkel kon hopen dat zijn schoenen nog ergens in de kamer lagen. Arno verdween een tijdje, zogezegd naar Frankrijk, maar kwam terug als een schim van zichzelf. Hilde verdween voorgoed na een overdosis in een stationstoilet in Gent. Wim hoorde het pas dagen later. Niemand wist waar ze begraven was.
Tegen het einde van 1979 was alles veranderd. De concerten werden minder, de drive zakte weg. De scene begon zichzelf te herhalen. Nieuwe jongeren kwamen erbij, maar iets van de magie was weg. De idealen van weleer – vrijheid, verzet, zelfexpressie – klonken hol in de echo van lege cafe s. Wim stond nog e e n keer vooraan bij een concert van The Cure in Leuven. Robert Smith zong “A Forest”, en terwijl de muziek dreef op een mist van rookmachines, voelde Wim een diepe melancholie. Hij hoorde zichzelf niet meer meeschreeuwen. Hij voelde zich oud, moe, leeg.
Hij stopte. Langzaam maar zeker. Geen radicale breuk, geen grote beslissing. Gewoon: niet meer meegaan, een concert overslaan, niet meer liften. Hij vond werk als taxichauffeur, uit noodzaak meer dan uit overtuiging. Maar het beviel hem. De stilte. De warmte van de wagen. De regelmaat. In de eenzaamheid van de nachten begon hij zich weer mens te voelen. Niet herboren, maar in ieder geval opnieuw bestaand.
Soms, als hij ’s nachts op het Sint-Jansplein stond te wachten, kwamen de herinneringen terug. Een riff, een geur, een flits. Dan zag hij Hilde voor zich, zingend op de vloer van het kraakpand, met een potlood in haar hand. Dan hoorde hij de echo van Matthias’ stem, ergens op een perron in Brugge, roepend: “We gaan nog een keer, Wim! Ee n laatste keer!” En hij glimlachte. Want ondanks alles – ondanks de drugs, de dood, het verlies – was het een tijd geweest die ertoe deed. Genadeloos vuil, echt.
Hij droeg die jaren nog altijd in zich, als littekens die nooit volledig zouden genezen, maar waar hij zachtjes met zijn vingers over kon strijken. De muziek zat in zijn bloed, het reizen in zijn benen, de kameraadschap in zijn hart. En hoewel hij nu alleen was, voelde hij zich nooit helemaal verlaten.
Want ergens in de verte speelde altijd wel weer een baslijn, ergens reed nog een trein die hen meevoerde, op weg naar een concertzaal waar alles mogelijk was.
De ochtendzon piepte langs de kapotte gordijnen van het kraakpand en wierp een vale streep licht over de stoffige houten vloer. Wim kreunde zacht terwijl hij wakker werd op een versleten matras in de hoek van de ruimte die hij zijn kamer noemde. Zijn hoofd bonkte van de kater en zijn mond voelde aan als schuurpapier. Rondom hem lag de puinhoop van de vorige nacht: lege flessen, een omgevallen kaars die gestold kaarsvet op de vloer had gemorst, een asbak vol peuken. In de verte, ergens in een andere kamer van het pand, klonk het zachte gesnurk van een van de anderen.
Met moeite duwde Wim zichzelf overeind. Zijn lijf protesteerde bij elke beweging. De combinatie van weinig slaap, te veel drank en een lijf vol blauwe plekken van het pogoën in de club eiste zijn tol. Hij zocht naar zijn broek tussen de stapel kleren op de grond en trok die langzaamaan. Zijn oog viel op de zwarte streep op zijn arm – een viltstiftmarkering van gisteravond, gezet door de portier van de club als teken dat hij had betaald. Een klein bewijs dat het geen droom was geweest. Niet dat hij dat nodig had; de rooklucht in zijn haar en kleding vertelde hem genoeg.
Op blote voeten liep hij zijn kamer uit, de gang op. In de gang was het koel en rook het muf, naar oud hout en vocht. Aan de muur hing een verbleekte poster van The Sex Pistols die ooit felgekleurd was geweest maar nu net zo grauw oogde als de rest van het huis. Hij hoorde gestommel uit de keuken beneden – waarschijnlijk Mark of misschien een van de tweeling.
Wim liep de trap af, waarbij hij op de leuning steunde omdat een paar treden ontbraken of half doorgezakt waren. Beneden trof hij Mark aan die in de keuken een pot oploskoffie aan het bereiden was, slechts gekleed in een gescheurde spijkerbroek. Zijn torso was mager en bezaaid met tatoeages en hier en daar een gele plek van een oude kneuzing. Mark keek op toen hij Wim zag verschijnen in de deuropening.
“Ah, kijk eens aan wie er leeft,” zei Mark met schorre stem. Hij hief een afgebladderde mok omhoog. “Koffie?”
“Alsjeblieft,” antwoordde Wim dankbaar. Hij merkte dat zelfs praten pijn deed aan zijn droge keel. Hij ging op een wankele keukenstoel zitten en nam de mok koffie aan die Mark voor hem inschonk. De bittere geur van oploskoffie was misschien niet bepaald heerlijk, maar het was warm en cafeïne was nodig.
Mark liet zich op een andere stoel vallen en wreef in zijn ogen. “Wat een avond,” mompelde hij uiteindelijk, met een flauwe glimlach.
Wim knikte terwijl hij voorzichtig van de hete koffie nipte. “Hoe zijn we eigenlijk thuisgekomen?” vroeg hij, zoekend in zijn geheugen naar de laatste uren. Hij herinnerde zich nog de Getto, vage flarden van mee springen met een of andere coverband, Luca die stond te zoenen met een meisje in een hoek… maar hoe ze terug in het kraakpand waren beland, was een waas.
Mark grijnsde schuin. “Op de fiets, kerel. Jij achterop bij mij, alsof we de Tour aan ’t rijden waren. Je was half in slaap gevallen.” Hij gaf Wim een plagerig duwtje tegen zijn schouder. “Je bent zwaarder dan je eruitziet, weet je dat?”
Wim kon een lachje niet onderdrukken. Het beeld van hen waggelend op Mark’s oude fiets door de verlaten ochtendstraten flitste door zijn hoofd. Het was een wonder dat ze niet tegen een paal waren geknald. “Ik weet er niks meer van,” gaf hij toe. “Bedankt dat je me niet op straat hebt laten liggen.”
Mark haalde zijn schouders op. “Wat zou ik anders? We laten elkaar toch niet stikken, maat.” Die woorden kwamen er uit met een vanzelfsprekendheid die Wim een steek van loyaliteit deed voelen. Ondanks al de gekte voelde hij vriendschap hier oprecht.
Er klonk gestommel bij de keukendeur. Lorenzo verscheen, met slaperig gezicht en zijn haar alle kanten op. Achter hem slofte Luca, die er al niet veel frisser uitzag. “Goeiemorgen is het intussen zeker,” mompelde Lorenzo terwijl hij zichzelf uitrekte. “Is er nog koffie?”
Mark stond half op en reikte naar een paar oude emaillen mokken op de plank. “Komt eraan.”
Terwijl Mark de tweeling van koffie voorzag, nam Wim de tijd om de broers te bekijken. Ze zagen er net zo gehavend uit als hij zich voelde. Luca’s lip was gezwollen – waarschijnlijk had hij weer eens gevochten of een wilde zoenpartij gehad; bij hem was dat soms lastig te onderscheiden. Lorenzo’s hand zat in een geïmproviseerd verband van een scheur in zijn jas – een nieuw vuistgevecht-souvenir wellicht. Toch straalden hun gezichten een soort tevreden roes uit, een nagenieten van de nacht.
“Damn, ik heb honger,” verklaarde Luca abrupt terwijl hij neerplofte aan tafel en zijn handen om de warme mok vouwde. “Is er eten?”
Wim schudde zijn hoofd. De voorraad in het kraakpand was altijd karig. “Ik denk dat er nog wat oud brood is, en crackers misschien.”
Lorenzo trok een vies gezicht. “We moeten echt eens fatsoenlijk eten regelen. Straks vallen we nog dood neer bij gebrek aan vitamines of zo.” Zijn toon was spottend, maar de kern van waarheid was er wel.
Mark zette een half brood op tafel, waarvan de korst hard was als steen. “Iemand zin in toast?” grapte hij droog terwijl hij met een bot mes een poging deed een plak af te snijden.
Luca zuchtte theatraal en rolde met zijn ogen. “Ach, geef maar hier.” Hij pakte het brood af en begon er gewoon direct aan te knagen alsof het een stuk koek was. “Prima zo.” Zijn woorden klonken onverstaanbaar door de volle mond, wat Lorenzo in lachen deed uitbarsten.
Wim at een paar crackers die hij in een trommel had gevonden en spoelde de kartonsmaak weg met de rest van zijn koffie.
“Waar is Linda eigenlijk?” vroeg Lorenzo opeens terwijl hij om zich heen keek, alsof ze ergens onder tafel kon liggen.
Wim voelde een lichte aarzeling. Hij had haar vanochtend nog niet gezien. “Waarschijnlijk nog boven knock-out,” zei hij. “Ze sliep toch in de voorkamer?”
Mark knikte. “Ja, ze ging eerder naar huis geloof ik, met die hoofdpijn. Te veel mixdrankjes.” Hij grijnsde even. “Ik bracht haar halverwege de nacht naar bed toen we terugkwamen. Ze was totaal groggy.”
Wim beet op zijn lip en wierp zijn blik op het lege mokje voor hem. Hij herinnerde het zich nu vaag: Linda die onderweg terug half bewusteloos tegen Mark hing. Hij had daar toen niets bij gevoeld, hield hij zichzelf voor. Het was gewoon Linda, een vriendin. Dat Mark haar had ondersteund in plaats van hijzelf, was toevallig. Toch prikte er iets van jaloezie. Of was het schuldgevoel dat hij het zich niet eens herinnerde?
Alsof op cue verscheen Linda in de deuropening. Ze zag bleekjes onder haar sproetjes en haar rode haar stond slordig overeind. Ze droeg een te groot zwart T-shirt waar ze vermoedelijk in geslapen had en keek met half dichtgeknepen ogen naar het licht in de keuken.
“Jezus, wat maken jullie een lawaai,” mompelde ze met krakende stem. “Hebben jullie geen respect voor een stervende?”
Luca proestte zijn broodkruimels bijna uit van het lachen. “Kijk nou, onze sleeping beauty ontwaakt.”
Linda gunde hem een middelvinger terwijl ze naar de koffie reikte die Mark al voor haar inschonk. “Geen grappen. Mijn hoofd ontploft,” kreunde ze, dankbaar een slok nemend.
Wim keek even naar haar vanuit zijn stoel aan de andere kant van de tafel. Hun blikken ontmoetten elkaar kort. Hij glimlachte zwakjes, als groet. “Goed geslapen?” hoorde hij zichzelf vragen, enigszins knullig.
Linda plofte naast hem neer, haar knie raakte even die van Wim onder tafel voordat ze zich wat van hem af bewoog op de bank. “Alsof ik in een achtbaan sliep,” zuchtte ze. “Alles draait nog.” Toch glimlachte ze flauwtjes naar hem. “Bedankt dat jullie me hebben meegenomen. Ik weet er niet veel meer van.” “ Wim dacht dat je nog boven lag,” bracht Lorenzo plagend in.
“En jij dacht zeker dat ik dood was,” grapte Linda droog naar Wim. Haar zwarte oogmake-up van de vorige nacht zat als schaduwen onder haar ogen, waardoor ze er uitgeput uitzag en tegelijkertijd fragiel.
Wim schudde snel zijn hoofd. “Nee, ik— ik wist het gewoon niet.”
“Geeft niet,” suste ze. Ze leunde met haar hoofd tegen zijn schouder en sloot even haar ogen. De beweging verraste Wim; hij voelde haar warmte en kon de vage geur van haar haar opsnuiven – een mengeling van sigarettenrook en haar eigen zoete parfum. Ondanks de rommelige staat voelde de nabijheid troostrijk. Zijn hart sloeg onwillekeurig een slag over. Hij bleef stil zitten, bang dat ze zich zou terugtrekken als hij bewoog.
De rest aan tafel keek er niet echt van op; lijfelijkheid was bij hen allen weinig beladen. Vriendschap en lust liepen vaak door elkaar in hun kleine clan, zonder verplichtingen of drama – althans, zo hielden ze zichzelf voor.
Mark stond op en rekte zich uit. “Nou mensen, wat is het plan vandaag? Gaan we gewoon weer door vanavond of hebben we overdag nog wat te fixen?”
Lorenzo haalde zijn schouders op. “Ik moet eigenlijk een nieuwe slaapplek regelen voor als dit pand gekraakt wordt door de eigenaar. Maar dat roep ik al weken.”
Luca veegde kruimels van zijn jas. “We zien wel. Misschien vanavond naar de Domino? Schijnt dat daar een bandje optreedt. Iets met hardcore punk.”
“Altijd goed,” mompelde Mark. “Maar eerst… wat ga ik doen? Misschien wat spuiten fixen voor straks.” Hij doelde op graffiti; Mark was vaak op pad om zijn tag achter te laten op straatmuren.
Wim luisterde naar het vertrouwde geratel van plannen die even vluchtig waren als de rook van hun sigaretten. Linda was intussen tegen hem aan in slaap gesukkeld; haar lege koffiekopje balanceerde gevaarlijk op haar knie. Voorzichtig nam Wim het uit haar hand en zette het weg, terwijl hij probeerde niet te veel te genieten van het gevoel van haar tegen zich aan. Het was een illusie van geborgenheid, wist hij. Straks zou ze gewoon weer opstaan en de dag ingaan alsof er niets was.
Toch bleef hij nog even zitten, haar gewicht tegen zijn arm, terwijl de broers kibbelden over wat te doen en Mark al zingend de keuken uitliep om zijn spuitbussen te zoeken. In dit ogenblik van relatieve rust voelde Wim zich zowel verbonden met hen als compleet alleen. Om hem heen waren zijn vrienden, zijn kameraden in dit ruige bestaan. Maar diep vanbinnen knaagde iets – een vaag besef dat hij zich probeerde te verdrinken in dit leven, en dat, zodra de nacht weer viel, alles zich opnieuw zou afspelen: de roes, de lol, de leegte daarna.
Linda bewoog en kwam overeind, haar ogen weer open. Ze leek even vergeten waar ze was en glimlachte slaperig naar Wim. “Dank je,” fluisterde ze schor, hoewel het onduidelijk was of ze het over de koffie had, het slapen, of het feit dat hij haar had laten leunen.
Voor hij iets kon antwoorden, was ze al weggegleden van de bank, op zoek naar haar schoenen misschien. Wim bleef achter, met nog de warme indruk van haar aanwezigheid op zijn arm.
“Mensen, ik ga pitten,” kondigde Luca ineens aan. “Laat dat optreden van vanavond maar weten als het zeker is.” Hij stond op en slofte de gang op, Lorenzo volgde hem al snel. Binnen de kortste keren vertoonde de keuken alleen nog sporen van hun korte samenzijn: mokken, het aangesneden brood, een omgevallen stoel.
Wim stond langzaam op en strekte zijn stijve ledematen. Linda was ook verdwenen, waarschijnlijk terug naar haar hoekje om nog wat uit te rusten.
Hij voelde de drang om haar te volgen, om naast haar te gaan liggen en die leegte te vullen met haar aanwezigheid. Maar hij deed het niet.
In plaats daarvan verliet hij de keuken en liep het pand uit, de frisse buitenlucht in. De late ochtendzon deed zijn ogen samenknijpen. De stad ruiste op de achtergrond, het alledaagse leven dat buiten hun nachtelijke enclave gewoon doorging.
Op de stoep ging hij zitten, zijn voeten op de natte straatstenen. Uit de zak van his broek haalde hij een verkreukeld pakje sigaretten. Met zijn aansteker – die wonder boven wonder nog gas had – stak hij er een op. De eerste hijs maakte hem licht in het hoofd, of misschien was dat gewoon de nasleep van de kater.
Terwijl rook langzaam uit zijn mond ontsnapte, staarde Wim naar de voorbijglijdende wolken. Hier zat hij dan: achttien jaar oud, zonder werk, zonder plan, levend van dag tot dag in een vervallen huis dat elk moment ontruimd kon worden. Maar ’s nachts voelde hij zich koning, onoverwinnelijk in de stroom van muziek en verdoving.
Toch, in de stilte van de dag, voelde alles anders aan. Een vieze smaak van doelloosheid lag op zijn tong, net als de bittere nasmaak van de oploskoffie. Hij nam nog een trek van zijn sigaret, alsof hij daarmee die smaak kon verdrijven.
Misschien, dacht hij bij zichzelf, was dit gewoon hoe het hoorde te zijn. Geen grote toekomst, geen dromen. Alleen de vlucht van nacht naar nacht. Hij duwde dat stemmetje in zijn hoofd, dat om meer vroeg, weer weg. Vanavond was er weer een optreden in een of andere duistere kroeg, en daar zou hij zijn met zijn vrienden, alsof er niets anders bestond.
Wim duwde zichzelf omhoog van de stoep en stampte de sigaret uit. De zon voelde nu al te fel en nuchter op zijn huid. Hij wilde terug de donkerte in, naar de veilige dekens van de nacht waar de leegte zich even liet vergeten.
De dag kroop traag voorbij, een waas van sigaretten, halve gesprekken, en het wachten op de nacht. Wim dwaalde door het kraakpand, zijn gedachten rusteloos, zijn lijf nog zwaar van de kater. Hij vond Linda later in de voorkamer, opgekruld op een matras met een gescheurde deken over zich heen. Ze sliep, haar gezicht ontspannen, de make-upvlekken onder haar ogen als stille getuigen van de nacht. Hij stond even in de deuropening, keek naar haar, en voelde een steek van verlangen – niet alleen naar haar, maar naar iets groters, iets wat hij niet kon benoemen. Hij draaide zich om en liet haar slapen.
Tegen de avond kwam de groep weer tot leven. Mark was terug van zijn graffiti-expeditie, zijn handen besmeurd met verf, een wilde grijns op zijn gezicht. “Ik heb de muur bij de haven ge-tagt,” zei hij, terwijl hij een Stella opentrok. “Groot, man, je ziet het van kilometers.” Lorenzo en Luca waren al in discussie over welke kroeg ze zouden raken, de Domino of een nieuwe plek in de Seefhoek waar een band speelde die niemand kende. Linda verscheen, haar haar nu in een strakke knot, haar ogen helder ondanks de kater. “Ik ga mee,” zei ze, haar stem vast, en Wim voelde een kleine opluchting dat ze er zou zijn.
Ze trokken de stad in, een losse stoet van leren jassen, gescheurde broeken, en de geur van bier en rook. De Domino was een kleine kroeg, de muren bedekt met posters van bands die allang niet meer bestonden, de vloer plakkerig van gemorst drank. De band was laat, zoals altijd, maar de zaal vulde zich met bekende gezichten – andere punks, krakers, verloren zielen die dezelfde roes zochten. Wim leunde tegen een muur, een pint in zijn hand, en keek naar de chaos om zich heen. Linda stond vlakbij, lachend met een meisje dat hij niet kende, haar ogen glinsterend in het schemerlicht. Hij wilde naar haar toe, iets zeggen, maar de woorden bleven steken, zoals altijd.
De band begon, een rauwe muur van beton die de kroeg deed trillen. Wim liet zich meeslepen, zijn lijf bewegend op het ritme, de wereld vervagend tot een waas van zweet en lawaai. Hij voelde Linda’s arm tegen de zijne in de menigte, een vluchtig moment van contact dat hem deed duizelen. Maar toen was ze weg, opgeslokt door de massa, en hij was weer alleen, schreeuwend tegen een wereld die niet luisterde.
Later die nacht, buiten de kroeg, zaten ze op de stoep, de koude kasseien hard onder hun kont. Mark deelde een joint, de rook kringelend in de nachtlucht. Linda zat naast Wim, haar knieën opgetrokken, haar ogen op de sterren gericht. “Dit is het, he ,” zei ze zacht, bijna tegen zichzelf. “Dit is alles wat we hebben.”
Wim keek naar haar, zijn hart zwaar. “Misschien,” zei hij, zijn stem schor. “Maar het is genoeg, toch?”
Ze glimlachte, maar er was iets droevigs in haar ogen. “Voor nu,” zei ze, en ze leunde tegen hem, haar warmte een tijdelijke troost tegen de kou van de nacht.
De herinnering vervaagde, en Wim opende zijn ogen, terug in de taxi op de Kammenstraat. De regen tikte nog steeds op het dak, de stad stil en grijs om hem heen. Hij voelde de leegte van die woorden – “voor nu” – als een mes in zijn borst. Linda was weg, net als Hilde, net als Koen, net als de jongen die hij ooit was. Maar de stad was er nog, en ze leek hem te dwingen om te blijven kijken, om te blijven voelen.
De radio kraakte opnieuw, een nieuwe oproep. “Taxi 214, klant aan de
Lange Nieuwstraat, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Lange Nieuwstraat – het kraakpand, de plek waar alles begon en eindigde. Zijn handen trilden terwijl hij de knop indrukte. “Begrepen,” zei hij, zijn stem vlak, maar zijn hart bonzend. Hij startte de motor, de taxi gleed door de natte straten, en in de verte zag hij een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten legerjack, haar haar kort en slordig, een sigaret in haar hand. Wim trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij staarde naar haar. Was het Sara? Linda? Of gewoon een spook van zijn eigen maken? Ze keek op, haar ogen vingen de koplampen, en toen draaide ze zich om, verdween in de schaduw, een echo van een leven dat hij nooit helemaal kon loslaten.
Hoofdstuk 4: Het Flipmoment
Wim zat roerloos in de taxi, de regen tikte nog steeds op het dak, de Kammenstraat een natte, glinsterende leegte voor hem. De vrouw was verdwenen in de steeg, haar legerjack en sigaret een spookbeeld dat zijn hart in een bankschroef hield. Was het Sara? Linda? Of een wrede truc van de stad, die zijn verleden als een mes in zijn ribben stak? Hij ademde zwaar, zijn handen trillend op het stuur, de naam “Linda” een fluistering die hij niet durfde uit te spreken. De radio kraakte, een nieuwe oproep, maar hij negeerde het. Zijn ogen zochten de schaduwen, alsof ze daar nog zou staan, maar de steeg was leeg, de stad stil. Het verleden had hem weer gevonden, en deze keer liet het niet los.
Hij startte de motor, de taxi gleed langzaam door de natte straten, maar zijn gedachten waren elders, gevangen in een nacht die alles had veranderd. De Lange Nieuwstraat, het kraakpand, Linda’s levenloze lichaam op de vloer – het was alsof hij er weer was, de stank van bloed en heroïne in zijn neus, de sirenes in zijn oren. Hij voelde zijn maag draaien, een oude wond die nooit helemaal was geheeld. Hij stuurde de taxi richting het Astridplein, een automatisme, zijn lichaam handelend terwijl zijn geest verdronk in herinneringen.
De taxi stond stil aan de rand van de binnenstad, op een verlaten standplaats bij het Astridplein. Het was inmiddels half vier ’s nachts. In de verte torende het silhouet van het Centraal Station op, maar op dit uur was het station gesloten en de buurt eromheen uitgestorven. Slechts de neonverlichting van een nachtwinkel en het flauwe schijnsel van straatlantaarns hielden Wim gezelschap.
Hij had even geen klanten en besloot een korte pauze te nemen. Met de motor uit viel de wereld in volledige stilte uiteen, op het tikken van de taximeter na die af en toe een elektronisch kreuntje gaf. Wim reikte naar het dashboardkastje en haalde er een thermosfles uit. Hij schonk zichzelf een lauwe slok zwarte koffie in de plastic dop en staarde voor zich uit door de voorruit.
De straten waren leeg, slechts een verdwaalde fietser reed in de verte voorbij. Dit waren de momenten waarop de eenzaamheid het sterkst voelde – als zelfs de nachtbrakers naar huis waren en hij als enige wakker leek te zijn in de stad. Vaak vond hij daar een perverse rust in, maar vanavond zat hij niet lekker in zijn vel. De ontmoeting met de jonge punker van eerder spookte nog door zijn hoofd, en onwillekeurig hadden zich barstjes gevormd in de muur die hij om zijn herinneringen had gemetseld.
Hij sloot zijn ogen en leunde achterover. Onder zijn oogleden dansten fragmenten van vroeger. Hij probeerde aan niets te denken, maar het verleden kroop nu als onkruid door zijn gedachten. Wim zuchtte, nam nog een slok koffie en probeerde zijn aandacht op het hier en nu te richten: de smaak van goedkope koffie, de koelte van de nacht, het patroon van lichtjes op het dashboard.
Plots werd de stilte gebroken door het loeien van een sirene in de verte. Wim opende zijn ogen en zag een ambulance met flitsende blauwe lichten door de Leien scheuren, op weg naar waarschijnlijk weer een nachtelijk noodgeval. Zijn blik volgde de ambulance tot die uit zicht verdween.
Zo’n zelfde blauwe flits… Het bracht onherroepelijk een herinnering omhoog die hij jarenlang probeerde te onderdrukken. Iets in zijn borst trok samen. Hij dacht aan een van die nachten, lang geleden, toen er ook sirenes waren geweest – voor iemand uit zijn vriendengroep.
De dampende beker koffie trilde licht in zijn hand. Hij zette hem neer in de houder en wreef met zijn handen over zijn gezicht, alsof hij daarmee de opkomende beelden kon wegvegen. Maar het was te laat. De sluizen stonden open.
Wim draaide de sleutel weer om in het contact en de motor kwam tot leven. Het geronk gaf hem houvast. Hij haalde diep adem. “Rijden,” mompelde hij tegen zichzelf. “Gewoon blijven rijden.” Beweging hield meestal de gedachten op afstand.
Hij verliet de standplaats en reed doelloos een kant op, de leegte van de Meir op. De winkels stonden donker en stil, etalages als slapende ogen. Zijn koplampen schoven over de gevels.
Maar zelfs al reed hij, de herinnering denderde net zo goed met hem mee. Hoe sneller hij reed, hoe scherper het beeld zelfs leek te worden – alsof de duisternis om hem heen een filmdoek was waarop zijn verleden werd geprojecteerd.
Wim vloekte binnensmonds. Hij zag in gedachten weer die nacht, zo helder dat het pijn deed: Linda’s levenloze lichaam op de grond van het kraakpand, omringd door hun groep die in paniek was…
Het stuur piepte onder zijn verkrampte greep. Hij wist dat hij voorzichtig moest zijn – een taxi-ongeluk door oude demonen zou de ironie van zijn lot te grotesk maken – en daarom minderde hij vaart. Hij keek om zich heen: geen verkeer. Hij kon zich permitteren langzaam te rijden. Misschien moest hij zelfs even aan de kant gaan. Maar iets dwong hem door te gaan, alsof hij door de fysieke beweging ook door de herinnering heen moest om aan de andere kant weer uit te komen.
Zijn ademhaling versnelde. De beelden van die nacht lieten zich niet meer stoppen. Het was alsof hij er weer was, terug in de hel die ze zelf hadden gecreëerd.
En Wim gaf zich eraan over. De straten om hem heen vervaagden; in plaats daarvan zag hij weer dat vervallen interieur van hun kraakpand, de felle kleur van Linda’s haar tegen de kille tegelvloer, de schreeuwende gezichten van Mark en de tweeling…
De kamer was verlicht door het flakkerende licht van kaarsen en een enkele schemerlamp die op noodstroom werkte. Op de grond lagen gebruikte spuiten, lege bierflesjes en een omgevallen asbak waarvan de inhoud als zwarte sneeuw over de vloer lag. De lucht was zwaar van een metalen geur gemengd met iets zoets en chemisch – het mengsel van bloed, braaksel en goedkope heroïne.
Linda lag roerloos op haar rug, haar arm uitgestrekt, ogen half gesloten alsof ze iets probeerde te zien aan het plafond. Haar gezicht was asgrauw en haar lippen blauw aangelopen. Een lege spuit lag naast haar hand.
“Wakker blijven, verdomme!” schreeuwde Mark, terwijl hij haar wangen zachtjes maar dwingend kletste. Paniek vervormde zijn stem tot een hoog, bijna hysterisch geluid dat Wim nooit eerder bij hem had gehoord. Mark knielde aan Linda’s ene zijde, Wim aan de andere.
“Linda! Linda, hoor je me?” stamelde Wim, zijn hart bonzend in zijn keel. Hij pakte haar koude hand en voelde aan haar pols, maar er was nauwelijks een polsslag. Zijn eigen handen trilden ongecontroleerd. Dit mocht niet gebeuren. Niet Linda.
Lorenzo en Luca stonden er vlakbij, bleek weggetrokken. Lorenzo hield een telefoon vast – hij was degene die met bevende vingers 112 had gebeld toen ze inzagen hoe ernstig het was. Luca ijsbeerde vloekend door de kamer, zijn handen in zijn haar. “Godverdomme, hoeveel heeft ze genomen?” riep hij tegen niemand in het bijzonder. “We hadden haar moeten tegenhouden…”
Niemand antwoordde. De minuten voordat de ambulance zou komen leken een eeuwigheid te duren. Wim bleef Linda’s naam herhalen als een bezwering, terwijl Mark wanhopig haar borstkas masseerde, in een onhandige poging tot reanimeren. Linda’s hoofd bungelde opzij. Er kwam een slijmerig spoor van speeksel uit haar mondhoek.
Het was Luca die als eerste de sirenes hoorde in de verte. “Ze komen!” riep hij, naar het raam stormend. Beneden in de straat scheen blauw licht tegen de gevels. Lorenzo rende naar beneden om de deur open te gooien voor de hulpverleners.
Mark bleef onophoudelijk op Linda inpraten, alsof zijn stem haar terug kon trekken. “Komaan Linda, niet nu, niet weggaan… alsjeblieft…” Hij was buiten adem en er diggelden tranen over zijn vuil besmeurde wangen. Wim had Mark nog nooit zien huilen. Het maakte het des te echter, des te vreselijker.
In een roes zag Wim twee ambulancebroeders en een politieagent de kamer binnenstormen, geleid door Lorenzo die verward uitleg probeerde te geven. “Overdosis… ze is ingestort… we wisten niet…” stamelde hij. De broeders duwden Mark en Wim opzij zonder een woord. Ee n nam onmiddellijk Linda’s pols en checkte haar pupillen met een klein zaklampje; de ander haalde een injectiespuit tevoorschijn – later zou Wim beseffen dat het de tegengifspuit met Naloxon was.
“Wat heeft ze genomen?” vroeg de agent scherp terwijl de broeders handelden. Hij keek rond, nam de toestand van de kamer in zich op: de drugsparafernalia lag er duidelijk bij. Zijn blik schoot naar de jongens. Wim voelde zich versteend onder die argwanende ogen, maar Mark vond zijn stem, al was die gebroken. “Heroïne… we denken heroïne. Ze… ze had wat gekocht van iemand. Niet veel, dachten we…”
De agent siste iets onverstaanbaars in zijn portofoon. “Jullie blijven allemaal hier,” zei hij streng. “Geen gezeik.” Het klonk meer als een waarschuwing dan als een bevel.
Wim kroop achteruit totdat zijn rug de vochtige muur raakte. Zijn handen zaten onder Linda’s braaksel, besefte hij nu pas. Hij wreef ze verdwaasd af aan zijn broek terwijl hij toekeek hoe de broeders stug hun werk deden – beademingsmasker op Linda’s gezicht, de spuit in haar been, controleren.
Het leek eindeloos te duren.
Mark zat naast Wim, hield zijn hoofd in zijn handen en snikte geluidloos. Luca stond stil in een hoek, zijn ogen groot en leeg, en Lorenzo praatte op fluistertoon tegen de agent, of tegen zichzelf, Wim wist het niet. Hij hoorde zijn eigen hart bonken in zijn oren.
Na een paar angstige minuten gebeurde er iets: Linda gaf een schokje, haar lichaam kromp ineen en ze hoestte zwak. Een van de broeders steunde opgelucht en begon tegen zijn collega getallen op te noemen – waarschijnlijk hartslag en bloeddruk. Linda ademde, al was het zwak en hortend.
Wim voelde een golf van opluchting door zich heen gaan die zo sterk was dat hij er misselijk van werd. Hij wilde naar Linda toe kruipen, haar naam zeggen, iets, maar hij durfde niet te storen. De broeders tilden haar behoedzaam op een brancard die ze bij zich hadden. Linda’s ogen gingen even halfopen; ze keek ongericht, niet echt bij kennis. Maar ze leefde. God, ze leefde nog.
“Twee van jullie mogen mee in de ambulance,” zei een van de broeders kortaf. Zijn blik ging over de jongens, inschattend wie het meest kalm was. Mark begon al overeind te krabbelen, klaar om mee te gaan, en Lorenzo deed hetzelfde.
“Ik ga mee,” bracht Wim plots uit, voordat hij het zelf doorhad. Zijn stem klonk schor. Hij voelde een intense behoefte bij haar te blijven, om zeker te weten dat ze deze nacht zou doorkomen. Maar Mark legde een hand op Wim’s arm. “Ik ga,” zei Mark zacht maar beslist. Zijn betraande ogen keken Wim aan. “Jij moet hier blijven… voor het geval ze vragen hebben.” Het was een smoes, Wim wist het, maar er lag smeekbede in Mark’s stem. Misschien had Mark het gevoel dat hij dit moest doen, dat hij haar moest beschermen tot in het ziekenhuis.
Wim knikte verslagen. Hij liet Mark loslaten en keek toe hoe Mark en Lorenzo de broeders volgden die de brancard met Linda de trap af droegen. “We komen naar UZA,” riep Lorenzo nog naar Luca en Wim. “Kom zo snel mogelijk na!”
En toen waren ze weg – Linda’s slappe lichaam rijdend richting de ambulance, Mark en Lorenzo erachteraan rennend. Het blauwe licht van de wagen weerkaatste nog eenmaal tegen de muren van het pand, en daarna doofde het, samen met de sirene, afnemend in de afstand.
Het achtergebleven kwartet was gereduceerd tot twee: Wim en Luca. De agent was samen met de ambulancebroeders meegegaan, of misschien buiten gebleven – Wim had niet opgelet. Ergens in de verte klonken nog buurtbewoners op straat, gewekt door de commotie. Maar in de kamer was het ineens doodstil.
Wim zakte tegen de muur omlaag, uitgeput en volkomen leeg. Luca stond nog steeds in die hoek, zijn vuisten gebald, kaken klemmend op elkaar.
Voor een moment keken de twee jongens elkaar aan. In Luca’s ogen brandde woede – niet op Wim, maar op de hele situatie, op de wereld misschien. Wim voelde bij zichzelf niets dan een diep, zwart gat. Hij had Linda daar zien liggen als een lijk en het besef hoe dicht ze bij de dood was gekomen maakte hem misselijk. Dit was niet rock-’n-roll, dit was niet een beetje stoer trippen. Dit was de hel.
“Fuck dit,” fluisterde Luca uiteindelijk, zijn stem gebroken. Hij gaf een harde trap tegen een omgevallen stoelkussen op de grond en liep toen de deur uit, de trap af, de nacht in, weg van dit alles.
Wim riep hem niet na. Hij bleef zitten, zijn hoofd in zijn handen. Alles om hem heen – de rotzooi, de flakkerende kaars die nog brandde – voelde plots zo akelig zinloos. Minuten gingen voorbij, of misschien uren. Uiteindelijk stond hij wankel op. Elke spier in zijn lichaam trilde. Hij moest weg hier, besloot hij, al was het maar voor even. Hij moest frisse lucht hebben, dit huis uit, anders stikte hij.
Beneden staand in de deuropening van het pand zag Wim dat er inderdaad een politieauto stond. De agent die hen ondervraagd had, leunde tegen de wagen en was druk aan het praten met een collega. Ze wierpen een blik op hem toen hij naar buiten kwam.
“Jij hoort bij haar?” vroeg een van hen, een jonge agente met scherpe ogen. Wim knikte apathisch.
“Ziekenhuis is UZA,” zei de agente. “Ze gaat het redden, naar het lijkt. Jullie hebben geluk gehad.” Haar stem had een strengheid, maar ook iets van medeleven verstopt erin. “We willen later misschien nog verklaringen, maar nu eerst ervoor zorgen dat je vriendin oké is.”
Wim wilde protesteren dat Linda niet zijn vriendin was in de romantische zin, maar wat deed het ertoe. Hij knikte alleen maar opnieuw. Luca was nergens te bekennen; waarschijnlijk rond aan het dolen, of misschien al richting het ziekenhuis gehold zonder dat Wim het merkte.
“Ga jij maar,” mompelde de oudere agent nu, iets milder. “En probeer in godsnaam van die troep af te blijven, jongen.” Hij schudde zijn hoofd en stapte in de wagen. De agente gaf Wim nog een betekenisvolle blik en stapte ook in. Met een draai reden ze weg, de straat uit, alsof ook zij blij waren deze plek te kunnen verlaten.
Wim bleef achter op de stoep, alleen. De nacht voelde kouder dan ooit. Hij had geen jas aangetrokken in de haast. In de verte begon het al licht te worden; of misschien was het, het oranje schijnsel van de stad dat de hemel verlichtte.
Hij moest naar Linda toe, wist hij. Maar hij voelde zich verlamd. Zijn voeten leken aan de grond genageld. De gedachte om in een helder verlichte ziekenhuisgang te moeten gaan staan, nuchter en kwetsbaar, schrikte hem af.
Boven hem, op de tweede verdieping van het kraakpand, hoorde hij iets klepperen – misschien een windvlaag door een kapot raam die een deur deed klapperen. Het klonk als het spook van hun levens dat hem nariep.
Met lood in zijn schoenen begon Wim uiteindelijk te lopen, richting het UZA, richting waar ze Linda naartoe hadden gebracht. Elke stap voelde zwaarder dan de vorige, en de angst, schuld en leegte wervelden in zijn binnenste. Hij wist toen nog niet dat dit het begin van het einde zou inluiden – dat niets na deze nacht ooit nog hetzelfde zou zijn.
De wandeling naar het UZA was een waas van koude lucht en flarden van gedachten. Wim’s laarzen sopten op het natte asfalt, zijn adem vormde wolkjes in de ochtendschemer. De stad begon langzaam te ontwaken, een vuilniswagen rammelde in de verte, een vroege fietser zoefde voorbij – maar voor Wim voelde het alsof hij door een nachtmerrie liep, een droom waaruit hij niet kon ontsnappen. Zijn handen, nog steeds plakkerig van Linda’s braaksel, trilden in zijn zakken. Hij probeerde zich te herinneren hoe het zo ver had kunnen komen, hoe hun nachten van muziek en rebellie waren veranderd in deze hel.
Een andere herinnering drong zich op, een nacht enkele weken voor de overdosis, toen alles nog leek te kunnen. Het was een zwoele zomernacht in 1979, en de groep zat op het dak van het kraakpand, een fles goedkope wijn ronddelend. Linda zat naast Wim, haar rode haar glanzend in het maanlicht, een glimlach op haar gezicht terwijl ze naar de sterren keek. “Weet je, Wim,” zei ze, haar stem zacht, bijna dromerig, “soms denk ik dat we dit voor altijd kunnen doen. Gewoon… leven, zonder regels, zonder einde.”
Wim lachte, een zeldzaam moment van lichtheid. “Tot we oud en grijs zijn, bedoel je?” zei hij, zijn schouder tegen de hare. “Met hanenkammen en krakkemikkige gitaren?”
Ze grijnsde, haar ogen fonkelden. “Waarom niet? We zijn vrij, toch? Niemand kan ons stoppen.” Ze leunde tegen hem, haar warmte een belofte die hij wilde geloven. Mark zat aan de andere kant van het dak, een joint draaiend, terwijl Lorenzo en Luca een discussie voerden over welke band beter was, The Clash of The Ramones. De nacht voelde onoverwinnelijk, alsof ze echt de wereld konden herschrijven.
Maar zelfs toen waren er al scheuren. Wim had de naaldsporen op Linda’s arm gezien, subtiel maar onmiskenbaar, en hij had gezwegen, zoals altijd. Hij had Mark’s ogen zien vernauwen als hij naar Linda keek, een mix van bezorgdheid en iets wat leek op jaloezie. Hij had Lorenzo’s stiltes opgemerkt, de momenten waarop hij zich terugtrok, zijn anarchistische praatjes holler klinkend dan voorheen. En Luca, altijd de wildste, leek steeds roekelozer, alsof hij iets probeerde te bewijzen. Maar ze hadden gedaan alsof het niets was, alsof de drugs, de ruzies, de chaos allemaal bij hun vrijheid hoorden.
Wim bereikte het UZA, de felle lichten van de ingang sneden door de schemer. Hij bleef staan, zijn maag draaiend bij de gedachte aan wat hij binnen zou vinden. Was Linda echt oke ? Had de agente gelijk gehad, of was het een leugen om hem rustig te houden? Hij zag Mark en Lorenzo in zijn hoofd, hun gezichten vertrokken van angst, en hij voelde een golf van schuld. Waarom had hij haar niet tegengehouden? Waarom had hij niet gezien hoe ver ze was afgedwaald?
Hij dwong zichzelf naar binnen, de automatische deuren sissend terwijl ze opengingen. De receptie was een waas van wit licht en gedempte stemmen. Hij mompelde Linda’s naam, zijn stem schor, en een verpleegster wees hem naar een wachtkamer op de eerste verdieping. “Ze is stabiel,” zei ze, haar toon professioneel maar niet onvriendelijk. “Je vrienden zijn bij haar.”
Wim strompelde de trap op, zijn benen zwaar als lood. In de wachtkamer vond hij Mark en Lorenzo, hun gezichten grauw, hun kleren nog vuil van de nacht. Mark keek op, zijn ogen rood maar opgelucht. “Ze leeft,” zei hij, zijn stem vlak. “Ze hebben haar gestabiliseerd. Maar het was… het was kantje boord, man.”
Lorenzo zat ineengezakt, zijn handen in zijn haar. “Ze moet stoppen,” mompelde hij, meer tegen zichzelf dan tegen Wim. “We moeten allemaal stoppen.”
Wim liet zich op een plastic stoel vallen, zijn hoofd tollend. “Waar is Luca?” vroeg hij, zijn stem amper hoorbaar.
Mark haalde zijn schouders op. “Weg. Hij flipte en is ervandoor gegaan. Ik weet niet waar naartoe.”
Ze zwegen, de stilte zwaar tussen hen. De tl-lichten zoemden boven hun hoofd, een kil contrast met de warme chaos van het kraakpand. Wim voelde de leegte in zijn borst groeien, een gat dat hij niet kon vullen. Hij dacht aan Linda’s glimlach op het dak, aan haar woorden – “we zijn vrij, toch?” – en hij wilde huilen, maar de tranen kwamen niet. In plaats daarvan voelde hij alleen maar woede, op zichzelf, op de drugs, op de stad die hen had opgeslokt.
Een arts kwam binnen, een oudere man met een clipboard. “Jullie zijn vrienden van Linda?” vroeg hij, zijn stem zakelijk. Ze knikten, hun ogen op de grond. “Ze is buiten levensgevaar,” zei hij. “Maar ze heeft een lange weg te gaan. Ze blijft hier voor observatie, en we raden een afkickprogramma aan. Dit was een wake-up call.” Hij zweeg even, zijn blik verzachtend. “Jullie moeten goed voor haar zorgen. En voor jezelf.”
Mark knikte, zijn kaken strak. Lorenzo mompelde iets onverstaanbaars. Wim zei niets, zijn gedachten een chaos van schuld en opluchting. De arts vertrok, en ze bleven achter, drie gebroken jongens in een steriele wachtkamer, hun wereld in scherven.
De uren kropen voorbij. Wim zat daar, zijn ogen starend naar de linoleumvloer, terwijl Mark en Lorenzo af en toe iets mompelden over wat nu te doen. Ze mochten Linda nog niet zien – ze was te zwak, zei een verpleegster – en de onzekerheid vrat aan hen. Wim dacht aan de nachten in de Domino, aan de concerten waar ze schreeuwend vooraan stonden, aan de momenten op het dak waar alles mogelijk leek. Hoe hadden ze het zo ver laten komen?
Een nieuwe herinnering drong zich op, een nacht enkele dagen voor de overdosis, toen Wim en Linda alleen waren in het kraakpand. De anderen waren weg – naar een kroeg, een feest, wie wist het nog – en zij zaten op de versleten bank in de voorkamer, een kaars flakkerend tussen hen. Linda’s ogen waren glazig, haar stem traag. “Weet je, Wim,” zei ze, haar hoofd leunend tegen de rugleuning, “soms denk ik dat we onszelf kapotmaken. Maar het is zo… zo mooi, toch? Deze chaos.”
Wim keek naar haar, zijn hart zwaar. “Het is niet mooi,” zei hij, zijn stem laag. “Het is gevaarlijk, Linda. Je moet stoppen.”
Ze lachte, een hol geluid. “Stoppen? En dan wat? Terug naar een kutbaantje, een kutleven? Dit is alles wat ik heb.” Ze leunde voorover, haar hand op zijn knie, haar ogen zoekend naar iets in de zijne. “Jij voelt het toch ook? Die roes, die vrijheid?”
Hij voelde het, god, hij voelde het, maar hij zag ook de naaldsporen op haar arm, de schaduwen onder haar ogen. “Het is geen vrijheid,” zei hij, zijn stem brekend. “Het is een val.”
Ze trok haar hand terug, haar glimlach vervagend. “Misschien,” zei ze, en ze stond op, wankel, haar silhouet verdwijnend in de gang. Wim bleef zitten, alleen met de kaars, zijn woorden echoënd in de stilte. Hij had haar niet tegengehouden, niet echt, en die nacht had hij zichzelf gehaat.
Maar er was nog een andere nacht, een paar weken eerder, die Wim nu weer voor zich zag, als een mes dat dieper sneed. Het was na een concert in de Seefhoek, een lokale band die The Clash probeerde te imiteren maar vooral herrie maakte. De groep was terug in het kraakpand, beneveld door drank en speed, de lucht zwaar van rook en zweet. Linda zat op de grond, haar rug tegen de muur, een fles Stella in haar hand. Ze lachte, maar haar ogen waren leeg, alsof ze ergens anders was. Wim zat naast haar, zijn eigen hoofd tollend, maar helder genoeg om te zien dat ze niet oké was.
“Wat is er?” vroeg hij, zijn stem zacht, bijna verloren in het geschreeuw van Mark en Luca die een potje armworstelen hielden aan de andere kant van de kamer.
Linda keek naar hem, haar glimlach vervagend. “Niks,” zei ze, maar haar stem trilde. Ze nam een slok, haar hand onvast. “Gewoon… soms voel ik me zo leeg, weet je? Alsof dit allemaal…” Ze gebaarde naar de chaos om hen heen, de flessen, de peuken, de graffiti op de muren. “Alsof het niets betekent.”
Wim voelde een steek in zijn borst. Hij wilde iets zeggen, iets troostends, maar de woorden bleven steken. In plaats daarvan legde hij zijn hand op de hare, een zeldzaam moment van moed. “Het betekent iets,” zei hij, zijn stem laag. “Jij betekent iets.”
Ze keek naar hem, haar ogen glinsterend, en voor een moment dacht hij dat ze zou huilen. Maar toen lachte ze, een bitter geluid, en trok haar hand weg. “Je bent te lief, Wim,” zei ze, haar stem schor. “Dat is je probleem.” Ze stond op, wankel, en verdween naar een andere kamer, een spuit in haar zak die Wim had gezien maar niet durfde te noemen. Hij bleef zitten, zijn hand nog warm van haar aanraking, zijn hart zwaar van een verlies dat hij toen nog niet kon benoemen.
Terug in de wachtkamer van het UZA voelde Wim diezelfde leegte, diezelfde machteloosheid. Hij zat daar, zijn ogen starend naar de linoleumvloer, terwijl Mark en Lorenzo stil waren, elk verloren in hun eigen gedachten. De tl-lichten zoemden, een constant gezoem dat zijn zenuwen op scherp zette. Hij dacht aan die nacht in de Seefhoek, aan Linda’s woorden – “alsof het niets betekent” – en hij voelde een golf van woede. Niet op haar, maar op zichzelf, op de groep, op de stad die hen had laten vallen.
Een verpleegster kwam binnen, een jonge vrouw met een vermoeide glimlach. “Jullie mogen haar nu zien,” zei ze. “Maar kort, ze is zwak.” Mark sprong op, zijn ogen fel, en Lorenzo volgde, zijn stappen traag maar vastberaden. Wim aarzelde, zijn maag draaiend, maar hij stond op, zijn benen zwaar als lood.
Ze liepen door een gang die rook naar ontsmettingsmiddel, de muren wit en steriel, een wereld verwijderd van het kraakpand. Linda lag in een kleine kamer, aangesloten op een infuus, haar gezicht bleek maar levend. Haar ogen waren gesloten, haar ademhaling zwak maar stabiel. Mark ging naast haar zitten, zijn hand op de hare, zijn stem zacht terwijl hij haar naam fluisterde. Lorenzo stond aan het voeteneind, zijn armen over elkaar, zijn ogen op de grond. Wim bleef in de deuropening, niet in staat om dichterbij te komen, zijn hart bonzend in zijn borst.
Ze leefde, maar ze was niet dezelfde Linda die op het dak had gelachen, die in de Domino had gedanst, die zijn hand had vastgehouden in de chaos van een concert. Ze was een schim, een herinnering aan wat ze hadden verloren.
Wim voelde een brok in zijn keel, een mengeling van opluchting en verdriet. Hij wilde iets zeggen, iets doen, maar hij was bevroren, gevangen in zijn eigen schuld.
De verpleegster stuurde hen na een paar minuten weg. “Ze heeft rust nodig,” zei ze, haar stem ferm maar niet onvriendelijk. Mark protesteerde, maar Lorenzo legde een hand op zijn schouder, en ze liepen terug naar de wachtkamer, hun stappen zwaar. Wim volgde, zijn gedachten een chaos van beelden – Linda’s blauwe lippen, Mark’s tranen, de spuit op de vloer.
Buiten het ziekenhuis begon de stad te ontwaken, de eerste zonnestralen doorbrekend door de grijze wolken. Wim stond op de parkeerplaats, zijn handen in zijn zakken, terwijl Mark en Lorenzo overlegden over wat nu te doen. “We moeten haar helpen,” zei Mark, zijn stem vast maar breekbaar. “Geen drugs meer, geen kraakpand. We moeten… iets veranderen.”
Lorenzo knikte, maar zijn ogen waren leeg. “En wij dan?” vroeg hij, zijn stem laag. “Wat doen wij?”
Mark had geen antwoord, en Wim zweeg, zijn gedachten elders. Hij dacht aan een andere nacht, een paar maanden voor de overdosis, toen hij en Linda op een perron in Mechelen zaten, gestrand na een concert in Brussel. De trein was uitgevallen, en ze hadden uren te doden, hun adem wolkjes vormend in de koude nachtlucht. Linda zat op een bankje, haar benen over elkaar, een sigaret tussen haar vingers. “Weet je wat ik soms wil?” zei ze, haar stem zacht. “Gewoon… weglopen. Een trein nemen, ergens naartoe, en nooit meer terugkomen.”
Wim keek naar haar, zijn hart zwaar. “En waar zou je naartoe gaan?” vroeg hij, zijn stem schor.
Ze haalde haar schouders op, haar ogen op de rails gericht. “Maakt niet uit. Zolang het maar niet hier is.” Ze blies rook uit, haar glimlach bitter. “Maar ik doe het niet. Want jullie zijn hier. En dat is ook iets waard, toch?”
Hij knikte, zijn hand dicht bij de hare maar niet durvend haar aan te raken. “Ja,” zei hij, zijn stem amper hoorbaar. “Dat is iets waard.”
Ze zaten daar, zwijgend, terwijl de nacht voortkroop, en Wim voelde een moment van vrede, een zeldzaam gevoel dat alles goed zou komen. Maar nu, in het harde licht van het ziekenhuis, wist hij dat het een leugen was geweest. Niets was goed gekomen.
Terug in de taxi schrok Wim op, zijn handen strak om het stuur. De Meir was nog steeds leeg, de stad een grijze vlek om hem heen. Hij was gestopt, besefte hij, op een willekeurige plek langs de weg, de motor stationair draaiend. De herinnering aan Linda’s woorden – “dat is ook iets waard, toch?” – sneed door hem heen, en hij voelde een brok in zijn keel. Ze had het overleefd, die nacht, maar wat daarna kwam was net zo pijnlijk. Linda was vertrokken, naar een kliniek, naar een leven dat hij niet kende. Mark was ingestort, Lorenzo verdween, en Luca… Luca was nooit meer dezelfde. De groep viel uiteen, en Wim bleef achter, alleen met zijn schuld.
Hij dacht aan de dagen na de overdosis, toen hij terugkeerde naar het kraakpand, alleen, de anderen verspreid of weg. De kamer waar Linda had gelegen was nog steeds een chaos, de spuiten en flessen onaangeroerd, een stille getuige van hun falen. Hij had daar gestaan, zijn handen in zijn zakken, en gevoeld hoe de muren op hem afkwamen. Hij had een oude poster van The Sex Pistols van de muur getrokken, de verbleekte kleuren scheurend onder zijn vingers, en hij had gehuild, voor het eerst in jaren, zijn tranen vermengd met de stank van schimmel en rook. Hij wist toen dat hij weg moest, niet alleen uit het pand, maar uit dat leven. Maar weglopen was niet zo eenvoudig, en de stad hield hem vast, zoals altijd.
Een andere herinnering drong zich op, een nacht enkele weken na de overdosis, toen Wim Mark tegenkwam in een kroeg aan de Brouwersvliet.
Mark zag eruit als een geest, zijn ogen hol, zijn handen trillerig terwijl hij een pint vasthield. “Ze is weg,” zei hij, zijn stem vlak. “Linda. Ze is naar een kliniek in Nederland. Ze wilde niet dat we haar zagen.”
Wim voelde zijn maag draaien. “En jij?” vroeg hij, zijn stem schor. “Hoe gaat het met jou?”
Mark lachte, een bitter geluid. “Hoe denk je? Ik ben klaar, man. Dit…” Hij gebaarde naar de kroeg, de stad, hun leven. “Dit is afgelopen.” Hij nam een slok, zijn ogen op de bar gericht. “En jij? Ga je door?”
Wim schudde zijn hoofd, zijn keel droog. “Ik weet het niet,” zei hij, en het was de waarheid. Hij wist niets meer, behalve dat hij niet meer dezelfde was.
Ze zaten daar, zwijgend, terwijl de kroeg om hen heen bruiste van leven, een wereld die niet meer de hunne was. Mark vertrok die nacht, en Wim zag hem nooit meer. Lorenzo dook een paar keer op, maar hij was veranderd, zijn vuur gedoofd. Luca hoorde hij later in de gevangenis, een vechtpartij die uit de hand liep. En Linda… Linda was een schaduw, een naam die hij soms fluisterde in de eenzaamheid van zijn taxi.
Terug in de taxi voelde Wim de kou van de nacht door de kieren van de auto sijpelen. Hij startte de motor, zijn handen nog steeds trillend, en stuurde de taxi richting de Brouwersvliet, de oproep van de radio nog nagalmend in zijn hoofd. De stad was stil, de regen een zachte sluier over de straten, maar zijn gedachten waren een storm. Hij dacht aan Linda’s glimlach, aan Mark’s tranen, aan de nachten die hen hadden gebroken. Hij dacht aan de vrouw in de steeg, aan de man in de haven, aan de punker die hem had herinnerd aan wie hij ooit was. Was dit zijn straf, om voor altijd achtervolgd te worden door spoken?
De Brouwersvliet kwam in zicht, de kroeg waar hij Mattias had ontmoet, waar het allemaal begon. Hij parkeerde, zijn ogen scannend voor de klant, maar zijn hart bonzend van iets anders. In de verte zag hij een figuur staan, een man, zijn silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Hij droeg een versleten leren jas, de kraag omhoog, een sigaret in zijn hand. Wim voelde zijn adem stokken. Was het Mark? Mattias? Of weer een spook van zijn verleden? De man keek op, zijn ogen vingen de koplampen, en toen sprak hij, zijn stem laag en vertrouwd. “Wim,” zei hij, en hij stapte naar voren, zijn gezicht eindelijk zichtbaar in het licht, een gezicht dat Wim nooit had gedacht opnieuw te zien. Het was Mark, ouder, gebroken, maar onmiskenbaar hij. Wim trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij staarde, zijn wereld kantelend, terwijl de regen viel en de nacht hen opslokte.
Hoofdstuk 4a
Hoofdstuk 5: De Ommekeer
Wim zat als bevroren in de taxi, de regen een zachte sluier over de Brouwersvliet, zijn ogen gefixeerd op de man die uit de schaduw stapte. Mark. Het was Mark, ouder, gebroken, zijn gezicht getekend door jaren van slijtage, maar onmiskenbaar hij. De sigaret in zijn hand gloeide rood in het schemerlicht, zijn leren jas hing als een relikwie om zijn schouders, de kraag omhoog tegen de kou. “Wim,” had hij gezegd, zijn stem laag en schor, en het woord sneed door Wim heen als een mes. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, zijn hart bonzend in zijn keel. Was dit echt? Of speelde de stad weer een wrede truc, zoals met de vrouw in de steeg, de punker, de man in de haven? Mark stapte dichterbij, zijn ogen vangend in de koplampen, en Wim voelde de wereld kantelen, de nacht hen opslokkend.
Hij opende het portier, zijn benen zwaar als lood, en stapte de regen in, de koude druppels prikkend op zijn gezicht. Mark stond stil, een paar meter verder, zijn sigaret bungelend tussen zijn vingers. “Lang niet gezien,” zei hij, zijn stem een mix van bitterheid en iets wat leek op opluchting. Wim wilde iets zeggen, maar zijn keel was droog, zijn gedachten een chaos van herinneringen – Linda’s blauwe lippen, Mark’s tranen, de nachten in het kraakpand die hen hadden gebroken. Hij voelde de schuld, de woede, de leegte van al die jaren, en hij wist niet of hij wilde schreeuwen of wegrennen.
“Wat doe je hier?” bracht Wim uiteindelijk uit, zijn stem schor, amper hoorbaar boven het zachte ruisen van de regen.
Mark haalde zijn schouders op, een lome beweging die Wim zo vertrouwd voorkwam dat het pijn deed. “Zelfde als jij, denk ik,” zei hij, zijn ogen op de grond gericht. “Overleven.” Hij nam een trek van zijn sigaret, de rook kringelend in de nachtlucht. “Ik hoorde dat je nog rijdt. Nachttaxi’s, toch? Nooit gedacht dat jij zo’n type zou worden.”
Wim voelde een steek, maar hij zei niets. Hij keek naar Mark, naar de lijnen in zijn gezicht, de kleurloze huid, de ogen die ooit vuur spuwden maar nu dof waren. “En jij?” vroeg hij, zijn stem harder nu. “Wat is jouw verhaal? Ik dacht dat je weg was. Verdwenen, net als de rest.”
Mark lachte, een kort, bitter geluid. “Weg, ja. Maar niet ver genoeg.” Hij gooide zijn sigaret weg, de gloed sissend in een plas. “Ik ben hier nog, Wim. Altijd geweest. Jij bent degene die zich verstopte.”
De woorden raakten Wim als een vuistslag. Hij wilde protesteren, schreeuwen dat hij niet had gekozen voor deze eenzaamheid, dat de stad hem had opgeslokt, maar hij zweeg. Mark had gelijk, op een zieke manier. Hij had zich verstopt, in de taxi, in de nacht, in de stilte die hij zelf had gebouwd. Hij keek weg, zijn ogen op het natte asfalt, en voelde de herinneringen opwellen, onstuitbaar, als een vloedgolf die hem meezoog naar een tijd die hij dacht achtergelaten te hebben.
Enkele maanden na Linda’s bijna-doodervaring was niets meer hetzelfde. Het kraakpand was kort na die nacht ontruimd; de eigenaar had lucht gekregen van de opschudding en zette de politie erachter. Mark en Lorenzo wisten op tijd hun spullen te pakken en onder te duiken bij kennissen. Luca was spoorloos verdwenen – sommigen zeiden dat hij terug naar Italië was gegaan, anderen fluisterden dat hij in Brussel rondhing. Linda zelf had na haar herstel in het ziekenhuis gekozen voor een ontwenningskliniek ergens ver weg van Antwerpen. Ze had geen afscheid genomen; Wim had enkel via via gehoord dat haar ouders haar hadden opgehaald en dat ze in behandeling ging.
Wim bleef ontredderd achter. Zonder thuis, zonder houvast en met een hoofd vol demonen zwierf hij door de stad. Eerst trok hij een tijdje op met Mark en Lorenzo die een nieuw kraakpand in Borgerhout hadden gevonden, maar de band was niet meer hetzelfde. Mark probeerde minder te gebruiken na Linda’s overdosis, alsof hij een les had geleerd. Hij praatte zelfs over “ermee kappen” en werk zoeken. Lorenzo droomde luidop van “weg van hier, ergens opnieuw beginnen”. Wim hoorde hun woorden wel, maar ze drongen nauwelijks tot hem door. Hij voelde alleen een diepe leegte en schuld. De nachten zonder de vertrouwde roes waren ondraaglijk, dus zocht hij zijn troost opnieuw in de drugs – ironisch genoeg precies datgene wat hen bijna had vernietigd.
Zonder Linda, zonder het oude nest, leek het allemaal geen zin meer te hebben. Wim begon heroïne te gebruiken, aanvankelijk om zichzelf te verdoven en te kunnen slapen zonder nachtmerries. Mark waarschuwde hem nog: “Doe dat niet, man. We hebben gezien hoe dat afloopt.” Maar Wim haalde zijn schouders op en trok zich terug. Zijn oude vriend probeerde hem te bereiken, maar Wim sloot zich af. Op een avond hadden ze ruzie, waarbij Wim schreeuwde dat iedereen hem toch in de steek zou laten, net als Linda. Mark had hem toen met tranen in de ogen achtergelaten in een steeg. Sindsdien had Wim hem niet meer gezien.
Vanaf dat moment ging het snel bergaf. Wim dreef door de dagen als een spook, stal wat hij kon om aan geld te komen – een portemonnee van een dronken café bezoeker hier, een autoradio daar. Soms sliep hij in de open lucht, soms in een kraakpand vol vreemden die even verloren waren als hij. Antwerpen, ooit zijn speelterrein, was verworden tot een grijze doolhof waar hij elke ochtend ongewenst wakker werd als de high was uitgewerkt.
Op een koude, miezerige nacht doolde Wim door de straten rond het Sint-Jansplein. Zijn lichaam schreeuwde om een shot, maar hij had niets meer – geen geld, geen spullen om te verkopen. Alles wat van waarde was, had hij allang verpatst of geruild voor poeder. In een steegje nabij een apotheek bleef hij staan. Zijn ogen staarden naar de metalen rolluiken die voor de apotheekdeur waren neergelaten. Achter dat metaal bevonden zich medicijnen, morfine wellicht – iets om de afkickpijn te stillen. Een waanzinnig plan vormde zich in zijn versufte brein.
Wim speurde de lege straat af. Geen mens te zien op dit uur. De regen viel licht, het glinsterde op het asfalt. Met een woeste vastberadenheid – of was het wanhoop? – pakte hij een losse baksteen uit de naastgelegen bouwstelling. Zonder verder na te denken smeet hij de baksteen met volle kracht tegen het rolluik. Een hels kabaal scheurde door de nacht terwijl de steen ketsend neerviel. Het rolluik deukte in, maar bleef dicht. Wim vloekte. Hij hief de steen opnieuw en beukte als een razende.
Het lawaai weergalmde tussen de huizen. Een alarm ging af – een schel, onverbiddelijk geloei. In zijn roes had Wim niet eens stilgestaan bij het alarm, en nu het zijn oren pinde, besefte hij te laat wat hij had aangericht. Hij liet de baksteen uit zijn hand vallen. Zijn hart bonsde wild, maar niet alleen van adrenaline – ook van de onaangename wetenschap dat hij hier weg moest, nu.
Hij draaide zich om, klaar om weg te rennen de nacht in. Maar twee seconden later zag hij al blauwrode lichten om de hoek van de straat dansen. Buren moesten de herrie gehoord en de politie gebeld hebben, of het alarm was direct doorgelinkt. Hoe dan ook, Wim zat als een rat in de val. Hij kon nog wegspurten, maar zijn lijf was traag, uitgeput en half ziek.
Voordat hij een paar meter had afgelegd, voelde hij een harde duw en tuimelde hij tegen de stenen muur. Twee politieagenten hadden hem klemgezet. “Blijven staan klootzak!” schreeuwde er een, terwijl de ander Wim ruw omdraaide en tegen de muur beukte. Zijn gezicht schuurde langs het natte baksteen. Hij voelde hoe zijn armen achter zijn rug werden gedraaid en koud metaal om zijn polsen klikte.
Wim verzette zich nauwelijks. Een vreemd gevoel van verlichting mengde zich met de paniek. Het was alsof het hem eindelijk allemaal om het even was. Toen de agenten hem wegvoerden naar de combi die met knipperende lichten klaarstond, staarde Wim naar de grond. Regen mengde zich met tranen op zijn gezicht, maar hij wist niet of hij huilde of dat het enkel de regen was.
De rit naar het politiebureau was kort en vernederend stil. Op het bureau werd hij doorweekt en rillerig op een houten bank gezet. Ze doorzochten zijn zakken – vonden een kleine zak met restjes heroïne en een verroeste lepel. “Bezwaarlijk bezit,” bromde een brigadier, “en inbraakpoging.” Wim zei niets. Wat viel er te zeggen? Hij was op heterdaad betrapt.
Die nacht bracht hij door in de cel, koud en alleen. De afkickverschijnselen begonnen al op te spelen: zijn maag krampte, hij trilde en zweet brak hem uit. Geen troost, geen vrienden om hem heen – alleen een stinkende deken en het vooruitzicht van een hele hoop ellende.
In de dagen daarna ging alles in een waas. Verhoren, een rechtszitting die hij half versuft bijwoonde. Omdat het zijn eerste serieuze overtreding was en duidelijk werd dat hij verslaafd was, besloot de rechter hem een kans te geven: een ontwenningsprogramma in een gesloten instelling, in plaats van een celstraf. Wim haalde zijn schouders op bij het vonnis. Wat maakte het uit waar hij zat? Alles was toch al naar de klote.
De ontwenningskliniek was een hel op aarde, maar wellicht ook zijn redding – hoewel hij het toen niet als zodanig zag. Dagenlang lag hij te kermen in een smalle bed, terwijl zijn lichaam vocht als een wild dier om van de gifstoffen af te raken. Hallucinaties plaagden hem: hij zag Linda’s blauwe gezicht voor zich, hoorde Mark roepen in de verte, voelde de bassen van Cinderella dreunen door zijn schedel. Hij schreeuwde, huilde, smeekte om verlossing – of om nog e e n shot. De verplegers hielden stand. Ze hadden het vaker gezien. Ze hielpen hem erdoor, hoe onmenselijk het ook voelde.
Langzaam klaarde zijn geest op, als een meer waarvan de modder naar de bodem zakt. Na een paar weken kon Wim weer eten zonder te kokhalzen, slapen zonder nachtmerries. Fysiek knapte hij op, maar innerlijk bleef hij leeg. Er waren groepsgesprekken, therapiee n over “toekomst” en “structuur” – woorden die hij jarenlang had vermeden. Aanvankelijk weigerde hij te praten. Wat had het voor zin? Alles wat hem ooit iets had kunnen schelen, had hij zelf kapotgemaakt of verloren.
Maar de tijd ging onverbiddelijk door. Maanden verstreken in de inrichting. Wim leerde zijn zinnen weer uit te spreken zonder cynisme, leerde nepglimlachen wanneer therapeuten hem ophemelden om kleine vooruitgangen. Hij dacht vaak aan zijn oude vrienden, maar niemand kwam op bezoek. Misschien wisten ze niet waar hij zat. Misschien konden ze het niks schelen – of misschien durfden ze niet. Het deed er niet toe, hield hij zichzelf voor. Het was beter zo.
Toen hij na bijna een jaar uiteindelijk de kliniek verliet, was Wim clean. Clean, maar niet genezen – tenminste, zo voelde hij het. Hij voelde zich als een uitgeholde boom: rechtopstaand, van buiten nog heel, maar van binnen dood hout. Hij kreeg een foldertje mee over naz zorg, een handdruk van een begeleider, en ineens stond hij weer buiten, in de echte wereld. Een schrale herfstwind blies door zijn inmiddels kortgeknipte haar, en hij wist even niet waarheen te gaan. De stad voelde vreemd, alsof hij een vreemdeling was in zijn eigen leven. De geur van nat asfalt, de ruis van verkeer in de verte – het was allemaal hetzelfde, maar toch anders, alsof Antwerpen hem had uitgespuugd en nu met tegenzin weer toeliet.
Sociaal werk regelde een opvang en later een kleine studio waar hij terechtkon. Ook hielpen ze hem aan een opleiding tot taxichauffeur – iets dat hij uiteindelijk maar aannam, bij gebrek aan beter. Wim onderging het allemaal gelaten. Hij sprak nauwelijks met mede-cursisten, hield zich op de vlakte. Hij had geleerd hoe hij onzichtbaar kon blijven, hoe hij zijn gedachten voor zichzelf kon houden. Vertrouwen in anderen had hij helemaal niet meer. Iedereen liet je toch vallen, of ging dood, of verdween.
In de eerste maanden dat hij weer vrij man was, liep hij soms langs de Stadswaag. Overdag, wanneer het rustig was. Hij staarde naar de gevel waar vroeger Cinderella had gezeten. Een doodse stilte hing er; de club was inmiddels een opslagplaats geworden, of een kantoor – het interesseerde niemand meer. Het voelde als een andere eeuw. Hij probeerde te voelen wat hij toen voelde – jeugdigheid, opwinding, zelfs verdriet – maar er kwam niets. Alleen een moeheid, een berusting. Wim keerde de plek uiteindelijk de rug toe en vermeed sindsdien het verleden, zowel in gedachten als in straten.
Na enkele maanden was het hek weer van de dam. Op een nacht zette hij een onomkeerbare stap over de drempel van Cinderella’s Ballroom recht terug de diepte in. Hij kwam wat oude vrienden tegen verviel onherroepelijk in zijn oude patroon. Het was niet te stoppen, alsof het lot hem de strot insloeg.
Zo reden de nachten zich aaneen, donker op donker, zonder dat iemand de man achter het stuur echt zag staan. Wim De Gier was een schim geworden, een voorbijganger in zijn eigen leven. En tot vanavond had hij daar vrede mee – al was vrede misschien niet het juiste woord. Eerder acceptatie van een straf die hij zichzelf had opgelegd.
Het einde van een tijdperk
De zomernacht van 1979 was nog warm in Wims geheugen, de nachten op het Conscienceplein en in De Skipper een droom van chaos en kameraadschap, maar de herfst bracht een koude wind die alles veranderde. Luca en Lorenzo waren weg, hun bravoure gebroken door handboeien en celdeuren. De politie had hen opgepakt na een reeks diefstallen – inbraken in winkels, gestolen brommers, een mislukte overval op een nachtwinkel – en nu zaten ze voor onbepaalde tijd in de gevangenis, hun hanenkammen geschoren, hun stemmen stil. Het kraakpand waar ze ooit samen lachten, joints deelden, en plannen smeedden, voelde leeg zonder hun geschreeuw, hun wilde ideeën. Linda was ook verdwenen, niet achter tralies, maar achter een andere muur, een die Wim niet kon doorbreken.
Ze woonde nu met Gert, een serieuze sociologiestudent met een bril en een baard, in een miezerig appartement boven een groentewinkel, vlak bij de Grote Markt. Het was een studentenhol, met scheve vloeren, een lekkende kraan, en muren die naar oude tabak stonken, maar voor Linda was het een nieuw begin. Ze probeerde nuchter te blijven, haar heroïnespuiten verruild voor thee en zelfhulpboeken, haar wilde lach getemd door Gerts rustige stem. Gert was bezig met zijn doctoraat, een thesis over fictieve samenlevingsvormen – gemeenschappen zonder hiërarchie, zonder bezit, zonder pijn – en Linda hing aan zijn lippen, haar ogen glanzend van een hoop die Wim niet meer herkende. Ze kwam nog geregeld in de cafés rond de Grote Markt, haar rode haar een baken in de rokerige duisternis, maar ze meed Wim als de pest, zijn aanwezigheid een herinnering aan de naalden, de chaos, de nachten die ze probeerde te vergeten.
Wim had het geprobeerd, echt geprobeerd. Hij stond onder haar raam, zijn handen in de zakken van zijn versleten leren jack, zijn ogen op de tweede verdieping gericht, hopend op een glimp van haar. “Linda!” riep hij, zijn stem hees, zijn adem wolkjes vormend in de koude lucht. “Kom eens praten, verdomme!” Maar elke keer was het hetzelfde: haar hoofd verscheen achter het gordijn, haar ogen moe, haar stem vlak. “Wim, stop,” zei ze, haar woorden sneden door de stilte. “Niet meer aanbellen. Je mag niet binnenkomen. Laat me met rust.” De deur bleef dicht, de bel onbeantwoord, en Wim voelde een pijn die hij niet kon benoemen, een mengeling van woede, schaamte, en een verlies dat hij niet durfde te erkennen.
“Waarom, Linda?” mompelde hij op een nacht, zijn vuist tegen de muur, brekend. “Wat heb ik je misdaan?” Maar het raam bleef donker, en hij draaide zich om, zijn stappen zwaar op de kasseien, zijn hart een steen in zijn borst. Hij had het opgegeven, niet omdat hij wilde, maar omdat hij moest. Linda was weg, niet alleen uit zijn leven, maar uit de wereld die ze ooit deelden, de wereld van joints en jenever, van anarchie en chaos, van nachten die nooit eindigden.
Wim vond een nieuw thuis, of wat ervoor doorging, in een kraakpand op Antwerpen-Zuid, een vervallen herenhuis met kapotte ramen en een deur die nooit op slot ging. Mark was daar, zijn ogen harder dan vroeger, zijn lach scherper, maar nog steeds zijn broer, zijn anker. Ze werden broeders in misdaad, hun dagen gevuld met inbraken, hun nachten met drugs. Ze stalen alles wat los zat – fietsen, autoradio’s, portefeuilles uit achterzakken – en braken in waar ze geld of drugs roken. Een nachtwinkel in Borgerhout leverde vijfhonderd frank en een krat bier op, een garage in Berchem een motor die ze voor tweeduizend frank verkochten. “Dit is het leven, Wim,” zei Mark, zijn ogen glinsterend terwijl hij een lijntje speed snoof van een kapotte spiegel. “Geen regels, geen bazen, alleen wij.”
“Tot de flikken komen,” mompelde Wim, zijn stem droog, zijn handen trillerig terwijl hij een joint rolde. Maar Mark lachte, zijn hand op Wims schouder. “Dan rennen we, broeder. Sneller dan zij.” Ze lachten, hun stemmen echoënd in het lege pand, maar Wim voelde een knoop in zijn maag, een voorgevoel dat hij negeerde, een schaduw die groeide met elke nacht.
Af en toe trokken ze naar Rotterdam, een stad die rauwer leek, wilder, een plek waar de punkscene nog leefde, niet versmacht door de politie of de stad. Ze namen de trein, hun zakken gevuld met gestolen geld, hun hoofden licht van hasj en speed, en belandden in de Witte de Withstraat, het kloppende hart van Rotterdam’s underground. De straat was een chaos van neonlichten, graffiti, en muziek die uit open ramen dreunde, een plek waar punkers, kunstenaars, en zwervers elkaar vonden in een eindeloze nacht. Kaasee, een legendarische punkclub, was hun eerste stop, een groezige kelder waar de muren zweetten en de vloer plakte van gemorst bier. De concerten waren kort, nummers van 45 seconden, een explosie van rauwe energie, en het publiek doopte de bands in een ritueel van bier, eieren, en rotte tomaten, hun geschreeuw luider dan de versterkers.
“Dit is het, Wim!” brulde Mark, een ei in zijn hand, zijn ogen wild terwijl hij het naar de zanger van een band gooide, een magere kerel met een gescheurde broek. De zanger lachte, zijn gezicht druipend van dooier, en brulde een nieuwe song, ongepolijst. Wim lachte mee, zijn hoofd licht, zijn lichaam los, maar zijn ogen dwaalden naar de rand van de zaal, waar een groepje punkers nerveus keek naar de deur, bang voor een politie-inval. “Ze komen hier ook,” mompelde een punker naast hem, een meisje met groen haar en een veiligheidsspeld in haar lip. “Altijd op zoek naar drugs of problemen.”
Wim knikte, zijn maag draaiend, maar hij duwde de angst weg, zijn hand sluitend rond een flesje Stella. “Laat ze maar komen,” zei hij, zijn stem bruisend, maar zijn ogen verraadden een groeiende paranoia, een schaduw die hem volgde, zelfs hier.
Na Kaasee trokken ze naar Exit, een punk café verderop in de Witte de Withstraat, een smoezelige plek met een jukebox vol Sex Pistols en The Clash, en tafels bekrast met initialen en anarchietekens. Bots was de gastheer, een reus van een kerel met een kaal hoofd en een litteken over zijn wenkbrauw, zijn bijnaam een waarschuwing en een belofte. “Jij bent vriend of vijand,” zei hij tegen Wim, zijn stem laag, zijn ogen vernauwend terwijl hij een pint voor hem neerzette. “Kies maar.”
“Vriend,” zei Wim, zijn grijns breed, zijn hand uitgestrekt. Bots lachte, zijn hand als een bankschroef, en sloeg Wim op de schouder. “Goed zo, jongen. Drink!” De nacht werd een waas van bier, hasj, en speed, de jukebox dreunend, de punkers dansend, hun stemmen een koor van rebellie. Maar zelfs in Exit voelde Wim de schaduw, de angst voor de politie, de paranoia die groeide met elke snuif, elke nacht, elke inbraak.
“Ze kijken altijd,” mompelde hij tegen Mark, zijn ogen op de deur gericht, zijn handen trillerig. Mark lachte, zijn arm om Wim heen. “Laat ze kijken, broeder. Wij zijn sneller.” Maar Wim voelde het, een koude rilling, een voorgevoel dat hij niet kon negeren, een schaduw die hem volgde, zelfs in de chaos van Rotterdam.
Deel 2: De afgrond (1980-1981, ~8.500 woorden)
De winter van 1980 was koud, de straten van Antwerpen bedekt met een dunne laag ijs, de nachten langer en zwaarder. Wim voelde zich steeds meer afglijden, zijn hoofd een chaos van drugs en paranoia, zijn lichaam een wrak van speed en heroïne. De nachten in het kraakpand waren een roes van naalden en gelach, maar de dagen waren een hel, zijn ogen rood, zijn handen trillerig, zijn gedachten een wirwar van schaduwen en schimmen. Hij zag politie overal, zelfs waar ze niet waren – een man in een donkere jas, een schaduw in een steeg, een stem achter een muur. “Ze komen voor ons,” mompelde hij tegen Mark, zijn stem schor, zijn ogen wild. Mark lachte, zijn hand op Wims schouder. “Rustig, Wim. Het is de speed. Niemand komt.”
Maar Wim wist beter, of dacht dat hij het wist. De politie was een constante dreiging, hun ogen altijd op de punkers gericht, hun handen altijd klaar om te fouilleren, te arresteren, te breken. Hij herinnerde zich de invallen in De Skipper, de paspoortcontroles op het Conscienceplein, Lorenzo’s arrestatie, en voelde een paranoia die zijn gedachten vulde, een angst die hem opslokte. “Ze weten het,” zei hij, zijn stem brekend, zijn ogen op de muur gericht, waar hij dacht een schaduw te zien bewegen. “Ze weten van de inbraken, van de drugs. Ze komen.”
Mark zuchtte, zijn ogen moe, maar zijn stem vast. “Wim, je moet kalmeren. Neem een biertje, ga slapen.” Maar Wim kon niet slapen, niet kalmeren, niet ontsnappen. De drugs waren zijn vriend en zijn vijand, een ritueel dat hem levend hield en hem tegelijk vernietigde. Hij zag schaduwen op de muren, hoorde stemmen in de wind, voelde ogen in zijn rug, en wist dat het niet goed was, dat hij niet goed was, maar hij kon er niets aan doen.
Op een ochtend, zijn hoofd bonzend, zijn ogen brandend, besloot Wim dat hij weg moest, weg uit Antwerpen, weg uit de stad die hem opslokte. Hij pakte een rugzak, propte er een paar kleren in, een pakje sigaretten, een flesje jenever, en liep naar het treinstation, zijn stappen wankel, zijn gedachten een chaos.
Onderweg botste hij tegen Gerard, een jonge landloper uit Lyon, zijn haar vuil, zijn ogen helder maar hongerig. “Waar ga je naartoe, vriend?” vroeg Gerard, zijn Franse accent zwaar, zijn glimlach scheef.
“Weg,” zei Wim, zijn stem rauw, zijn ogen op de horizon gericht. “Parijs, misschien. Waar het warm is, waar niemand me kent.” Gerard lachte, zijn hand op Wims schouder. “Parijs klinkt goed. Ik ga mee.” Ze hadden geen geld, geen plan, alleen een gedeelde wanhoop, een behoefte om te vluchten, en dat was genoeg. Ze stapten op de trein naar Parijs, zonder kaartje, hun harten bonzend, hun ogen op de deuren gericht, bang voor de conducteur.
Het was putje winter, januari 1981, en de trein was koud, de ramen beslagen, de stoelen hard. Wim en Gerard zaten in een hoekje, hun rugzakken op de grond, hun stemmen zacht. “Waarom Parijs?” vroeg Gerard, zijn ogen op Wim gericht, zijn handen trillerig van de kou. Wim haalde zijn schouders op, zijn stem laag. “Geen idee. Het is ver. Het is anders. Misschien is het beter.” Gerard lachte, zijn adem wolkjes vormend. “Beter? Man, het is overal hetzelfde. Maar samen is het draaglijk.”
Ze praatten, hun stemmen een zachte melodie in de koude wagon, over dromen die ze niet meer geloofden, over steden die ze nooit zouden zien, over een leven dat ze ooit wilden. “Ik wilde kunstenaar zijn,” zei Gerard, zijn ogen glazig. “Schilderen, zoals Picasso. Maar de straat eet je op, weet je?” Wim knikte, zijn ogen op de voorbijflitsende velden gericht. “Ik wilde vrij zijn,” zei hij, zijn stem brekend. “Maar vrijheid kost te veel.”
De conducteur betrapte hen in het midden van de nacht, zijn zaklamp flitsend, zijn stem scherp. “Kaartjes!” Wim en Gerard keken elkaar aan, hun harten bonzend, en probeerden te bluffen, maar de conducteur was niet te vermurwen. “Eruit!” brulde hij, en ze werden uit de trein geschopt in een onooglijk Waals dorp, de naam van het station onleesbaar in de sneeuw. Ze stonden op het perron, de vrieskou bijtend in hun botten, hun adem wolkjes vormend in de duisternis.
“Wat nu?” vroeg Gerard, zijn stem trillerig, zijn ogen op Wim gericht. Wim zuchtte, zijn handen in zijn zakken, zijn gedachten een chaos. “Terug is geen optie,” zei hij, zijn stem vast. “We lopen.” Ze trokken te voet verder, de sneeuw krakend onder hun schoenen, de nacht een eindeloze tunnel. Niet veel verder zagen ze een Citroen DS Super de Luxe voor een garage, de autosleutel in het slot, een geschenk van het lot.
“We nemen hem,” zei Wim, zijn stem laag, zijn ogen op de wagen gericht. Gerard aarzelde, zijn handen beefden. “Dat is diefstal, man,” zei hij, gespannen. “We worden gepakt.” Wim lachte, een bitter geluid. “We worden toch gepakt, Gerard. Dit is onze kans.” Hij stapte in, zijn handen op het stuur, en na een moment van twijfel volgde Gerard, zijn ogen groot van angst en opwinding.
Ze reden uren, de wegen waren glad van sneeuw en ijs, hun ogen op de horizon gericht, hun harten bonzend. “Zijn we dicht bij Frankrijk?” vroeg Gerard, zijn ogen keken alle kanten op. Wim haalde zijn schouders op. “Geen idee. Maar we gaan vooruit.” Ze lachten, onzeker en die onzekerheid nam alleen maar toe terwijl de benzinetank leeg liep, en net voor de grens sputterde de motor, de wagen viel stil op de pechstrook van de snelweg.
“Shit,” mompelde Wim, zijn handen op het stuur, zijn ogen waren gericht op het naaldje dat impotent en levenloos de lege tank personaliseerde. Gerard zuchtte, zijn adem wolkjes vormend. “We slapen hier,” zei hij, zijn stem vast. “Het is te koud om te lopen.” De kou bijtend en sneed in hun botten. Ze sloten hun ogen in een wanhopige poging zo te ontsnappen aan deze nachtmerrie.
Het was een slechte gok. Bij het ochtendgloren bonkte een politieagent op het raam, zijn stem scherp, zijn blik was niet mis te verstaan. Het wapen dat hij vasthield ook niet “Uitstappen!” Wim en Gerard werden uit de wagen gesleurd, hun handen werden geboeid achter hun rug. De wilde rit was voorbij dat was zeker.
“Joyriding?” vroeg de agent, zijn stem vlak, terwijl hij hun paspoorten controleerde.
Toen hij Wims naam intikte, gingen alle alarmbellen af. Mark was opgepakt in Antwerpen, hij had zijn mond voorbij gepraat, zijn vinger wees naar Wim, en de inbraken, de drugs, de chaos, het was allemaal de schuld van Wim.
Ze werden naar een kazerne gebracht en na verhoor gingen ze als echte boeven richting de gevangenis van Mons. Het was een hopeloos harde ontnuchtering en de andere gevangenen hadden totaal geen sympathie voor de twee jonge slungels in punk kledij. Gerard werd wegens zijn beperkte aandeel na enkele dagen vrijgelaten, zijn ogen vol spijt. “Sterkte, vriend,” mompelde hij, vriendelijk en warm, en Wim knikte, zijn keel droog, zijn hart zwaar. Wim voelde zich verraden en eenzaam. De duistere realiteit drong nu echt tot hem door. Gelukkig kwam er snel een sprankje hoop. Omdat Wim geen Frans sprak werd hij in een combi gedumpt, zijn handen in de boeien, en terug naar Antwerpen gevoerd. De twee rijkswachters die hem vervoerde grapten wat over en weer en gaven Wim weer wat moed . Je taxi naar huis grapte er een al was dat sarcastisch bedoeld, maar het was toch ook een menselijk gebaar.
Deel 3: De wederopbouw (1980)
De Begijnenstraat-gevangenis was een hel van beton en staal, de lucht zwaar van zweet en wanhoop, de geluiden een koor van geschreeuw en gekletter. Wim zat elf maanden, zijn hoofd een chaos van ontwenning, zijn lichaam trillerig van de afkick. De eerste weken waren een nachtmerrie, zijn nachten gevuld met koorts en schaduwen, zijn dagen met stilte en schuld. Maar in die stilte vond hij iets, een sprankje dat hij niet verwachtte: een dominee van de Antwerpse
Pinkstergemeente, een man met een zachte stem en ogen die niet oordeelden.
“Je bent niet verloren, Wim,” zei de dominee, zijn handen gevouwen, zijn stem vast. “God vergeeft, als jij wilt veranderen.” Wim lachte schamper, bitter, maar de woorden bleven hangen, een anker in de storm. Hij begon te lezen, de Bijbel een vreemd sprookje dat hem toch troostte, en met de belofte van de dominee dat hij snel zou vrijkomen, bekeerde hij zich, misschien opportunistisch, misschien echt, het hielp om te overleven. “Ik wil schoon zijn,” mompelde hij, zijn ogen op het plafond gericht, terwijl hij ‘s nachts op zijn brits lag. “Geen drugs meer, geen chaos.”
Na elf maanden stapte hij de gevangenis uit, nuchter, zijn ogen helder, zijn hart nog zwaar maar vastberaden. Hij vond een gemeubelde kamer onder een aflopend dak, een zolder waar de hitte in de zomer hem verstikte, de muren geel van nicotine, de vloer krakend onder zijn stappen. Hij kocht een kat, een magere grijze die hij Punk noemde, en vond werk als interim-arbeider bij Atlas- Copco, een Zweedse fabrikant van pneumatisch gereedschap. De dagen waren lang, het werk zwaar, maar het gaf hem iets – een ritme, een reden om op te staan, een kans om te bewijzen dat hij meer was dan een punker, een dief, een schim.
“Je doet het goed, Wim,” zei zijn voorman, een man met eeltige handen en een zachte stem, terwijl hij Wim een schouderklop gaf. “Blijf zo doorgaan.” Wim knikte, zijn ogen op de grond, zijn hart licht van een trots die hij lang niet had gevoeld. Hij verbrak alle contact met zijn oude vrienden, hun namen een pijnlijke echo – Mark in de gevangenis, Linda met Gert, Lorenzo en Luca verdwenen. Een paar jeugdvrienden, jongens van de buurt die nooit in de punkscene zaten, hielpen hem op het rechte pad, hun stemmen een baken in de duisternis. “Je bent sterker dan je denkt,” zei Koen, een oude schoolvriend, zijn ogen zacht terwijl hij Wim een pint toeschoof. “Je bent eruit, Wim. Blijf eruit.”
Na een jaar stond hij op zijn beide voeten, zijn leven een fragiele maar stabiele constructie. Hij vond een bediendecontract als werkvoorbereider bij een studiebureau in de petrochemie, een bestbetaalde job die hem een kantoor, een pak, en een toekomst gaf. “Dit is het,” mompelde hij, zijn ogen op zijn bureau gericht, zijn handen op een stapel tekeningen. “Dit is wie ik ben.” Maar de wereld had andere plannen. In 1998 brak de eerste Irakoorlog uit, en alle projecten werden stilgelegd, de petrochemie een slagveld van onzekerheid. Wim werd ontslagen, zijn contract verscheurd, zijn toekomst een vraagteken.
Hij besloot als taxichauffeur te werken, een tijdelijke oplossing, een manier om de rekeningen te betalen. “Het is maar voor even,” zei hij tegen zichzelf, zijn handen op het stuur, zijn ogen op de natte straten van Antwerpen. Maar de taxi werd zijn leven, de nacht zijn thuis, de stad zijn spiegel. Hij zag de wereld veranderen – de punkscene stierf, de rauwe energie van de jaren ’70 vervaagd in de gruwelijke jaren ’80 en ’90, waar synthipop en new wave de jukeboxen vulden, waar postpunkbands zoals Minny Pops en Mekanik Kommando een nieuwe, koude sound brachten, en waar de Electro scene, gevoed door Rotterdamse labels zoals Clone, een digitale revolutie ontketende. De pc’s verschenen, floppydisks en modems een nieuwe magie, en Wim keek ernaar, zijn ogen moe, zijn hart zwaar van een tijd die hij niet meer begreep.
“De wereld draait door,” mompelde hij, zijn stem rauw, zijn ogen op de stad gericht. Hij was nuchter, hij was stabiel, maar hij was alleen, zijn kat Punk zijn enige metgezel, zijn taxi zijn enige anker. De nachten waren lang, de klanten een parade van vreemden, maar in de stilte van zijn wagen vond hij iets, een rust die hij nooit had verwacht, een hoop die hij niet durfde te benoemen. Hij dacht aan Mark, aan Linda, aan de nachten in De Skipper, aan Bots in Exit, aan de Witte de Withstraat, en voelde een pijn die nooit helemaal wegging, maar ook een kracht die hem droeg, een vastberadenheid die hem levend hield.
Maar toen, op een grauwe ochtend, terwijl hij de Steenborgerweert naderde, hoorde hij een stem, rauw en vertrouwd, vanuit de schaduw van de centrale. “Wim De Gier, verdomme, ben jij het?” Wim voelde zijn adem stokken. Hij draaide zich om en zag een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten regenjas, haar haar lang en nat, een sigaret in haar hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Linda? Sara? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? Ze stapte dichterbij, haar ogen vangend in het ochtendlicht, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als uitdagend was, stak ze haar sigaret in de lucht, een gebaar dat Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Wim voelde een rauwe lach opborrelen, zijn vermoeidheid vervagend, terwijl de vrouw naar hem toe liep, haar glimlach een belofte van een ochtend die alles kon veranderen.
Maar nu, hier in de Brouwersvliet, stond Mark voor hem, een levende herinnering aan alles wat hij had verloren. Wim voelde zijn keel dichtknijpen, zijn handen balden zich tot vuisten in zijn zakken. De regen viel nog steeds, een zachte, onverbiddelijke sluier die de wereld wazig maakte. Mark keek hem aan, zijn ogen zoekend, alsof hij wachtte op een teken, een woord, iets dat hen terug kon brengen naar wie ze ooit waren.
“Waarom nu?” vroeg Wim, zijn stem schor, bijna boos. “Waarom kom je nu terug? Na al die jaren?”
Mark zuchtte, zijn schouders zakten. “Ik wist niet waar je was,” zei hij, zijn stem laag. “Ik dacht… ik dacht dat je ook weg was. Dood, misschien.” Hij lachte, een hol geluid. “Maar toen hoorde ik van iemand, een oude kennis, dat je nog rijdt. Nacht na nacht, in die verdomde taxi. En ik dacht… misschien is het tijd.”
“Tijd voor wat?” snauwde Wim, zijn woede opflakkerend. “Om te doen alsof het allemaal niet gebeurd is? Linda, het kraakpand, alles? Jij liep weg, Mark. Jij liet me achter.”
Mark’s ogen vernauwden, maar hij sloeg ze neer, zijn kaak strak. “Ik liet je niet achter,” zei hij, zijn stem zacht maar vast. “Jij sloot jezelf af, Wim. Na Linda… je was weg, man. Niet fysiek, maar hier.” Hij tikte tegen zijn hoofd, zijn ogen nu weer op Wim gericht. “Ik probeerde je te bereiken, maar je wilde niet. En toen… toen kon ik het niet meer aan.”
Wim voelde een steek, een mix van schuld en woede. Hij wilde schreeuwen, Mark de schuld geven, maar diep vanbinnen wist hij dat het waar was. Hij had zichzelf afgesloten, had de drugs laten winnen, had iedereen weggeduwd. Hij keek weg, zijn ogen op het natte asfalt, en voelde een oude herinnering opwellen, een nacht die hem nog steeds achtervolgde, een nacht die alles had veranderd.
Het was een paar weken na Linda’s overdosis, een klamme nacht in Borgerhout, in het nieuwe kraakpand waar Mark en Lorenzo naartoe waren getrokken. Wim zat op een versleten matras, zijn handen trillerig, een spuit in zijn zak die hij probeerde te negeren. Mark zat tegenover hem, zijn ogen rood van vermoeidheid, een flesje Stella in zijn hand. “Je moet stoppen, Wim,” zei hij, zijn stem laag maar dringend. “Dit is niet wie je bent. Je bent sterker dan dit.”
Wim lachte, een bitter geluid. “Sterker? Kijk naar ons, Mark. We zijn kapot. Linda is weg, het pand is weg, alles is weg. Wat maakt het nog uit?” Hij voelde de woede opborrelen, een woede die niet alleen voor Mark was, maar voor zichzelf, voor de wereld. “Jij hebt makkelijk praten. Jij hebt altijd een plan, toch? Maar ik… ik heb niets.”
Mark keek hem aan, zijn ogen glinsterend. “Je hebt ons,” zei hij, zijn stem brekend. “Je hebt mij, Lorenzo, de anderen. We zijn nog hier, man. Maar als je zo doorgaat…” Hij zweeg, zijn handen balden zich tot vuisten. “Ik kan je niet verliezen, Wim. Niet na alles.”
Wim voelde een brok in zijn keel, maar hij duwde het weg. “Je verliest me niet,” zei hij, zijn stem vlak. “Maar laat me met rust.” Hij stond op, wankel, en liep naar de deur, de spuit brandend in zijn zak. Mark riep hem na, maar Wim keek niet om. Die nacht had hij zichzelf voor het eerst geïnjecteerd, de roes een tijdelijke verlossing van de pijn, en hij had geweten dat hij een grens over was gegaan.
Terug in de Brouwersvliet voelde Wim diezelfde pijn, diezelfde schaamte. Hij keek naar Mark, zijn oude vriend, en voelde een golf van spijt. “Ik heb het verkloot,” zei hij, zijn stem amper hoorbaar. “Alles. Linda, jij, iedereen. Ik…” Hij zweeg, zijn keel dichtgeknepen, en keek weg, de regen vermengend met de tranen die hij niet kon tegenhouden.
Mark stapte dichterbij, zijn hand aarzelend op Wim’s schouder. “We hebben het allemaal verkloot,” zei hij, zijn stem zacht. “Maar we zijn er nog, Wim.
Dat is iets, toch?” Hij glimlachte, een kleine, breekbare glimlach, en Wim voelde iets in hem breken, een muur die jarenlang had gestaan.
Ze stonden daar, zwijgend, terwijl de regen viel, twee gebroken mannen in een stad die hen nooit had losgelaten. Wim wilde iets zeggen, iets om de kloof te overbruggen, maar de woorden bleven steken. In plaats daarvan gebaarde hij naar de taxi. “Stap in,” zei hij, zijn stem schor. “Ik breng je ergens naartoe.”
Mark keek hem aan, verrast, maar knikte. “Oké ,” zei hij, en hij opende het portier, zijn bewegingen traag, alsof hij bang was dat dit moment zou verdwijnen. Wim stapte ook in, de motor snorrend tot leven, en ze reden de nacht in, de Brouwersvliet achterlatend, maar het verleden nog steeds zwaar tussen hen.
De rit was stil, op het zachte tikken van de regen en het geronk van de motor na. Mark zat op de passagiersstoel, zijn ogen op de stad gericht, zijn handen rusteloos in zijn schoot. Wim wierp af en toe een blik opzij, zoekend naar iets om te zeggen, maar de woorden bleven uit. Hij dacht aan de nachten in het kraakpand, aan de concerten waar ze schreeuwend vooraan stonden, aan de momenten van kameraadschap die hij dacht verloren te hebben. En nu zat Mark hier, naast hem, een spook dat terug was gekomen, en Wim wist niet of hij daar blij om was of bang.
“Waar naartoe?” vroeg Wim uiteindelijk, zijn stem laag, terwijl ze door de lege straten van de binnenstad reden.
Mark haalde zijn schouders op. “Maakt niet uit,” zei hij. “Zolang het maar niet terug is.” Hij lachte, een kort, bitter geluid, en Wim voelde een steek. Hij wist wat Mark bedoelde – terug naar het verleden, naar de pijn, naar de chaos die hen had gevormd en gebroken.
Ze reden verder, de stad een waas van licht en schaduw, en Wim voelde een oude herinnering opwellen, een nacht die hij bijna was vergeten, een nacht die alles had kunnen veranderen. Het was een paar dagen voor Linda’s overdosis, een zwoele nacht in de Domino, waar de groep zich had verzameld na een concert in de Seefhoek. De kroeg was bruisend, de lucht zwaar van rook en zweet, de muziek dreunend uit een oude jukebox. Linda zat aan de bar, haar rode haar in een slordige knot, een pint in haar hand. Ze lachte, maar haar ogen waren glazig, haar bewegingen traag. Wim zat naast haar, zijn eigen hoofd tollend van drank en speed, maar helder genoeg om te zien dat ze niet oké was.
“Je moet stoppen, Linda,” zei hij, zijn stem zacht, bijna verloren in het lawaai van de kroeg. “Dit… dit gaat niet goed.”
Ze keek naar hem, haar glimlach vervagend. “En jij dan?” zei ze, haar stem schor. “Jij bent ook niet bepaald heilig, Wim.” Ze leunde dichterbij, haar hand op zijn arm, haar ogen zoekend naar iets in de zijne. “Waarom maak je je zo druk om mij? Waarom niet om jezelf?”
Wim voelde zijn hart bonzen, een mix van angst en iets wat hij niet durfde te benoemen. “Omdat jij het waard bent,” zei hij, zijn stem brekend. “Omdat ik…” Hij zweeg, de woorden te groot, te zwaar. Hij wilde zeggen dat hij van haar hield, op zijn eigen gebroken manier, maar hij kon het niet.
Linda keek hem aan, haar ogen glinsterend, en voor een moment dacht hij dat ze zou huilen. Maar toen lachte ze, een bitter geluid, en trok haar hand weg. “Je bent te goed voor deze shit, Wim,” zei ze, haar stem zacht. “Maar ik niet.” Ze stond op, wankel, en verdween in de menigte, een spuit in haar zak die Wim had gezien maar niet durfde te noemen. Hij bleef zitten, zijn pint koud in zijn hand, zijn hart zwaar van een verlies dat hij toen nog niet kon benoemen.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde pijn, diezelfde machteloosheid. Hij keek naar Mark, die zwijgend naast hem zat, en voelde een golf van spijt. “Ik had het anders moeten doen,” zei hij, zijn stem amper hoorbaar. “Met Linda, met jou, met alles.”
Mark keek naar hem, zijn ogen zacht maar vermoeid. “We hadden het allemaal anders moeten doen,” zei hij. “Maar we waren jong, Wim. We wisten niet beter.” Hij zweeg even, zijn handen rusteloos. “Weet je wat ik het meest mis? Niet de drugs, niet de concerten. De momenten dat we samen waren, dat we voelden dat we leefden. Dat mis ik.”
Wim voelde een brok in zijn keel, zijn ogen brandend. Hij dacht aan een andere nacht, een paar maanden na zijn ontslag uit de kliniek, toen hij voor het eerst als taxichauffeur de nacht in ging. De stad was stil, de straten leeg, en hij had gevoeld hoe de eenzaamheid hem opslokte, maar ook hoe de stilte hem houvast gaf. Hij had aan Mark gedacht, aan Linda, aan de groep, en hij had zichzelf beloofd dat hij nooit meer iemand dichtbij zou laten komen. Maar nu, met Mark naast hem, voelde die belofte als een leugen.
Ze stopten bij een kruispunt, het verkeerslicht rood, de regen glinsterend op de voorruit. Mark leunde achterover, zijn ogen op de stad gericht. “Ik ben clean,” zei hij plots, zijn stem vlak. “Al een paar jaar. Het was… het was zwaar, maar ik ben eruit gekomen. En jij?”
Wim knikte, zijn keel droog. “Clean,” zei hij. “Maar niet… niet echt vrij, snap je?” Hij keek naar Mark, zoekend naar begrip, en Mark knikte, een kleine glimlach op zijn gezicht.
“Vrijheid is overschat,” zei Mark. “Maar dit…” Hij gebaarde naar de taxi, naar hen samen. “Dit is iets, toch?”
Wim voelde een kleine warmte in zijn borst, een gevoel dat hij bijna was vergeten. “Ja,” zei hij, zijn stem zacht. “Dit is iets.”
Het licht sprong op groen, en Wim stuurde de taxi verder, de stad een waas van licht en schaduw. Ze reden zwijgend, maar de stilte was anders nu, minder zwaar, minder eenzaam. Wim dacht aan de nachten in het kraakpand, aan de momenten van kameraadschap die hij dacht verloren te hebben, en hij voelde een sprankje hoop, een mogelijkheid dat niet alles verloren was.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de stilte verscheurde. “Taxi 214, klant aan de Lange Nieuwstraat, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Lange Nieuwstraat – het kraakpand, de plek waar alles begon en eindigde. Zijn handen trilden terwijl hij de knop indrukte. “Begrepen,” zei hij, zijn stem vlak, maar zijn hart bonzend. Hij keek naar Mark, wiens ogen vernauwden, een stille erkenning van wat die straat betekende.
“Wil je dat ik meega?” vroeg Mark, zijn stem zacht maar vast.
Wim aarzelde, zijn gedachten een chaos. Hij wilde nee zeggen, wilde alleen gaan, zoals altijd, maar iets in hem verzette zich. “Ja,” zei hij uiteindelijk, zijn stem schor. “Laten we gaan.”
Ze reden richting de Lange Nieuwstraat, de regen harder nu, de stad een grijze vlek om hen heen. In de verte zag Wim een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten legerjack, haar haar kort en slordig, een sigaret in haar hand. Zijn hart sloeg over. Was het Linda? Sara? Of weer een spook van zijn verleden? Mark leunde voorover, zijn ogen gefixeerd op de vrouw, en fluisterde: “Dat kan niet…” Wim trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij staarde, zijn wereld kantelend, terwijl de vrouw opkeek, haar ogen de koplampen vangend, en toen, met een glimlach die Wim’s hart brak, naar hen toe liep, een echo van een leven dat ze nooit helemaal konden loslaten.
Hoofdstuk 6: De rit naar Halle
Wim’s hart bonsde nog in zijn borst terwijl de taxi stilstond in de Lange Nieuwstraat, de regen een gordijn van zilver over de stad. De vrouw met het legerjack stond daar, haar sigaret gloeiend in het schemerlicht, haar glimlach een scheur in de tijd die Wim terugtrok naar het kraakpand, naar Linda, naar alles wat hij dacht verloren te hebben. Mark zat naast hem, zijn adem stokend, zijn ogen groot van ongeloof. “Dat kan niet…” had hij gefluisterd, en Wim voelde dezelfde woorden in zijn keel branden. Was het Linda? Sara? Of een spook van hun verleden, een wrede grap van Antwerpen dat hen nooit liet ontsnappen? Ze stapte dichterbij, haar ogen vangend in de koplampen, en toen, met een knik die zowel uitnodigend als spottend leek, draaide ze zich om en verdween in de schaduw van de steeg.
Wim’s handen trilden op het stuur, zijn gedachten een chaos van hoop en angst. Mark leunde voorover, zijn stem schor. “Volg haar, Wim. We moeten weten…” Maar Wim schudde zijn hoofd, zijn kaak strak. “Nee,” zei hij, zijn stem vlak maar vast. “Niet nu. Niet zo.” Hij voelde Mark’s ogen op zich, maar hij keek niet opzij. Hij startte de motor, de taxi reed weg van de Lange Nieuwstraat, de regen plensde over de voorruit als een vergeefse poging om het verleden schoon te spoelen.
Mark zuchtte, leunde achterover, zijn handen rusteloos in zijn schoot. “Je bent nog steeds dezelfde, weet je dat?” zei hij, een kleine glimlach in zijn stem. “Altijd wegrennen als het te dichtbij komt.”
Wim bromde, een halve lach ontsnappend. “En jij bent nog steeds een betweter,” zei hij, zijn ogen op de weg. “Sommige dingen veranderen niet, he ?” Mark grinnikte, een geluid dat Wim jaren niet had gehoord, en voor een moment voelde de taxi minder als een cocon van eenzaamheid, meer als een brug naar een tijd die hij dacht verloren te hebben.
Hij stuurde de taxi richting het Sint-Jansplein, zijn vaste stek, de plek waar hij altijd terugkwam, hoe ver de nacht hem ook bracht. “Ik zet je af,” zei hij tegen Mark, zijn stem zachter nu. “Maar… we praten nog, oké ? Niet weer verdwijnen.”
Mark keek hem aan, zijn ogen glinsterend in het schemerlicht. “Deal,” zei hij, en hij stak zijn hand uit, een gebaar zo oud en vertrouwd dat Wim’s hart een slag oversloeg. Ze schudden handen, een stille belofte, en Mark stapte uit, zijn silhouet vervagend in de regen. Wim keek hem na, een kleine glimlach op zijn gezicht, en voelde iets wat hij lang niet had gevoeld: een sprankje hoop, een kwinkslag van het lot dat misschien niet alles verloren was.
Wim parkeerde zijn taxi weer op het vertrouwde Sint-Jansplein en veegde zijn voorhoofd droog. De rode neonlichten schitterden in de natte kasseien. Hij zag op zijn klok dat het zeven uur tien was—precies het moment waarop de laatste spoedritten verstomden en de vooravond-ploeg nog niet was begonnen.
Een twintigtal meter verderop trokken enkele dames in hautaine haast zijn aandacht. Duidelijk uit hun doen, hun lippen iets blauw van de kou, hun laarzen bespat met modder uit de zijstraten. Hij kon bijna de geur van hun dopo-avondfeest ruiken.
“Hallo, meneer!” riepen ze met een indrukwekkend Brussels accent. Hij stapte uit om de deur voor hen te openen.
“Goede avond, dames. Waar mag ik naartoe?” Hij klapte zijn snel-gids open, ving hun kille blikken op en zag de afstand in een oogopslag.
“Na Halle, meneer. Halle boven Brussel!” antwoordde de gezette, rood aangelopen vrouw, terwijl haar vriendin haar met een half beschaamde glimlach aankeek.
Voor Wim voelde dit als een jackpot. Een goed gevulde factuur op een druilerige zondagavond—precies wat hij nodig had.
“Zeker, mevrouw. Zal ik de prijs even berekenen?” Hij sloeg met ruime armzwaai de snel-gids open en tikte fluisterend de cijfers in zijn rekenmachine. Terwijl hij rekende, hield hij oogcontact—een subtiele hint dat hij hun verhaal geïnteresseerd volgde.
“Dat komt op… drieduizend frank, mevrouw.”
Ze wisselden blikken, schudden terloops hun schouders en knikten berustend.
“Dat is goed,” zei de dame in de bloemenjurk met plechtige stem. “We zijn met de trein uit Brussel gekomen. Het was de verjaardag van mijn broer, en ja…” She keek hem indringend aan. “Het is een beetje uit de hand gelopen.”
Haar zuster grinnikte nerveus, maar Wim schonk haar een begripvolle knik.
“Geen probleem, mevrouw. Ik rijd u en uw gezelschap veilig.” Hij hield de deur open en rook het zoete aroma van taart en parfum dat zijn wagen vulde.
Bij de paardenmarkt stuitten ze op a kreunende man, ondersteund door zijn broer. Lijkbleek en wankelend werd hij voorzichtig in de wagen getild. De broer instrueerde Wim dreigend: “Breng hem veilig thuis.” Zijn klemtoon liet geen twijfel bestaan dat hij dit serieus meende.
Wim verzekerde hem met opgeheven kin: “Ik doe mijn uiterste best.” De knorrige broeder knikte kortaf, terwijl de dame achterin fluisterde: “Ge moet geen angst hebben, meneer. Alles is er al uit, toch, Romain?”
Hij knikte stijfjes, zijn ogen gesloten alsof hij in coma verkeerde. De familie kringelde zich om hem heen, een bont gezelschap besprenkeld met spanning en ge ne.
Onderweg kreeg Wim een alcoholcontrole in Boom—zijn dienstwagen mocht doorrijden zonder stoppen—en vervolgde zijn route over de ring van Brussel. Bij Halle merkte hij de eerste glooiingen van het Pajottenland op, frisse groene heuvels die herinneringen opriepen aan een jeugdige veldloop met de atletiekclub. Plots voelde hij zich even lichter van hart.
“Hier zijn we,” zei de corpulente dame in haar bloemenjurk. Wim stopte, verzamelde zijn betaling en ontving 500 frank drinkgeld.
“Ik hoop dat dit genoeg is,” vroeg ze, terwijl Romain zwaar op zijn benen naar buiten sukkelde.
“Meer dan genoeg,” glimlachte Wim. “Goede avond verder.” Hij zwaaide terwijl hij wegreed.
De stad achterlatend zag hij de avondschemering zich uitbreiden over de horizon. Door de voorruit gluurde hij naar zijn spiegelbeeld—een eenzame figuur in een wereld vol verhalen.
Vorige ritten maakten hem soms een vreemde in eigen stad. Vanavond reed hij echter met hernieuwd vertrouwen. Hij had zijn loon voor deze nacht veiliggesteld en mocht zich opmaken voor de volgende reis, het volgende verhaal dat in de schaduw lag te wachten.
De rit terug naar Antwerpen was een verademing, de wegen leeg, de regen opgehouden, de lucht fris en klaar. Wim draaide het raampje half open, liet de koele bries zijn gezicht strelen, en voelde een zeldzame lichtheid in zijn borst. De ontmoeting met Mark, de vrouw in de steeg, het waren schokken geweest, maar vanavond voelde het alsof de stad hem een adempauze gunde. Hij grinnikte bij de gedachte aan de Brusselse dames, hun hautaine flair en Romain’s comateuze gestommel. “Alles is er al uit,” had ze gezegd, en Wim moest lachen, een geluid dat vreemd klonk in de stilte van de taxi.
Hij dacht aan een nacht, jaren geleden, toen hij en de groep een soortgelijke chaos hadden meegemaakt, een herinnering die nu, in het licht van deze vrolijke rit, bijna komisch leek. Het was 1978, een zinderende zomernacht na een concert van The Kids in een groezelige kroeg in de Seefhoek. De band had het dak eraf gespeeld, en de groep – Wim, Mark, Linda, Lorenzo, en Luca – was in een roes van bier en adrenaline naar een nabijgelegen café gestrompeld, een tent die bekendstond om zijn goedkope pinten en twijfelachtige hygiëne. Ze waren jong, onoverwinnelijk, en volledig bereid om de nacht te veroveren.
“Op de revolutie!” brulde Mark, zijn pint in de lucht, terwijl hij op een wankele tafel klom. De barman, een norse kerel met een hangsnor, wierp hem een vernietigende blik toe, maar Mark was te ver heen om het te merken. Linda lachte, haar rode haar een wilde halo in het schemerlicht, en gooide een pinda naar Mark’s hoofd. “Revolutie? Jij kunt niet eens recht staan, held!” riep ze, haar stem bruisend van plezier.
Wim zat in een hoek, een grijns op zijn gezicht, terwijl hij Lorenzo en Luca een weddenschap zag aangaan over wie de meeste pinten kon drinken zonder om te vallen. “Jij bent een lichtgewicht, broer,” zei Luca, zijn ogen glinsterend van bravoure. “Ik heb Italiaans bloed, ik win dit met mijn ogen dicht!”
“Ja, en met je maag op de vloer!” kaatste Lorenzo terug, en de twee barstten in lachen uit, hun armen om elkaar heen als broers die nooit zouden breken.
De nacht escaleerde, zoals altijd. Mark viel van de tafel, gelukkig zonder iets te breken behalve zijn trots, en Linda sleepte hem naar een bank, waar hij prompt in slaap viel, zijn hoofd op haar schouder. Wim keek naar haar, zijn hart een beetje te vol, en ze ving zijn blik, haar glimlach speels. “Wat kijk jij nou, meneer de filosoof?” zei ze, een wenkbrauw opgetrokken.
“Niks,” zei Wim, zijn grijns breder nu. “Gewoon… jij bent een ramp, weet je dat?”
Ze lachte, een helder geluid dat door de kroeg sneed. “En jij bent een softie, Wim De Gier. Maar ik mag je wel.” Ze stak haar tong uit, een kinderlijk gebaar dat hem aan het lachen maakte, en voor een moment voelde de wereld perfect, alsof ze echt onoverwinnelijk waren.
Maar zoals altijd liep het uit de hand. Luca en Lorenzo’s weddenschap eindigde met Luca die over zijn eigen voeten struikelde en een tafel omvergooide, pinten en al. De barman brulde, de uitsmijter – een beer van een vent met een kaal hoofd en een tatoeage van een anker – greep Luca bij zijn kraag, en voor Wim het wist, waren ze allemaal buiten, lachend en struikelend in de warme nachtlucht. “We komen terug!” riep Mark, zijn arm om Linda heen, terwijl de uitsmijter hen zijn middelvinger gaf. “In je dromen, punkers!” brulde hij, en de groep barstte opnieuw in lachen uit, hun stemmen echoënd door de lege straten.
Wim glimlachte bij de herinnering, zijn handen ontspannen op het stuur. Die nacht was een puinhoop geweest, maar het was hun puinhoop, een moment van pure, ongefilterde vreugde. Hij dacht aan Mark’s woorden in de taxi – “de momenten dat we voelden dat we leefden” – en voor het eerst in jaren voelde hij dat weer, een beetje, dankzij de Brusselse dames en hun dronken entourage.
Terug in Antwerpen stuurde hij de taxi naar de Paardenmarkt, een andere vaste stek, waar de nacht altijd wel iets te bieden had. Hij parkeerde, zijn ogen scannend voor klanten, maar zijn gedachten nog bij de rit naar Halle. De stad voelde lichter vanavond, de neonlichten minder dreigend, de regen een zachte achtergrond in plaats van een last. Hij stak een sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, een zeldzame glimlach op zijn gezicht.
Een nieuwe klant verscheen, een jonge kerel met een pet en een rugzak, zijn ogen glinsterend van een mix van vermoeidheid en opwinding. “Naar de Groenplaats, maat!” zei hij, terwijl hij op de achterbank plofte, zijn stem bruisend van een energie die Wim deed denken aan zijn eigen jeugd. “Ik heb net de nacht van mijn leven gehad, weet je dat? Dansen, drinken, en een meisje dat…” Hij zweeg, grinnikte, en sloeg zichzelf op de knie. “Man, je snapt het wel!”
Wim lachte, een diep, warm geluid dat hem zelf verraste. “Oh, ik snap het,” zei hij, zijn ogen twinkelenden in de achteruitkijkspiegel. “Maar vertel, wat maakt het de nacht van je leven?”
De jongen leunde voorover, zijn pet scheef. “Oké , oké , dus ik was in deze club, he , en daar was dit meisje, ze had ogen als… als sterren, man, en we dansten, en toen…” Hij ratelde door, zijn verhaal een wilde mix van overdrijving en enthousiasme, en Wim luisterde, een grijns op zijn gezicht. De jongen – hij zei dat hij Jonas heette – beschreef een epische nacht van dansen, flirten, en een bijna-kus die werd onderbroken door een vriend die over zijn schoenen kotste. “En toen, man, toen moest ik hem naar huis slepen, maar ik zweer, die meid, die zie ik morgen weer!” zei Jonas, zijn stem vol overtuiging.
Wim grinnikte, zijn sigaret bungelend tussen zijn vingers. “Klinkt als een plan, Jonas,” zei hij. “Maar zorg dat je vriend volgende keer een emmer meeneemt.”
Jonas barstte in lachen uit, zijn hoofd achterover. “Een emmer! Haha, dat is een goeie, meneer! Jij bent oké , weet je dat?” Hij sloeg op de rugleuning, zijn energie aanstekelijk, en Wim voelde een warmte in zijn borst, een echo van de nachten toen hij zelf zo’n jongen was, vol leven en dromen.
Hij dacht aan een andere nacht, een paar maanden voor Linda’s overdosis, toen de groep een absurde stunt had uitgehaald die nog steeds een glimlach op zijn gezicht toverde. Het was na een concert in de Domino, waar een lokale band een cover van The Clash had verknald maar toch het publiek in vuur en vlam had gezet. Ze waren dronken, bruisend van energie, en hadden besloten dat de nacht niet mocht eindigen. Luca, altijd de aanstichter, had een idee gekregen. “Laten we een fietsrace doen!” brulde hij, zijn ogen wild. “Van hier tot aan de haven, wie het eerst is, wint een rondje!”
“Een fietsrace?” zei Linda, haar wenkbrauw opgetrokken, een pint in haar hand. “Met jouw dronken kop? Je crasht nog voor je de hoek om bent!”
“Pff, ik ben een kampioen!” kaatste Luca terug, zijn borst vooruit. “Kom op, wie durft?”
Mark, nooit iemand om een uitdaging af te slaan, was meteen aan boord, en Lorenzo volgde, zijn anarchistische geest aangespoord door het absurde idee. Wim aarzelde, maar Linda porde hem in zijn zij. “Kom op, filosoof, laat zien dat je ballen hebt!” zei ze, en Wim lachte, zijn verzet gebroken.
Ze vonden een stel oude, roestige fietsen achter de kroeg – waarschijnlijk van de barman, die toch te nijdig was om het te merken – en daar gingen ze, vijf punks op wankele fietsen, slingerend door de nachtelijke straten van Antwerpen. Luca nam de leiding, zijn hanenkam wapperend als een vlag, maar hij zwenkte te wild en knalde tegen een vuilnisbak, zijn geschreeuw van frustratie echoënd door de straat. Linda lachte zo hard dat ze bijna van haar fiets viel, en Wim greep haar stuur om haar overeind te houden, hun handen kort tegen elkaar, een moment dat zijn hart sneller deed kloppen.
Mark won, natuurlijk, zijn lange benen trappend als een bezetene, en hij stond triomfantelijk bij de haven, zijn armen in de lucht. “Kampioen!” brulde hij, terwijl Lorenzo, die tweede was, hem een speelse duw gaf. Luca strompelde als laatste aan, zijn broek gescheurd, zijn trots gekrenkt maar zijn grijns breed. “Volgende keer, losers!” zei hij, en ze vielen op de grond, lachend tot hun buikpijn deed, de stad om hen heen stil maar bruisend van hun energie.
Wim glimlachte bij de herinnering, zijn ogen op de Groenplaats terwijl hij Jonas afzette. “Succes met je sterrenogen-meisje,” zei hij, een knipoog in zijn stem, en Jonas lachte, een briefje van duizend frank op de voorstoel gooiend. “Hou de rest, maat! Jij bent een legende!” zei hij, en hij verdween in de nacht, zijn pet dansend op zijn hoofd.
Wim leunde achterover, de sigaret opgebrand, en voelde een zeldzame vreugde. De stad was vanavond zijn vriend, niet zijn vijand, en hij voelde zich, voor het eerst in jaren, niet alleen. Hij dacht aan een andere nacht, een paar weken na de fietsrace, toen ze een impromptu feest hadden gehouden in het kraakpand. Linda had een oude radio gevonden, en ze hadden gedanst op een krakerige cassette van The Ramones, hun lichamen botsend in de kleine kamer, hun lachen luider dan de muziek. Mark had een zelfgemaakte cocktail gemaakt – “Punk Punch,” noemde hij het – die smaakte naar hoestsiroop en pure alcohol, en ze hadden allemaal gekokhalsd maar toch gedronken, hun gezichten vertrokken van afschuw en plezier.
“Dit is hoe het leven hoort te zijn!” had Linda geschreeuwd, haar armen in de lucht, haar ogen stralend. Wim had naar haar gekeken, zijn hart vol, en voor een moment had hij geloofd dat ze gelijk had, dat dit alles was wat ze nodig hadden – elkaar, muziek, en een nacht die nooit eindigde.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde energie, een echo van die nacht, en hij lachte zachtjes, zijn handen ontspannen op het stuur. Hij reed naar de Falconrui, een andere hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De stad pulseerde om hem heen, de neonlichten flikkerden als sterren, en hij voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters.
Een nieuwe klant verscheen, een oudere man met een Fedora en een fonkel in zijn ogen, zijn stem had een verhalenvertellers-charme, zoals een radiostem, ietwat donker en diep. “Naar de Scheldekaaien, mijn vriend!” zei hij, terwijl hij op de achterbank gleed, zijn jas ruikend naar oude tabak en goedkope wijn. “Ik heb een verhaal voor je, als je wilt horen!”
Wim grinnikte, zijn stemming nog steeds licht. “Ik heb alle tijd,” zei hij, en de man begon, zijn stem een melodie van anekdotes over verloren liefdes, wilde nachten, en een kat die ooit zijn portemonnee had gestolen. Wim luisterde, zijn lach echoënd in de taxi, en voelde de stad om zich heen bruisen, een wereld vol verhalen die hem eindelijk weer toeliet.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de vrolijke sfeer doorsneed. “Taxi 214, klant aan de Stadswaag, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Stadswaag – de plek van Cinderella, van zijn jeugd, van alles wat hij dacht achtergelaten te hebben. Hij keek in de achteruitkijkspiegel, de oude man nog steeds pratend, maar zijn gedachten elders. Hij drukte de knop in, zijn stem vlak maar zijn hart bonzend. “Begrepen,” zei hij, en hij stuurde de taxi richting de Stadswaag, de nacht plots zwaarder, maar nog steeds doorspekt met een sprankje hoop.
In de verte zag hij een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten leren jas, haar haar lang en wild, een gitaar op haar rug. Wim’s hart sloeg over. Was het Linda? Sara? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? Ze keek op, haar ogen vangend in de koplampen, en toen, met een glimlach die Wim’s wereld op zijn kop zette, stak ze haar duim op, een gebaar zo oud en vertrouwd dat het hem terugbracht naar de liftdagen van zijn jeugd. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij lachte, een warme, bevrijdende lach, terwijl de vrouw naar hem toe liep, haar glimlach een belofte van een nacht die alles kon veranderen.
Hoofdstuk 7: De Reflectie
Wim’s lach galmde nog na in de taxi terwijl hij de Stadswaag achter zich liet, de vrouw met de gitaar een flits in zijn achteruitkijkspiegel. Haar glimlach, dat oude liftgebaar met haar duim omhoog, had iets in hem losgemaakt – een sprankje van de jongen die ooit met een kartonnen bordje “Amsterdam” langs de N-weg stond, dromend van concertzalen en nachten zonder einde. Was het Linda? Sara? Of gewoon een nieuwe ziel, een verhaal dat wachtte om verteld te worden? Hij wist het niet, maar voor het eerst in jaren voelde hij een lichte opwinding, een kwinkslag van het lot dat hem uit zijn nachtelijke cocon trok. De regen was gestopt, de stad glinsterde in het schemerlicht, en Wim stuurde de taxi richting het Sint-Jansplein, zijn vaste haven, met een glimlach die niet wilde wijken.
Hij parkeerde, de motor snorrend als een tevreden kat, en leunde achterover, zijn ogen op de natte kasseien waar de neonlichten van een nabijgelegen café rood en blauw dansten. De ontmoeting met Mark, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, en nu deze vrouw – de stad leek hem vanavond te plagen, maar op een goede manier, alsof ze zei: “Kom op, Wim, leef een beetje!” Hij grinnikte, een zacht geluid dat de stilte vulde, en dacht aan hoe Mark hem een betweter had genoemd. “Misschien had je gelijk, ouwe vriend,” mompelde hij, zijn handen ontspannen op het stuur.
De regen was inmiddels tot een zachte motregen verworden. Af en toe schemerde er een ster door de wolkenslierten, die als schimmen achter elkaar aangejaagd werden door een wind die nergens naartoe leek te willen. Sinds de schepping van de mensheid ging het zo: geboorte, groei, voortplanting, verval en uiteindelijk verdwijnen van al wat was. Zelfs na het einde van de mens – de aarde bleef haar eigen ritme volgen.
Wim miste de dag. Hij werkte al jaren nachtdiensten en vergat soms hoe ‘normale’ mensen leefden: opstaan, koffie, kinderen naar school, werk, kerk, ontbijt op zondag. Zij leefden van vaste rituelen, binnen net afgebakende muren van burgerlijke plichtpleging. Hij had zelden licht gezien dat niet door nat straatlawaai werd overstemd. Daglicht leek voor hem een verouderd sprookje.
Hij herinnerde zich hoe hij vroeger zijn vrije dagen gebruikte: ploeteren door de felle zon, proberen wakker blijven tot het avond werd. Als hij erin slaagde, voelde hij zich een held—alsof hij eindelijk had bewezen dat hij ook ‘een mens’ was. Maar de wereld keek anders: hij was een taxichauffeur, een nachtdier, een vluchteling uit het dagritme.
Hij keek op de klok: het was vier uur. Nog twee uurtjes, en hij kon opnieuw vergeten waar hij de afgelopen uren in had rondgereden.
“Was ik dat miezerige mannetje op het Sint-Jansplein niet tegengekomen,” dacht hij, “dan had ik morgen tenminste iets te vertellen voor het afrekenen. Dan zou Erik niet weer die eeuwenoude klacht lopen uitwringen over die verre rit die hij nï e t had gekregen.”
“Niet gemotiveerd, niet flexibel genoeg,” had men hem ooit toegebeten toen hij na een dagbaan we e r niet op tijd op zijn werk verscheen. “De job ligt jou duidelijk niet,” had een vakbondsafgevaardigde hem na zijn ontslag onaangedaan toegeroepen.
Wim had hen allebei verstaan, al voelde het als messensteken: dom, lui, zonder ambitie. Maar hij wilde vragen: heb jij ooit twee balken achter elkaar gemaakt? Wist jij hoe zwaar het is in je eentje urenlang met een stuur in je hand te turen naar mensen die alles zullen vergeten zodra ze uitstappen?
Hij zweeg altijd en probeerde zich overal doorheen te slaan, net als nu. Hij had gewerkt als interim arbeider in fabrieken, als koerier, zelfs eens als arbeider in de haven—elke keer vroegen ze zich na een paar dagen af: “Waarom doe jij dit nog?”
Na vijf jaar nachtritten kende hij de stad intussen beter dan zijn eigen woonwijk. Elke steeg, elk café , zelfs de steegjes met gesloten bordjes: hij kon blindelings van het ene naar het andere adres rijden.
Hij nam een slok thermoskoffie en liet zijn blik dwalen over lege straten. Het was een troosteloze schoonheid: het moment vlak voor zonsopgang, wanneer alles hunkerend wacht op het eerste rode schijnsel.
Hij vroeg zich af of Erik daar ook zo naar keek, of hij liever in het daglicht leefde.
“Wim,” zei Erik ooit in het clubhuis, “pessimisme is een noodzakelijk kwaad. Hoe meer ze je belazeren, hoe meer je bent.” En Erik keek hem aan met die vermoeide Zuid-Afrikaanse melancholie: “Dat heb ik van mijn ex geleerd. Niets is zeker, behalve teleurstelling.”
Wim had erin meegeleefd, zichzelf ongemerkt in die sombere filosofie gekleed. Hij herkende erin zijn eigen koude zekerheid: elke klant was een misleiding, elk vriendelijk woord een schijnvertoning.
Hij sloot de ogen en herinnerde zich een nacht, jaren terug, waarin hij een elegante dame naar de luchthaven bracht en zij hem een flard begrip schonk. Ze zei: “U begrijpt me, he , meneer?” Hij had geantwoord: “Vaker dan u denkt, mevrouw.” En voor het eerst voelde hij zich minder een slaaf van zijn eigen eenzaamheid.
Maar de volgende avond was ze plots vergeten, net als zovelen.
Het wolkendek was dichtgetrokken, de regen kwam weer naar beneden. Wim draaide de verwarming iets hoger en legde zijn handen tegen het warme stuur. Hij dacht: als er niemand naar mij omzag, als ik alleen maar een radertje was in een carrousel van vertier… was dat dan zijn eigen schuld?
Hij wist: de meesten kozen hieruit enkel uit pure noodzaak. Schulden, faillissement, scheiding—ze vormden hem tot wat hij nu was. Zelf geen schone lei, toch min of meer gespaard van de ellende van anderen.
Het besef voelde bitterzoet: hij was een lachend slachtoffer, te laf om te veranderen, te vermoeid om te vluchten.
Hij schudde zijn hoofd en zuchtte: “Ik ben geen held, ik ben geen droomjager. Ik ben Wim de taxichauffeur.”
Toch greep hij in zijn hart naar de laatste restjes hoop. De nacht zou verdwijnen, de daglichtsplijting komen, maar vanochtend, nog een keer, zou hij de stad bewaken. Want misschien, heel misschien, zou er iemand instappen die we l luisterde.
En dan, dacht hij, was dat goed genoeg.
Maar vanavond voelde anders, lichter, alsof de stad hem een knipoog gaf. De ontmoeting met Mark, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, en die vrouw met de gitaar – ze hadden een scheur in zijn pantser geslagen, een barst waar een beetje licht doorheen sijpelde. Hij grinnikte, zijn vingers trommelend op het stuur, en dacht aan een nacht, jaren terug, die hem nog steeds een lach ontlokte, een moment van pure, absurde vreugde dat hem deed beseffen dat het leven, zelfs in zijn donkerste uren, altijd een kwinkslag klaar had.
Het was 1979, een zwoele nacht in het kraakpand, een paar maanden voor alles uit elkaar viel. De groep had een “kunstavond” georganiseerd, een half serieuze poging om iets creatiefs te doen tussen het drinken en schreeuwen door. Linda had het bedacht, een idee dat ze “geniaal” noemde. “We gaan een muurschildering maken!” had ze verklaard, een spuitbus in haar hand, haar rode haar in een wilde knot. “Iets dat de wereld zal veranderen, of op zijn minst de huisbaas pissig maakt!” Mark had gelachen, zijn armen over elkaar. “Een muurschildering? Met jouw tekentalent? Dat wordt een ramp, schat!” Linda had hem een speelse duw gegeven, haar tong uitgestoken, en Wim had gegrijnsd, zijn hart licht van hun energie.
Ze hadden een muur in de voorkamer uitgekozen, een scheve, vochtige lap pleisterwerk die toch al half instortte. Luca en Lorenzo sleepten een paar oude verfblikken en spuitbussen uit een kelder, en de groep ging los, hun handen besmeurd met verf, hun stemmen bruisend van plezier. Linda schilderde een reusachtige bloem, maar het leek meer op een exploderende pompoen, en Mark voegde er een anarchieteken aan toe, zijn grijns breed. “Dat maakt het punk!” zei hij, terwijl Linda hem een klodder verf in zijn gezicht smeerde.
Wim, nooit de kunstenaar, probeerde een gitaar te tekenen, maar het eindigde als een misvormde banaan, en Lorenzo barstte in lachen uit. “Man, dat is geen gitaar, dat is een oorlogswapen!” zei hij, en hij voegde er een pijl doorheen, alsof het een cartoonhart was. Luca, altijd de showman, spoot zijn eigen naam in reusachtige letters, compleet met een kroon erboven. “Voor de eeuwigheid!” brulde hij, zijn hanenkam wapperend terwijl hij een pirouette maakte.
De nacht eindigde in een chaos van verf, gelach, en een geï mproviseerde dans op een cassette van The Ramones, hun lichamen botsend in de kleine kamer, hun stemmen luider dan de muziek. Linda greep Wim’s hand, trok hem mee in een wilde draai, en voor een moment voelde hij zich vrij, echt vrij, alsof de wereld buiten het kraakpand niet bestond. “Jij bent een slechte danser, Wim De Gier!” zei ze, haar ogen stralend, en hij lachte, zijn hoofd licht van haar nabijheid. “En jij bent een slechte kunstenaar!” kaatste hij terug, en ze stak haar tong uit, een kinderlijk gebaar dat hem aan het lachen maakte.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde lichtheid, een echo van die nacht, en hij lachte zachtjes, zijn handen ontspannen op het stuur. De stad was vanavond zijn vriend, niet zijn vijand, en hij voelde zich, voor het eerst in jaren, niet alleen. Hij dacht aan een andere nacht, een paar weken na de kunstavond, toen ze een impromptu feest hadden gehouden in een cafe aan de Brouwersvliet. Mark had een “Punk Punch” gemaakt – een zelfbedachte cocktail die smaakte naar hoestsiroop en pure alcohol – en ze hadden allemaal gekokhalsd maar toch gedronken, hun gezichten vertrokken van afschuw en plezier. “Dit is hoe het leven hoort te zijn!” had Linda geschreeuwd, haar armen in de lucht, en Wim had gegrijnsd, zijn hart vol, denkend dat ze gelijk had.
Hij stuurde de taxi naar de Falconrui, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De motregen glinsterde op de kasseien en Wim voelde een zeldzame vreugde. Hij stak een nieuwe sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, een glimlach op zijn gezicht.
Een nieuwe klant verscheen, een oudere vrouw met een felgekleurde sjaal en een tas vol boodschappen, haar stem bruisend van een verhalenvertellers-charme. “Naar de Groenplaats, lieve schat!” zei ze, terwijl ze op de achterbank gleed, haar sjaal een regenboog in de schemerige taxi. “En doe maar rustig, ik heb alle tijd van de wereld!”
Wim grinnikte, zijn stemming nog steeds licht. “Geen haast, mevrouw,” zei hij, en hij startte de motor, de taxi glijdend door de natte straten. De vrouw – ze stelde zich voor als Magda – begon meteen te kletsen, haar stem een melodie van anekdotes over haar kleinkinderen, een kat die haar sokken stal, en een buurman die dacht dat hij Elvis was. “En weet je, schat, die man zingt ‘Hound Dog’ in zijn onderbroek op het balkon!” zei ze, haar lach bruisend, en Wim lachte mee, zijn hoofdschuddend van ongeloof.
“Dat klinkt als een show die ik niet wil missen,” zei hij, zijn ogen twinklend in de achteruitkijkspiegel, en Magda sloeg op haar knie, haar tas rammelend van de boodschappen. “Oh, jij zou het prachtig vinden, lieve jongen! Kom maar eens langs, ik maak frieten voor je!”
Wim voelde een warmte in zijn borst, een zeldzaam gevoel van verbondenheid. Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na zijn ontslag uit de kliniek, toen hij een klant had opgepikt die hem nog steeds bijbleef. Het was een oude man, een gepensioneerde zeeman met een baard als schuurpapier en een stem als een scheepshoorn. “Naar de haven, knul!” had hij gebruld, terwijl hij op de achterbank plofte, zijn jas ruikend naar zout en tabak. “En zet wat muziek op, iets met pit!”
Wim had gelachen, een cassette van The Clash in de speler geschoven, en de man had meegebruld, zijn vuist in de lucht. “Dat’s de geest, knul!” zei hij, zijn ogen glinsterend. “Weet je, ik heb ooit met Johnny Rotten gevochten in een kroeg in Londen. Hij sloeg als een meisje, maar wat een nacht!” Wim had gegrijnsd, niet zeker of hij het geloofde, maar het verhaal was te goed om te betwijfelen. De man had hem een fooi van tweeduizend frank gegeven en een klap op zijn schouder. “Blijf rijden, knul. De wereld heeft lui zoals jij nodig!” had hij gezegd, en Wim had gelachen, zijn hart licht voor het eerst in maanden.
Terug in de taxi, terwijl Magda doorratelde over haar buurman-Elvis, voelde Wim diezelfde lichtheid. Hij zette haar af bij de Groenplaats, haar sjaal fladderend terwijl ze uitstapte. “Je bent een schat, jongen!” zei ze, een briefje van duizend frank in zijn hand duwend. “Kom maar eens frieten eten!” Wim lachte, een warme, bevrijdende lach, en zwaaide terwijl ze verdween in de nacht.
Hij reed verder, de stad pulseerend om hem heen, de motregen een zachte omhelzing. Hij dacht aan een andere nacht, een paar maanden na de zeeman, toen hij een groep studenten had opgepikt na een feest in de Seefhoek. Ze waren dronken, luidruchtig, en hadden een karaoke-machine bij zich, die ze prompt in de taxi aanzetten. “Sweet Caroline!” hadden ze gebruld, hun stemmen vals maar bruisend, en Wim had meegelachen, zijn hoofd schuddend terwijl ze hem probeerden mee te krijgen. “Kom op, chauffeur, zing mee!” had een meisje met vlechtjes geschreeuwd, en Wim had geweigerd, maar zijn grijns was breder dan ooit. Ze hadden hem een fooi van kleingeld gegeven – “Alles wat we hebben!” – en waren lachend uitgestapt, hun stemmen echoe nd door de straat.
De herinnering bracht een glimlach op zijn gezicht, en hij voelde een zeldzame vreugde, een besef dat de nacht, ondanks zijn eenzaamheid, altijd iets te bieden had. Hij stuurde de taxi naar de Brouwersvliet, een andere hotspot, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De stad glinsterde, de sterren nu duidelijker door de dunner wordende wolken, en Wim voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de vrolijke sfeer doorsneed. “Taxi 214, klant aan de Kammenstraat, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Kammenstraat – de plek van de vrouw in de steeg, van Mark’s oude huis, van herinneringen die hij dacht begraven te hebben. Hij drukte de knop in, zijn stem vlak maar zijn hart bonzend. “Begrepen,” zei hij, en hij stuurde de taxi richting de Kammenstraat, de nacht plots zwaarder, maar nog steeds doorspekt met een sprankje hoop.
In de verte zag hij een figuur staan, een man, zijn silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Hij droeg een versleten denim jas, zijn haar lang en warrig, een fles in zijn hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Lorenzo?
Luca? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? De man keek op, zijn ogen vangend in de koplampen, en toen, met een grijns die zowel ondeugend als vertrouwd was, hief hij de fles in een toost, een gebaar zo typisch punk dat het Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij lachte, een warme, bevrijdende lach, terwijl de man wankelend naar hem toe liep, zijn grijns een belofte van een nacht die alles kon veranderen.
Hoofdstuk 8: De illusies verwekt door de klandizie
Wim’s lach galmde nog in de taxi terwijl hij de Kammenstraat achter zich liet, de man met de fles een schim in de motregen. Die ondeugende grijns, die toost met de fles, had hem teruggeworpen naar de nachten van chaos en kameraadschap, toen Lorenzo en Luca de stad onveilig maakten met hun wilde plannen en nog wildere dromen. Was het Lorenzo, met zijn anarchistische praatjes? Luca, met zijn hanenkam en bravoure? Of gewoon een nieuwe ziel, een klant met een verhaal dat zijn nacht zou opschudden? Hij wist het niet, maar de ontmoeting had een vonk aangestoken, een kwinkslag van het lot die hem uit zijn nachtelijke routine trok. De motregen glinsterde op de kasseien, de stad pulseerde met een zachte energie, en Wim stuurde de taxi richting het Sint-Jansplein, zijn vaste haven, met een glimlach die zijn gezicht weigerde te verlaten.
Hij parkeerde, de motor snorrend als een oude vriend, en leunde achterover, zijn ogen op de natte straten waar de neonlichten van een cafe rood en blauw dansten. De ontmoeting met Mark, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, Magda’s Elvis-buurman, de vrouw met de gitaar, en nu deze man – de stad leek hem vanavond te plagen, maar op een goede manier, alsof ze fluisterde: “Wim, je bent nog niet klaar met leven!” Hij grinnikte, zijn vingers trommelend op het stuur, en dacht aan hoe Erik, zijn pessimistische collega, hem zou uitlachen voor dit plotselinge optimisme. “Een vent met een fles? Dat wordt een wanbetaler, Wim!” zou hij brommen, zijn
Zuid-Afrikaanse melancholie doorspekt met een zure grijns. Maar vanavond voelde Wim anders, lichter, alsof de stad hem een kans gaf om zijn eigen waarde te herontdekken – niet alleen als taxichauffeur, maar als een man
die de economische dans van de nacht begreep, een econoom in zijn eigen recht.
De regen was al wat minder geworden, en af en toe flonkerde een ster tussen de wolkenslierten die gejaagd voortschreden naar een doel dat ze nooit bereikten. Wim dacht aan de eeuwige kringloop van het leven: dat men geboren wordt, wat ronddroomt, groeit en, wanneer men zwanger is van ervaringen, de vrucht laat vallen—en dat dan alles opnieuw begint. Zo ging het al vanaf het begin, en zo zou het altijd blijven gaan, zelfs nadat mensen al lang van deze aarde waren verdwenen.
Hij miste de dag. Na jaren nachtwerk vergat hij soms hoe het gewone leven verliep: mensen die ’s morgens hun kinderen naar school brengen, daarna naar hun werk lopen in nette kleren, zorgeloos hun winkel openen en trouw belasting betalen. Mensen die wekelijks de kerk bezochten en hun gebeden onvoorwaardelijk verhoord zagen. Wim wist dat hij zelf een slecht mens was geworden, iemand die het onderscheid tussen goed en kwaad nauwelijks nog terugvond.
“Soms,” dacht hij, “zou ik willen ervaren wat zij ervaren: hun onschuld, hun samen bidden om een reddende engel.”
In de nacht, achter het stuur, zag hij alleen de schaduwkanten van ieders persoonlijkheid. Een alter ego schuilde in elk van zijn passagiers— sluimerend tot de eerste slok alcohol ze losweekte. Die alter ego’s werden zijn vrienden: hij leerde ze kennen, maar kon ze overdag niet meer vinden. Wandelen door de stad voelde als dwalen door een vreemde droom. Het kostte hem dagen om weer “vast” te komen te staan, maar hij had bijna geen vrije tijd om dat uit te zoeken en sloot zich liever op in zijn kleine appartement.
Niemand had hem verplicht ’s nachts te werken. Maar overdag leven, dacht hij, was een marteling. Opstaan om negen uur, een broodmaaltijd, een achturenbaan… hij begreep niet hoe mensen dat volhielden.
“Niet gemotiveerd, niet flexibel genoeg,” hoorde hij de bazen vaak verzuchten. “Niet flexibel genoeg,” was de toverspreuk om iemand buiten te werken die niet met volle overtuiging zijn job deed.
Wim had die verwijten niet kunnen weerleggen—hij voelde zich vaak te lui, te vermoeid of gewoon te dom om iets anders te ondernemen. Hij had anderen benijd die van hun hobby hun vak hadden gemaakt. Tot een vriend hem aanraadde als taxichauffeur te gaan: hij stapte een taxibedrijf binnen en werd aangenomen. Hij wist toen nog niet dat hij er bijna vijf jaar zou blijven—een absoluut record. In het begin was alles nieuw en eng: hij kende nauwelijks tien straten, kreeg klachten over ‘omwegen’, maar geleidelijk leerde hij de stad kennen. Hij kocht een bromfiets, liet iedereen naar zijn “monster” kijken, terwijl anderen een Opel of Golf op afbetaling hadden staan.
Die overwinningen waren zoet: veel beter dan al die tijdelijke en vuile baantjes voor interims. Hoe vaak had hij zich afgevraagd: “Wat bond me eigenlijk aan dit vak?”
Het antwoord kwam langzaam: mensenkennis. Het constante spel van service en theatrale beleefdheid was een leerschool. Boze telefoontjes van klanten noemde hij later “larie”: juist zij werden soms zijn trouwste passagiers. Hij begreep dat service vooral draait om mooie woordjes en veel tralala—en dat taxi rijden daar nog het meest om vraagt.
“Ja,” zuchtte hij soms, “dat is wat me het meest aantrekt in dit vak.”
Hij droomde ervan dat het een springplank was naar een betere toekomst.
Maar voor nu zat hij in de regen, ingekapseld door de nacht op het SintJansplein te wachten. Een betere toekomst…
Het was halfvier. Nog twee uurtjes scheidden hem van ‘punt zero’: het moment waarop hij even kon vergeten in welke ellende hij zich bevond. En toch…
“Was dat miezerige mannetje niet door de deur heen geslopen,” zei hij hardop, “dan had ik nu niets om over te praten bij het afrekenen.”
Erik, zijn meest pessimistische collega, zou weer klagen dat hij altijd benadeeld werd door de telefoniste. Erik had ooit gezegd dat pessimisme zijn leven gaf: hoe meer men hem teleurstelde, hoe zinvoller hij kon zijn. Wim voelde soms solidariteit met Erik, hoe extreem ook.
“Het is het bewijs,” dacht Wim weleens, “dat je vreemd behandeld wordt, dat je niet begrepen wordt…”
En toch genoot hij van dit nachtwerk. Lang sneed de regen over de straat, het wolkendek was dichtgetrokken en de laatste minuten van de nacht tastten naar het vragende, wrange daglicht. De stad stond op het punt te ontwaken, maar niet voor hem: hij was e e n van de radertjes in de duivelse carrousel van vertier, leden van de samenleving die nooit meer een “gewoon” leven zouden kennen. Ze proefden de glitter, maar betaalden een hoge prijs: eenzaamheid.
“Niet eenvoudig om zo te leven,” mompelde hij. “Velen haken vroeg af.”
De meesten kozen dit werk uit pure noodzaak. Meer dan de helft zat diep in schulden, liep tegen loonbeslag of verloor hun gezin. Wim achtte zichzelf gelukkig: geen echtscheiding, geen faillissement — toch voelde hij zich gedwongen tussen fysieke onaanpasbaarheid en morele onwil. Lafheid, noemde hij het, die hem taxichauffeur had gemaakt.
Soms ontmoette hij passagiers met hoge verwachtingen. Zoals die avond, die jonge man uit het voormalige Oostblok met kort blond haar, een gezonde blos op zijn wangen en aristocratische lippen. Hij sprak van een “project rond de Zwarte Zee”. Wim herinnerde zich:
“Of jij rond de Zwarte Zee zouden durven gaan?” vroeg de man opgewonden. “Er zijn geen getijden in de Zwarte Zee,” antwoordde Wim. “Goed zo,” zei de man. “Zeg ja, dat je het kunt, en het is van jou!”
De man leek weggerukt uit een Pruisisch kasteel vlak voor de Tweede Wereldoorlog: een adelaar losgelaten uit een te kleine kooi. Maar Wim weigerde. “Sorry, meneer,” zei hij, nog steeds ontroerd door dat kinderlijk enthousiasme, “maar dat kan ik niet.” De man was zwaar teleurgesteld, maar Wim bood aan namen van kennissen die misschien wel konden helpen.
Enkele uren later dropte hij zijn passagier in het hotel, rijkelijk bedeeld met fooi, maar achteraf bleef er een wrange nasmaak: alsof hij een unieke kans had gemist.
De nacht was Wims enige bondgenoot geworden, een vriend die alles verdroeg en luisterde zonder te oordelen. Hij vroeg zich af of hij soms een homoseksueel was: vrouwen wezen hem af wanneer hij te eerlijk was, terwijl in de taxi iedereen van hem verwachtte dat hij hun diepste geheimen verstond. De nacht bood dekking: je kon je verstoppen en toch jezelf zijn. En ervoor betaald krijgen.
Soms vroeg Wim zich af waarom hij niet bankbediende was geworden, om heimelijk het financie le geheim van passagiers te ontrafelen. Want ook al kende hij ieders favoriete kroeg, elke zijstraat en welk raam ’s nachts brandde, iemands ware rijkdom bleef onvoorspelbaar. Hoe vaak pikte hij iemand op, voerde een intiem gesprek en belandde aan diens voordeur— om daar te ontdekken dat er geen geld was?
“Ik denk dat we beter de politie bellen,” zei hij eens, toen een passagier weigerde te betalen. “Doe maar wat je niet laten kunt,” reageerde die, alsof hij triumpherend afstand nam van enige verantwoordelijkheid.
De man stelde wanhopig videocassettes voor ter betaling: nieuw, in sjieke verpakking, gekocht voor zevenhonderd frank. Wim rekende snel uit dat hij met een doorverkoop van vierhonderd frank ‘terug in de kosten’ was. “In orde,” zei Wim, “maar maak gauw voort, ik heb tijd verspeeld.”
Tien minuten later reed hij weer weg, maar zijn hart bonsde: elke bestuurder kon die avond vermoord worden door een gefrustreerde passagier. De stad liep vol van hen: verslaafd aan drank, gokken of drugs, tot het besef kwam dat hun spaarpot op was.
“Levensgevaarlijk,” fluisterde Wim.
Na bijna vijf jaar had hij geleerd op zijn qui-vive te blijven. Elk akkefietje maakte hem scherper en wijdde hem in de donkerste hoeken van het menselijk gedrag. Misschien was er geen betere opleiding dan nachtelijk taxi rijden—waar hij niet alleen zijn stad leerde kennen, maar ook zichzelf.
Maar vanavond voelde anders, lichter, alsof de stad hem een knipoog gaf. De ontmoeting met de man met de fles had een scheur in zijn cynisme geslagen, een barst waar een sprankje hoop doorheen sijpelde. Wim grinnikte, zijn vingers trommelend op het stuur, en dacht aan een nacht, jaren terug, die hem nog steeds een lach ontlokte, een moment van absurde vreugde dat zijn economische instincten op scherp had gezet en hem deed beseffen dat zelfs in de chaos van de nacht altijd een deal te sluiten viel.
Het was 1978, een zinderende nacht in een cafe aan de Falconrui, vlak na een optreden van een lokale punkband die meer enthousiasme dan talent had. De groep – Wim, Mark, Linda, Lorenzo, en Luca – was in een roes van goedkope pinten en wilde plannen, hun stemmen luid, hun energie onstuitbaar. Lorenzo, altijd degene met de gekste ideee n, had een plan bedacht. “Laten we een markt houden!” brulde hij, zijn ogen glinsterend terwijl hij op een tafel sprong, een lege fles als microfoon. “We ruilen alles wat we hebben, en wie de beste deal sluit, wint een rondje!”
Linda lachte, haar rode haar dansend in het schemerlicht. “Een markt? Met jouw rotzooi? Dat wordt een fiasco, anarchist!” zei ze, een pinda naar zijn hoofd gooiend. Mark gierde het uit, zijn arm om Luca heen. “Jij hebt alleen lege flessen en een slechte smaak, Lorenzo!” zei hij, en de groep barstte in lachen uit, hun stemmen de kroeg vullend.
Wim zat in een hoek, een grijns op zijn gezicht, terwijl hij Lorenzo’s plan met een economische blik bekeek. “Als je wint, Lorenzo, betaal je toch het rondje,” zei hij, zijn stem droog. “Dus wat is je winst, behalve een kater?”
Lorenzo keek hem aan, zijn ogen vernauwend, maar toen lachte hij. “Jij bent een slimmerik, Wim!” zei hij, en hij sprong van de tafel, zijn missie duidelijk.
De groep begon te ruilen, een chaotische markt van waardeloze spullen en wilde verhalen. Luca bood een halflege pakje sigaretten aan, zijn charme in
overdrive, en kreeg een versleten pet van een stamgast. Linda ruilde een zelfgemaakte armband voor een glas wijn, haar lach aanstekelijk. Wim, nooit de handelaar, bood een oude concertticket aan, en tot zijn verbazing kreeg hij een bijna volle fles Stella van een dronken kerel. “Voor de
nostalgie!” zei de man, en Wim keerde triomfantelijk terug, zijn grijns breed.
De nacht werd een economische circus, een dans van ruilhandel en list, en de groep eindigde met een tafel vol troep – petten, flessen, een kapotte zonnebril – en een rondje pinten, hun gelach luider dan de muziek. “We zijn geniee n!” brulde Lorenzo, zijn arm om Linda heen, terwijl Mark een toost uitbracht. “Op de punk-markt!” zei hij, en ze klonken, hun glazen botsend in een chaos van plezier.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde lichtheid, een echo van die nacht, en hij lachte zachtjes, zijn handen ontspannen op het stuur. De stad was vanavond zijn vriend, niet zijn vijand, en hij voelde zich, voor het eerst in jaren, niet alleen. Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na zijn ontslag uit de kliniek, toen hij een klant had opgepikt die zijn economische instincten op scherp had gezet. Het was een marktkoopman, een kleine man met een snor en een pet, die naar de haven moest. “Snel, chauffeur!” had hij geblaft, zijn stem scherp, maar Wim had kalm gereageerd, zijn ogen op de weg. “Snel kost extra, meneer,” had hij gezegd, een kwinkslag die hem een fooi van tweeduizend frank opleverde. “Jij bent een slimmerik,” had de man gezegd, zijn grijns breed, en Wim had gelachen, zijn hart licht van de kleine overwinning.
Hij stuurde de taxi naar de Groenplaats, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De motregen glinsterde op de kasseien, de neonlichten twinklend als sterren, en Wim voelde een zeldzame vreugde. Hij stak een nieuwe sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, een glimlach op zijn gezicht.
Een nieuwe klant verscheen, een jonge man met een skateboard en een rugzak, zijn stem bruisend van enthousiasme. “Naar de Paardenmarkt, alsjeblieft!” zei hij, terwijl hij op de achterbank plofte, zijn skateboard rammelend op de vloer. “En doe maar snel, ik heb een date die niet kan wachten!”
Wim grinnikte, zijn stemming nog steeds licht. “Een date om halfvier? Dat wordt een dure nacht, jongen,” zei hij, zijn ogen twinklend in de achteruitkijkspiegel, en de man – hij stelde zich voor als Tom – lachte, zijn rugzak op zijn schoot. “Geld is geen probleem, chauffeur! Deze meid is goud waard!” Hij begon te kletsen, zijn stem een melodie van anekdotes over zijn date, een barista die hem gratis koffie gaf, en een vriend die zijn spaargeld had vergokt op een fruitautomaat. “En weet je, die idioot dacht dat hij de jackpot ging winnen!” zei hij, zijn lach bruisend, en Wim lachte mee, zijn hoofdschuddend van ongeloof.
“Dat klinkt als een slechte investering,” zei hij, zijn economische blik aangescherpt. “Volgende keer beter een spaarrekening, Tom.” De jongen sloeg op zijn knie, zijn skateboard rammelend. “Oh, jij snapt het, chauffeur! Maar liefde is toch ook een investering, niet?” Wim voelde een warmte in zijn borst, een zeldzaam gevoel van verbondenheid.
Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na de marktkoopman, toen hij een klant had opgepikt die hem een les in economie had gegeven zonder het te weten. Het was een oude vrouw, een bloemenverkoopster met een gezicht als een landkaart, die naar de haven wilde. “Rustig aan, jongen,” had ze gezegd, haar stem vol verhalen over haar kraam. “Weet je, het geheim van een goede verkoop is niet het geld, maar het verhaal. Geef een klant een glimlach, en ze komen terug.” Wim had geluisterd, zijn hoofd knikkend, en toen ze uitstapte, had ze hem een roos uit haar tas gegeven. “Voor de weg,” zei ze, en Wim had gelachen, de roos nog steeds in zijn dashboardkastje als een talisman.
Terug in de taxi, terwijl Tom doorratelde over zijn date, voelde Wim diezelfde lichtheid. Hij zette hem af bij de Paardenmarkt, zijn skateboard onder zijn arm. “Je bent een topper, chauffeur!” zei hij, een briefje van duizend frank in zijn hand duwend. “Wens me geluk!” Wim lachte, een warme, bevrijdende lach, en zwaaide terwijl hij verdween in de nacht.
Hij reed verder, de stad pulseerend om hem heen, de motregen een zachte omhelzing. Hij dacht aan een nacht, een paar maanden na de
bloemenverkoopster, toen hij een groep vrienden had opgepikt na een feest in de Brouwersvliet. Ze waren dronken, luidruchtig, en hadden een oude
radio bij zich, die ze prompt in de taxi aanzetten. “I Wanna Be Sedated!” hadden ze gebruld, hun stemmen vals maar bruisend, en Wim had meegelachen, zijn hoofd schuddend terwijl ze hem probeerden mee te krijgen. “Kom op, chauffeur, zing mee!” had een meisje met een hanenkam geschreeuwd, en Wim had geweigerd, maar zijn grijns was breder dan ooit. Ze hadden hem een fooi van kleingeld gegeven – “Alles wat we hebben!” – en waren lachend uitgestapt, hun stemmen echoe nd door de straat.
De herinnering bracht een glimlach op zijn gezicht, en hij voelde een zeldzame vreugde, een besef dat de nacht, ondanks zijn eenzaamheid, altijd iets te bieden had. Hij stuurde de taxi naar de Stadswaag, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De stad glinsterde, de sterren nu duidelijker door de dunner wordende wolken, en Wim voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de vrolijke sfeer doorsneed. “Taxi 214, klant aan de Lange Nieuwstraat, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Lange Nieuwstraat – de plek van het kraakpand, van Linda’s overdosis, van alles wat hij dacht begraven te hebben. Hij drukte de knop in, zijn stem vlak maar zijn hart bonzend. “Begrepen,” zei hij, en hij stuurde de taxi richting de Lange Nieuwstraat, de nacht plots zwaarder, maar nog steeds doorspekt met een sprankje hoop.
In de verte zag hij een figuur staan, een man, zijn silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Hij droeg een versleten leren jack, zijn haar kort en grijs, een sigaret in zijn hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Mark? Lorenzo? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? De man keek op, zijn ogen vangend in de koplampen, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als uitdagend was, stak hij zijn sigaret in de lucht, een gebaar zo typisch punk dat het Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij lachte, een warme, bevrijdende lach, terwijl de man naar hem toe liep, zijn glimlach een belofte van een nacht die alles kon veranderen.
Hoofdstuk 9: Het Weerzien
Wim’s lach verstomde in de taxi terwijl hij de Lange Nieuwstraat achter zich liet, de man met het leren jack een schim in de motregen. Die vertrouwde glimlach, de sigaret in de lucht als een punkgroet, had hem teruggeslingerd naar de nachten van chaos en kameraadschap, toen Mark zijn rots was, altijd klaar om hem op te vangen. Was het Mark? Lorenzo? Of een nieuwe ziel, een klant met een verhaal dat zijn nacht zou opschudden? Hij wist het niet, maar de ontmoeting had een rauwe wond opengereten, een confrontatie met een verleden dat hij dacht begraven te hebben. De motregen glinsterde op de kasseien, de stad pulseerde met een zachte maar dreigende energie, en Wim stuurde de taxi richting het Sint-Jansplein, zijn vaste toevlucht, met een bonzend hart en een hoofd vol herinneringen.
Hij parkeerde, de motor snorrend als een onrustige vriend, en leunde achterover, zijn ogen op de natte straten waar de neonlichten van een cafe rood en blauw dansten. De ontmoeting met Mark eerder, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, Magda’s Elvis-buurman, de vrouw met de gitaar, de man met de fles, en nu deze man – de stad leek hem vanavond te tarten, hem te dwingen in de spiegel van zijn verleden te kijken. Hij grinnikte wrang, zijn vingers knijpend in het stuur, en dacht aan hoe Erik, zijn pessimistische collega, hem zou uitlachen voor deze plotselinge sentimentaliteit. “Een vent met een sigaret? Dat wordt een gevecht, Wim!” zou hij brommen, zijn Zuid-Afrikaanse melancholie doorspekt met een zure grijns. Maar vanavond voelde Wim anders, rauw en blootgesteld, alsof de stad hem dwong zijn eigen waarde te berekenen – niet alleen als taxichauffeur, maar als een man die de kosten en baten van zijn eenzaamheid telde, een econoom van zijn eigen gebroken hart.
De regen was inmiddels tot een zachte motregen verworden. Af en toe schemerde er een ster door de wolkenslierten, die als schimmen achter elkaar aangejaagd werden door een wind die nergens naartoe leek te willen. Sinds de schepping van de mensheid ging het zo: geboorte, groei, voortplanting, verval en uiteindelijk verdwijnen van al wat was. Zelfs na het einde van de mens – de aarde bleef haar eigen ritme volgen.
Wim miste de dag. Hij werkte al jaren nachtdiensten en vergat soms hoe ‘normale’ mensen leefden: opstaan, koffie, kinderen naar school, werk, kerk, ontbijt op zondag. Zij leefden van vaste rituelen, binnen net afgebakende muren van burgerlijke plichtpleging. Hij had zelden licht gezien dat niet door nat straatlawaai werd overstemd. Daglicht leek voor hem een verouderd sprookje.
Hij herinnerde zich hoe hij vroeger zijn vrije dagen gebruikte: ploeteren door de felle zon, proberen wakker blijven tot het avond werd. Als hij erin slaagde, voelde hij zich een held—alsof hij eindelijk had bewezen dat hij ook ‘een mens’ was. Maar de wereld keek anders: hij was een taxichauffeur, een nachtdier, een vluchteling uit het dagritme.
Hij keek op de klok: het was vier uur. Nog twee uurtjes, en hij kon opnieuw vergeten waar hij de afgelopen uren in had rondgereden.
“Was ik dat miezerige mannetje op het Sint-Jansplein niet tegengekomen,” dacht hij, “dan had ik morgen tenminste iets te vertellen voor het afrekenen. Dan zou Erik niet weer die eeuwenoude klacht lopen uitwringen over die verre rit die hij nï e t had gekregen.”
“Niet gemotiveerd, niet flexibel genoeg,” had men hem ooit toegebeten toen hij na een dagbaan we e r niet op tijd op zijn werk verscheen. “De job ligt jou duidelijk niet,” had een vakbondsafgevaardigde hem na zijn ontslag onaangedaan toegeroepen.
Wim had hen allebei verstaan, al voelde het als messensteken: dom, lui, zonder ambitie. Maar hij wilde vragen: heb jij ooit twee balken achter elkaar gemaakt? Wist jij hoe zwaar het is in je eentje urenlang met een stuur in je hand te turen naar mensen die alles zullen vergeten zodra ze uitstappen?
Hij zweeg altijd en probeerde zich overal doorheen te slaan, net als nu. Hij had gewerkt als interimmer in fabrieken, als koerier, zelfs eens als arbeider in de haven—elke keer vroegen ze zich na een paar dagen af: “Waaro m doe jij dit nog?”
Na vijf jaar nachtritten kende hij de stad intussen beter dan zijn eigen woonwijk. Elke steeg, elk cafe , zelfs de steegjes met gesloten bordjes: hij kon blindelings van het ene naar het andere adres rijden.
Hij nam een slok thermoskoffie en liet zijn blik dwalen over lege straten. Het was een troosteloze schoonheid: het moment vlak voor zonsopgang, wanneer alles hunkerend wacht op het eerste rode schijnsel.
Hij vroeg zich af of Erik daar ook zo naar keek, of hij liever in het daglicht leefde.
“Wim,” zei Erik ooit in het clubhuis, “pessimisme is een noodzakelijk kwaad. Hoe meer ze je belazeren, hoe meer je be nt.” En Erik keek hem aan met die vermoeide Zuid-Afrikaanse melacholie: “Dat heb ik van mijn ex geleerd. Niets is zeker, behalve teleurstelling.”
Wim had erin meegeleefd, zichzelf ongemerkt in die sombere filosofie gekleed. Hij herkende erin zijn eigen koude zekerheid: elke klant was een misleiding, elk vriendelijk woord een schijnvertoning.
Hij sloot de ogen en herinnerde zich een nacht, jaren terug, waarin hij een elegante dame naar de luchthaven bracht en zij hem een flard begrip schonk. Ze zei: “U begrijpt me, he , meneer?” Hij had geantwoord: “Vaker dan u denkt, mevrouw.” En voor het eerst voelde hij zich minder een slaaf van zijn eigen eenzaamheid.
Maar de volgende avond was ze plots vergeten, net als zovelen.
Het wolkendek was dichtgetrokken, de regen kwam weer naar beneden. Wim draaide de verwarming iets hoger en legde zijn handen tegen het warme stuur. Hij dacht: als er nï emand naar mij omzag, als ik alleen maar een radertje was in een carrousel van vertier… was dat dan zijn eigen schuld?
Hij wist: de meesten kozen hieruit enkel uit pure noodzaak. Schulden, faillissement, scheiding—ze vormden hem tot wat hij nu was. Zelf geen schone lei, toch min of meer gespaard van de ellende van anderen.
Het besef voelde bitterzoet: hij was een lachend slachtoffer, te laf om te veranderen, te vermoeid om te vluchten.
Hij schudde zijn hoofd en zuchtte: “Ik ben geen held, ik ben geen droomjager. Ik ben Wim de taxichauffeur.”
Toch greep hij in zijn hart naar de laatste restjes hoop. De nacht zou verdwijnen, de daglichtsplijting komen, maar vanochtend, nog een keer, zou hij de stad bewaken. Want misschien, heel misschien, zou er iemand instappen die we l luisterde.
En dan, dacht hij, was dat goed genoeg.
Wim knipperde met zijn ogen. De straatlampen waren inmiddels gedoofd; het grijze licht van de vroege ochtend had de nacht ongemerkt verdreven. Hij besefte dat hij de taxi had stilgezet langs de kant van de weg, ergens aan de rand van het stadscentrum. De motor bromde nog zacht. Hij wreef over zijn gezicht. Tranige ogen, een droge mond. De stortvloed aan herinneringen voelde als een moker die net had toegeslagen. Hij ademde diep in en uit, probeerde zijn hartslag te kalmeren.
Voor hem lag een stille laan met bomen die spookachtig ontdaan van bladeren tegen de hemel afstaken. Vogels begonnen aarzelend te tjilpen. De stad was aan het ontwaken. Zijn nacht zat er bijna op. Nog even volhouden.
Wim keek op de klok op het dashboard: 5:20. Misschien kreeg hij nog een laatste rit, misschien ook niet. Hij besloot richting de standplaats bij het station te rijden om van daaruit zijn dienst te bee indigen. De straten vulden zich mondjesmaat met leven: een vroege bakker die zijn rolluik opende, een vuilniswagen in de verte, een jogger ingeduffeld tegen de kou. Het alledaagse keerde terug, of Wim daar klaar voor was of niet.
Hij draaide de taxi behendig een zijstraat in, een bekende route naar het station. Terwijl hij langs een rijtje cafe s reed die net gesloten waren, zag hij een man op de stoep staan zwaaien. Wim remde automatisch af en stopte.
De man boog naar het passagiersraam en Wim draaide het raam omlaag. “Ben je vrij?” klonk het.
“Jazeker,” antwoordde Wim. Hij opende de achterdeur met een knop. De man stapte in en noemde een adres aan de rand van de stad, in Merksem. “Zo, laatste klant van de nacht zeker,” zei de man met een vermoeid lachje terwijl hij zich neerzette.
Wim verstarde. Die stem. Hij draaide zich half om op zijn stoel en keek naar de passagier. In het bleke ochtendlicht herkende hij de groeven rond de ogen, de mondhoek met dat kleine littekentje. Het was Mark. Ouder, kaler bij de slapen misschien en een stoppelbaard, maar onmiskenbaar Mark.
Beiden staarden ze elkaar een seconde sprakeloos aan.
“Wim?” vroeg Mark ongelooflijk, zijn ogen groot. “Godver… Ben jij het echt?”
Wim’s mond was droog. Hij slikte. “Hoi Mark,” kreeg hij eruit, bijna fluisterend. Een vreemde gewaarwording trok door hem heen – een mengeling van schaamte en een sprankje blijdschap. Hij had hier zo vaak over gefantaseerd, over wat hij zou doen als hij ooit nog iemand uit die tijd zou tegenkomen. Nu het werkelijk gebeurde, wist hij het niet.
Mark glimlachte onwennig. “Nou zeg… Jeetje, hoe lang is het wel niet geleden?” Zijn stem was zachter dan eerder, voorzichtig aftastend.
Wim keerde zijn blik weer naar voren en gaf gas. Hij voelde zich blootgesteld nu Mark hem zo herkende, alsof zijn verleden ineens levend naast hem zat. “Lang,” antwoordde hij kort. “Jaren.”
Even was het stil. Mark leunde iets naar voren. “Ik had gehoord dat je taxi reed, maar je echt treffen…” Hij schudde zijn hoofd in verwondering. “Ik kwam net van werk – sta in ’t cafe hier als uitbater – en ik dacht ik neem een taxi naar huis, hoef ik die laatste tram niet te doen. En dan stap ik zomaar bij jou in.” Hij lachte zacht, maar een tikkeltje nerveus.
Wim voelde zijn handen zweten op het stuur. De wereld voelde onwerkelijk. Hij wist niet wat te zeggen. “Werk je in dat cafe ?” vroeg hij maar, om iets te zeggen.
“Ja,” zei Mark. “Sinds een paar jaar. ’ T is kleinschalig, beetje muziek, geen gekke dingen meer.” Hij zweeg even. “Hoe is het met jou?” vroeg hij toen voorzichtig.
Wim zocht naar een neutraal antwoord. “Rustig,” zei hij uiteindelijk. “Ik hou me bezig.” Hij realiseerde zich hoe leeg het klonk, maar hij kon niet anders.
Mark knikte, hun reflecties zichtbaar in de achteruitkijkspiegel. “Ik snap het.” Hij keek uit het raam, alsof hij zijn woorden zorgvuldig koos. “We hebben je gemist, weet je,” zei hij zacht. “Na alles… je verdween gewoon.
Niemand wist waar je was.”
Wim voelde een steek in zijn borst. Hij hield zijn ogen op de weg, maar zijn gedachten tolden. “Het moest zo,” murmelde hij. “Ik moest weg.”
Achter hem zuchtte Mark. “Ik begrijp het. Het was een rotzooi, toen.” Hij pauzeerde. “Linda heeft het gered, wist je dat? Ze is clean gebleven na die kliniek. Woont nu in Gent, twee kindjes zelfs.” Er klonk een gelukkige toon als hij dat zei.
Wim slikte. Beelden van Linda schoten door zijn hoofd, levend en wel, iets wat hij zich jarenlang niet had durven voorstellen. “Ik… wist het niet zeker,” zei hij schor.
“Ik heb haar nog eens ontmoet, paar jaar terug,” vervolgde Mark. “Toevallig.
Ze vroeg ook naar jou. Maar ja, ik kon niks vertellen. Je was onvindbaar.”
Ze vroeg naar mij? Die woorden dreunden in Wim’s hoofd. Hij wist niet wat hij ermee moest. “Goed dat het haar beter gaat,” kreeg hij er moeizaam uit.
“Ja,” antwoordde Mark. “En Lorenzo, die woont in Amsterdam nu. Doet iets in de kunstscene. Luca… tja, geen idee, die is echt van de radar.”
Wim hoorde de namen alsof ze uit een oude film kwamen. Het deed hem ergens goed te weten dat enkelen hun leven op de rails hadden gekregen. En toch voelde hij zich verder weg dan ooit van hen. Hij was de enige die hier in deze stad was achtergebleven, zo leek het.
Ze naderden Merksem. De lucht kleurde oranje roze aan de horizon. Mark boog zich weer iets naar voren. “Weet je, Wim…” begon hij aarzelend. “Ik werk dus in dat cafe , ‘De Noot’. Misschien kun je eens langskomen? Gewoon… praten. Zou fijn zijn om bij te kletsen. Het is zo bizar je nu weer te zien.” Zijn stem klonk oprecht hoopvol.
Wim’s kaken verklemden. Een deel van hem wilde zeggen ja, om Mark niet teleur te stellen, om misschien zelf ook een stukje menselijk contact toe te laten. Maar een ander, groter deel werd overspoeld door angst en wantrouwen. Hij had zijn hart zo stevig ingepakt al die jaren; kon hij het zich veroorloven het nu te laten ontdooien, zelfs maar een beetje?
“Ik weet het niet, Mark,” zei Wim zacht terwijl hij de straat van het opgegeven adres inreed. “Ik… ik ben niet zo van het afspreken.”
Een stilte. Toen knikte Mark langzaam. “Is goed,” zei hij met merkbare teleurstelling. “Ik zal niet pushen.”
Wim parkeerde voor het kleine rijtjeshuis dat Mark had aangeduid. De motor pruttelde even na toen hij hem uitzette. Beiden bleven ze een moment stilzitten.
Mark haalde zijn portemonnee tevoorschijn en viste er wat briefgeld uit. Hij twijfelde, legde toen een biljet van vijftig voor op de middenconsole. “Hier, dat dekt het wel.” De ritprijs was maar iets van dertig, dus het was ruim.
“Wacht, ik heb wisselgeld—” begon Wim terwijl hij naar zijn geldbakje reikte.
“Laat maar,” onderbrak Mark zacht. “Zie het als… een kleine steun.” Hij glimlachte droef. “Voor een oude vriend.”
Wim staarde naar het geld en toen naar Mark. Hun blikken kruisten elkaar via de spiegel. In Mark’s ogen blonken tranen die hij probeerde te onderdrukken met een geforceerde lach. “Het was goed je te zien, Wim,” zei hij schor. “Ook al is het zo.”
Wim opende zijn mond, zocht naar iets betekenisvols om te zeggen, iets dat rechtdeed aan al wat ze samen hadden meegemaakt en aan de kloof die hijzelf had gecree erd. Maar er kwam niets. Uiteindelijk knikte hij alleen maar. “Jij ook, Mark.” Zijn stem kraakte. “Pas goed op jezelf.”
Mark opende de deur en stapte uit. Hij bleef nog even gebukt staan bij het portier. “Moest je ooit… nou ja, je weet me te vinden. Elke avond in De Noot.” Hij tikte twee vingers tegen het dak als groet. “Hou je taai, ouwe.”
Voordat Wim kon antwoorden, sloot Mark de deur. Hij liep met langzame passen naar zijn voordeur, draaide zich eenmaal om met een zwakke glimlach en hief zijn hand, toen verdween hij naar binnen.
Wim bleef achter met een bonkend hart. Hij voelde het branden achter zijn ogen, maar hij slikte de emotie weg. Op de middenconsole lag het briefje van vijftig als een pijnlijk symbool. Hij pakte het op en klemde het even in zijn vuist. Hij dacht aan hun jonge zelf, toen geld nooit tussen hen had gespeeld; aan Mark die hem altijd had opgevangen, en hoe hij Mark nu niet toeliet hem weer op te vangen.
Wim schudde het laatste restje slaperigheid van zich af en legde beide handen om het stuur. De frisse ochtendkou deed de vermoeidheid van de nacht in enkele seconden verdwijnen. De regen was opgehouden en een smalle streep daglicht drong door het beschimmelde raam naar binnen.
“Wim, 58, standplaats Sint-Jan – Pollepelstraat,” klonk het door de CB.
Hij knikte terwijl hij de versnellingspook in de eerste versnelling zette. “Op weg, Jeannine,” antwoordde hij. De dispatch was de afgelopen weken kortaf geweest, maar een compliment aan het eind van de dag leverde altijd extra voldoening op.
Bij de hoek van de Reynderslei stond de eerste klant al te wiebelen: een jonge vrouw in een verfrommelde regenjas, haar koffer half in de achterbak. Zij stapte in en sprak vastberaden: “Centraal Station, alstublieft.”
Wim startte de motor en reed de lus van het stationsplein in. In de binnenspiegel ving hij haar blik op. “Fijn dat u mij nog haalt, de bus liet me net staan.”
Hij beantwoorde haar glimlach. “Werkzaamheden aan de sporen, zeggen ze. Bekend probleem rond deze tijd.”
Ze haalde haar kaartje tevoorschijn. “Uw taxi is in ieder geval droog.” Hij knikte alleen maar en concentreerde zich op de natte straatstenen.
Een blik op de klok boven de perrons leerde hem dat het negen uur naderde. Zijn ochtendshift was bijna voorbij.
Bij het stadhuis stapte de volgende passagier in: een oudere zakenman met een piratenhoed–een te dure aktetas in de ene hand, een dunne das in de andere.
“Sint-Paulusplaats, dankuwel,” zei de man zonder op te kijken.
Wim schakelde een tandje lager. “Wilt u koffie? De thermoskan is net bijgevuld.”
De zakenman keek hem verrast aan. “Doe maar een espresso. En rijdt alstublieft wat rustiger; mijn boekhouder moet dit nog zien.”
Wim glimlachte en paste zijn rijstijl aan. Voorzichtig gleed de taxi door de bochten, zacht wiegend op de natte straat.
Bij een rood verkeerslicht greep Wim opnieuw de CB-knop. “Dispatcher, Wim hier. Nog werk vandaag?”
“Nee, Wim. Rustdag verder. Prima service gisteravond.”
Zijn mondhoeken trokken omhoog. In stilte genoot hij van de zeldzame waardering.
De zakenman stapte uit met een beleefde buiging, overhandigde het geld door het open raam en stamelde: “Bedankt voor de veilige rit.”
Toen de deur sloot, voelde Wim het ontwaken van de stad. Bedekt met een dun glansje regen dromde het ochtendlicht over de kasseien en weerspiegelde de hoop op nieuwe ontmoetingen.
Hij stelde zijn spiegel bij, haalde diep adem en concentreerde zich op de avond die zou komen. De ritten wachtten, net als de verhalen van vreemden in het rode licht van Sint-Jansplein. Klaar voor het volgende hoofdstuk in zijn Taxikroniek.
Maar de ontmoeting met Mark bleef als een splinter in zijn gedachten, rauw en pijnlijk. Wim voelde de vijftig frank in zijn zak branden, een symbool van hun gebroken band en zijn eigen onvermogen om de kloof te overbruggen. Hij dacht aan een nacht, jaren terug, die hem nog steeds achtervolgde, een moment van rauwe confrontatie dat zijn economische scherpzinnigheid en zijn band met Mark op scherp had gezet.
Het was 1980, een koude winteravond in een kraakpand aan de rand van Borgerhout, vlak voor alles uit elkaar viel. De groep was uitgedund – Linda was al weg, Lorenzo half verdwenen – en Wim, Mark, en Luca zaten in een schemerige kamer, een kaars flakkerend op een krat. Ze waren broke, zoals altijd, en Luca had een plan bedacht om geld te scoren. “We gaan naar de haven,” zei hij, zijn ogen wild. “Er ligt een lading sigaretten in een loods, slecht bewaakt. We pikken een paar dozen, verkopen ze, en we eten een week!”
Mark had zijn hoofd geschud, zijn kaak strak. “Dat is vragen om problemen, Luca,” zei hij, zijn stem laag. “We zijn punks, geen dieven.”
Luca lachte, een scherp, bitter geluid. “Oh, en wat zijn we dan? Hongerige idioten die dromen van revolutie? Kom op, Mark, we hebben niks!” Hij keek naar Wim, zoekend naar steun. “Jij bent toch mee, Wim? Jij snapt het, toch?”
Wim voelde zijn maag draaien. Hij wist dat Luca’s plan stom was, maar de honger knaagde, en de kou nog meer. Hij keek naar Mark, zijn ogen smekend om een uitweg, maar Mark’s blik was hard. “Als je dit doet, Wim, ben je alleen,” zei hij, zijn stem koud. “Ik doe niet mee.”
De woorden sneden door Wim heen, een rauwe confrontatie met zijn eigen zwakte. Hij wilde Mark’s goedkeuring, maar hij wilde ook eten, warmte, iets om de leegte te vullen. “Misschien heeft Luca gelijk,” mompelde hij, zijn stem zwak, en Mark’s ogen vernauwden, een mix van woede en teleurstelling.
De nacht eindigde in een fiasco. Luca en Wim slopen naar de haven, hun harten bonzend, maar de loods was beter bewaakt dan gedacht. Een bewaker met een zaklamp joeg hen weg, en ze renden, hun adem wolkjes vormend in de koude lucht, hun plan in duigen. Terug in het kraakpand zat Mark alleen, zijn ogen op de grond. “Was het het waard?” vroeg hij, zijn stem vlak, en Wim voelde een schaamte die zwaarder was dan de honger.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde schaamte, rauw en onontkoombaar. Hij keek naar het briefje van vijftig, dacht aan Mark’s aanbod, en voelde een steek van spijt. Hij had Mark toen laten vallen, en nu deed hij het weer, te bang om de kosten van vriendschap te dragen. Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na zijn ontslag uit de kliniek, toen hij een klant had opgepikt die hem een les in rauwe realiteit had gegeven. Het was een jonge vrouw, een prostituee met een harde blik en een stem als schuurpapier, die naar de Schipperskwartier wilde. “Snel, chauffeur,” had ze gesnauwd, haar ogen op haar telefoon. Wim had gereden, zijn blik op de weg, maar haar stem brak toen ze begon te praten. “Weet je, iedereen denkt dat ik dit wil, maar het is overleven,” zei ze, haar stem rauw. “Jij snapt dat toch, he ? Jij bent ook een nachtmens.”
Wim had geknikt, zijn keel droog. “Ja,” had hij gezegd, en toen ze uitstapte, had ze hem een fooi van vijfhonderd frank gegeven, haar ogen glinsterend. “Voor een nachtmens,” zei ze, en Wim had de fooi aangenomen, zijn hart zwaar van haar woorden.
Hij stuurde de taxi naar de Paardenmarkt, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De motregen glinsterde op de kasseien, de stad ontwakend in een grijs licht, en Wim voelde een rauwe vastberadenheid. Hij stak een nieuwe sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, zijn gedachten nog bij Mark.
Een nieuwe klant verscheen, een man met een versleten jas en een gezicht vol littekens, zijn stem schor van drank. “Naar de haven, vriend,” zei hij, terwijl hij op de achterbank plofte, een fles in zijn hand. “En geen gezeik, oke ?” Wim voelde een koude rilling, maar zijn economische instinct nam over. “Geen gezeik als je betaalt,” zei hij, zijn stem droog, en de man lachte, een rauw geluid. “Jij bent een slimmerik, he ?” zei hij, en hij begon te praten, zijn stem een litanie van verloren banen, gebroken dromen, en een vrouw die hem had verlaten. Wim luisterde, zijn ogen op de weg, zijn hart zwaar maar alert.
Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na de prostituee, toen hij een klant had opgepikt die hem een rauwe les in overleven had gegeven. Het was een oude man, een dokwerker met handen als schuurpapier, die naar de haven wilde. “Rustig, jongen,” had hij gezegd, zijn stem vol verhalen over stakingen en strijd. “Weet je, het leven is een deal: je geeft alles, en je krijgt niks terug. Maar je blijft vechten.” Wim had geluisterd, zijn hoofd knikkend, en toen de man uitstapte, had hij hem een munt van honderd frank gegeven. “Voor de strijd,” zei hij, en Wim had de munt aangenomen, zijn hart zwaar van de waarheid.
Terug in de taxi, terwijl de man met de fles doorratelde, voelde Wim diezelfde rauwe waarheid. Hij zette hem af bij de haven, zijn fooi een verkreukeld briefje van vijfhonderd frank. “Je bent oke , vriend,” zei de man, zijn stem schor, en Wim knikte, een wrange glimlach op zijn gezicht.
Hij reed verder, de stad ontwakend om hem heen, de motregen een zachte herinnering aan de nacht. Hij dacht aan een nacht, een paar maanden na de dokwerker, toen hij een groep jongeren had opgepikt na een feest in de Seefhoek. Ze waren dronken, hun stemmen rauw, en ze hadden een gitaar bij zich, die ze in de taxi bespeelden. “Anarchy in the UK!” hadden ze geschreeuwd, hun stemmen een echo van zijn jeugd, en Wim had gelachen, zijn hoofd schuddend terwijl ze hem probeerden mee te krijgen. “Kom op, chauffeur, zing mee!” had een jongen met een leren jack geschreeuwd, en Wim had geweigerd, maar zijn grijns was breder dan ooit. Ze hadden hem een fooi van kleingeld gegeven – “Alles wat we hebben!” – en waren lachend uitgestapt, hun stemmen echoe nd door de straat.
De herinnering bracht een wrange glimlach op zijn gezicht, en hij voelde een rauwe vastberadenheid, een besef dat de nacht, ondanks zijn pijn, altijd iets te bieden had. Hij stuurde de taxi naar de Stadswaag, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De stad glinsterde, het ochtendlicht snijdend door de wolken, en Wim voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters, maar ook een man die de kosten van zijn keuzes telde.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de rauwe stilte doorsneed. “Taxi 214, klant aan de Brouwersvliet, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Brouwersvliet – de plek waar hij Mark ooit had ontmoet, waar alles begon. Hij drukte de knop in, zijn stem vlak maar zijn hart bonzend. “Begrepen,” zei hij, en hij stuurde de taxi richting de Brouwersvliet, de nacht vervagend in het ochtendlicht, maar nog steeds zwaar van herinneringen.
In de verte zag hij een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten regenjas, haar haar lang en nat, een sigaret in haar hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Linda? Sara? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? Ze keek op, haar ogen vangend in de koplampen, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als uitdagend was, stak ze haar sigaret in de lucht, een gebaar dat Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij voelde een rauwe lach opborrelen, terwijl de vrouw naar hem toe liep, haar glimlach een belofte van een nacht die alles kon veranderen.
Conflict
Wim’s bazen waren een stelletje gefrustreerde bureaucraten die niets anders deden dan elkaar de loef afsteken om in een mooi blaadje te komen bij de grote baas, die zich van al hun doen of laten niets aantrok. Hij had zich gespecialiseerd in het tegen elkaar opzetten van al die bedienden die er zonder nadenken intrapten. Het leidde tot compleet onlogische en absurde situaties. De slachtoffers daarvan waren de chauffeurs, arbeiders, die het gelaten aanvaarden van alle onzinnige controles en regeltjes die om de haverklap veranderden, afhankelijk van het humeur van de man in kwestie, of zelfs van de persoon die hen te spreken kreeg.
Wim vergeleek het altijd met een loopgravenoorlog: niemand wilde verantwoordelijkheid nemen, maar iedereen deed zijn uiterste best om op te vallen zodat de grote baas de indruk kreeg dat men de hopeloze situatie wilde keren. Tevergeefs. De ene bediende controleerde of de asbakken wel geledigd waren, de andere keek onder de voetmatten om te zien of er gestofzuigd was, weer een ander controleerde de bandenspanning. Het was een uiterst ongezonde situatie waar niets aan gedaan werd. Alles zat verzuild in tradities, zodat de minste opmerking tegen dit systeem een regelrechte orkaan teweegbracht. De discussies woeiden fel, maar er brak zelden iets af.
Het was een ziekte des tijds. Vakbonden werkten volgens hun eigen tradities, bazen volgens de hunne, en de regering volgens haarne. De enige slachtoffers waren de arbeiders, die niet meer wisten van welke kant ze nog lafenis konden verwachten. Zij roeiden maar voort met de riemen die ze hadden en waren al blij wanneer hun loon eind van de maand op de rekening stond. Dat ze virtueel geen stem meer hadden, namen ze erbij. Beslissingen werden van bovenaf genomen zonder inspraak van de werkers, of die nu van de bonden kwamen of van de bazen. Het was een voortdurende patstelling, de storm woedde hevig en hun hoofden werden dagelijks troebeler. Een oplossing leek verder weg dan ooit.
Toch genoot Wim als taxichauffeur genoeg vrijheden. Wanneer de stress en hopeloze situaties hem te veel werden, kon hij altijd een uurtje stoom afblazen met een kopje koffie en alles vergeten. Voor de meeste werkende mensen was dat ondenkbaar: zomaar een uur vrij nemen wanneer het hen te veel werd. In dat opzicht had hij weinig last van zijn bazen, want de ellende begon en eindigde bij de klachten.
Het ergste vond hij wanneer een klant telefonisch een klacht formuleerde. Ze speelden verstoppertje: de dispatcher noteerde een beschuldiging als “Deur geslagen, klant uitgescholden, avances gemaakt bij een dame van 83, dronken gereden, dubbel gereden, zonder meter gereden, vijftig frank te veel gevraagd, geen wisselgeld…” Het ging eindeloos door. Wim wist dat hij niets gedaan had, maar zodra die nota lag, kookte zijn bloed. Onstuitbaar. Het spuwde hem bijna uit de mondhoeken. Zijn ogen liepen rood aan en zijn vuisten balden zich tot hamers.
“Wat in godsnaam…” dacht hij dan. Hij wist niet eens hoe het mevrouwtje eruitzag, en zou haar nooit zo hebben behandeld. Toch stond hij tegenover Maurice, zijn baas, die hem met leedvermaak aankeek. Maurice had hem in de tang, ook al wist hij net zo goed als Wim dat het fantasiën van de klant waren. Maar rapport op rapport stapelde zich op zonder dat er ooit iets gebeurde. De stok waarmee Maurice kon slagen werd dikker, en Wim werd onzichtbaarder. Dat was de loopgravenoorlog: tussen klant en bureau, tussen geloofwaardigheid en negatief gerucht.
Solidariteit bestond niet meer. Wim stond steeds meer alleen en voelde de strop strakker om zijn nek. Het enige wat hij kon doen, was vaste klanten vinden die enkel met hem wilden rijden: een select kringetje waarmee hij heel België en Nederland afschuimde. De jaloezie bij collega’s groeide, maar op het bureau werd er minder gerept over slechte rapporten. Toch wist hij dat zodra het dossier weer boven kwam, de wonde net zo diep zou zijn als ooit tevoren. Maurice woog enkel de dikte van het dossier, niet de inhoud.
Maurice was een zielig man, jarenlang gescheiden, zijn werk als tweede echtgenote beschouwend. Net als Wim kende hij de eenzaamheid en hechtte hij zich aan mensen in de nacht. De firma was soms mooi, soms afgrijselijk zelfzuchtig, maar altijd genereus. Die ene waardering, dat kleine lof, gaf betekenis en hoop. Maurice nam weinig kwalijk, zolang de baas niets hoorde bleef het bij waarschuwingen.
De firma verloor door de jaren heen krediet, gevolg van een te fel beschermd arbeidersstatuut. Klanten wilden koppen zien rollen, wilden hun gelijk halen. Als ze een negatieve ervaring hadden, lieten ze het afweten of scholden ze de taxi uit. Blinde woede was één van de grootste gevaren voor een chauffeur. Wim had geleerd een luisterend oor te bieden, zich onderdanig op te stellen, alsof hij een roofdier was dat in het gras rolde voor zijn tegenstander. Desondanks kon hij, als het moest, vechten als een leeuw. Zijn laatste nederlaag was een kopstoot van een invalide, een afstraffing voor zijn dronken toestand. Gelukkig droeg hij nooit een wapen.
Maurice was een faire opponent, een baas waarop hij kon bouwen. Ook al was hij slechts de eerste na God, hij volgde bevelen net als Wim. Van de grote baas had hij nooit hoogte gehad; het was een mysterie hoe iemand in enkele decennia een fortuin opbouwde. Als taxichauffeur vervoerde Wim regelmatig elitaire klanten en zag hij dagelijks de contrasten: macht en rijkdom aan de ene kant, hijzelf een man zonder betekenis, een “vijg” met niets dan zijn zweet om trots op te zijn.
De taak van Wim was iedereen in zijn waan te laten. Emotioneel was hij gestorven: een zondaar die heil zag in zonde en verloedering. Maurice was zijn icoon, een god van vlees en bloed, heilig en vergevend. Hij gaf betekenis aan alles: ruimte, lucht, wolken, regen, nacht, sterren. Dankzij Maurice vergat Wim waarom tycoons bestaansrecht hadden en waarom de wereld niet om hem draaide.
Zijn krediet bij Maurice liep op de eind. Zijn oprispingen van solidariteit met collega’s speelden hem parten. Hij had te veel nieuwsgierigheid, pulkte soms geheimen los die hij als pasmunt gebruikte. Collega’s voelden zich bedreigd; Maurice zag zijn vergevingsgezindheid dwarsbomen door Wim’s enthousiaste zinspelingen. Zo ontstond psychologische oorlogsvoering: controles op asbakken, voetmatten, navraag bij telefonisten.
Wim deed zijn best om niet te veel toe te geven aan zijn nieuwsgierigheid. Hij moest steeds de grens trekken tussen wat normaal was en wat grensde aan brutaliteit. Soms vroeg hij zich af of hij grensde aan de spotlust van mensen, maar hij kon niet anders: hij wilde alles weten.
Collega’s hadden verschillende uren om te beginnen en te stoppen, wat leidde tot hoogoplopende discussies bij de afrekening: wie had de mooie rit naar Parijs of Schiphol gekregen? Sommigen vermoeden vriendjesdiensten of smeergeld, maar bewijzen waren zeldzaam. Wim zweeg wijselijk over zijn eigen perioden van succes; hij wist dat geluk en pech elkaar afwisselden.
In magere dagen worstelde hij met zinloosheid, leegte en stilte die wurgend aanvoelden. Bijgeloof gaf hem houvast: extra traag of juist extra snel rijden, een stil gebed tot God voor die ene rit. Soms bracht het resultaat. Maar crisis maakte begerig en wrevelig: klanten werden zedeloos en psychopatisch dronken, terwijl Wim bloednuchter bleef en rijker zijn weg vervolgde. Dat wekte schuldgevoel en bewondering op voor cafébazen, die als enige profijt haalden uit de ellende van anderen.
Slavernij bestond nog steeds in de stad: cafébazen eisten overlevingsminimum in ruil voor onderdak en drank. De stad kende geen medelijden met onderdanen: egoïstische wetten, slavernij, onredelijke eisen. Wim voelde zich uitgezogen, een vetzwijn waar anderen aan verdienden, zonder dat hij kon ontsnappen.
Bijgeloof was onontkoombaar: rituelen om geluk af te dwingen, kaarsen branden voor gunsten van de goden. Ook al stond het leven vol onrecht, Wim zocht
troost in hoop dat er leven na de dood bestond. Hij vreesde echter vergeetachtigheid: verdwijnen in de massa, geen enkel spoor achterlatend.
Hij realiseerde zich dat hij soms luidop mijmerde. Het was halfvier. Nog vijfenveertig minuten, dan naar huis: geld opbergen, wagen in, richting Deurne Zuid voor eten, het late journaal, en dan slapen. In Tokio was het al middag: de race zou noordwestwaarts verschuiven, en deze kant van de wereld maakte zich op voor de volgende nacht. Niemand zou zijn gemijmer horen: de nacht nam alles mee, om morgen terug te keren met nieuwe zwarte gedachten. Een noodzakelijke worsteling voor mensen zoals Wim, die dag niet meer verdragen konden en het licht als een last ervoeren. Maar dromen bleven: het onderste uit de kan halen, de stoutste gedachten beleven en erover spreken. Was er iets mooiers?
Hoofdstuk 10: Conflict
Wims hart bonsde nog in zijn borst terwijl hij de Brouwersvliet achter zich liet, de vrouw met de sigaret een schim in de motregen. Haar uitdagende glimlach, de sigaret als een punkgroet in de lucht, had hem terug geslingerd naar de nachten van chaos en kameraadschap, toen Linda’s lach de duisternis kon breken en Sara’s ogen een storm konden ontketenen. Was het Linda, clean en met kindjes in Gent? Sara, verdwenen in de schaduwen van zijn verleden? Of een nieuwe ziel, een klant met een verhaal dat zijn nacht zou openrijten? Hij wist het niet, maar de ontmoeting had een rauwe wond blootgelegd, een confrontatie met een verleden dat hij dacht begraven te hebben. De motregen glinsterde op de kasseien, de stad pulseerde met een dreigende, grauwe energie, en Wim stuurde de taxi richting het SintJansplein, zijn toevluchtsoord, met een bonzend hart en een hoofd vol stekende herinneringen.
Hij parkeerde, de motor snorrend als een onrustige vriend, en leunde achterover, zijn ogen op de natte straten waar de neonlichten van een cafe rood en blauw dansten. De ontmoeting met Mark, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, Magda’s Elvis-buurman, de vrouw met de gitaar, de man met de fles, de man met het leren jack, en nu deze vrouw – de stad leek hem vanavond te martelen, hem te dwingen de kosten van zijn eenzaamheid te berekenen. Hij grinnikte wrang, zijn vingers knijpend in het stuur, en dacht aan hoe Erik, zijn pessimistische collega, hem zou uitlachen voor deze plotselinge zwakte. “Een vrouw met een sigaret? Dat wordt een wanbetaler, Wim!” zou hij brommen, zijn Zuid-Afrikaanse melancholie doorspekt met een zure grijns. Maar vanavond voelde Wim anders, rauw en blootgesteld, alsof de stad hem dwong zijn eigen waarde te wegen – niet alleen als taxichauffeur, maar als een man die de baten van zijn strijd telde, een econoom van zijn eigen gebroken ziel.
Zijn bazen waren een stelletje gefrustreerde bureaucraten die niets anders deden dan elkaar de loef afsteken om in een mooi blaadje te komen bij de grote baas, die zich van al hun doen of laten niets aantrok. Hij had zich gespecialiseerd in het tegen elkaar opzetten van al die bedienden die er zonder nadenken intrapten. Het leidde tot compleet onlogische en absurde situaties. De slachtoffers daarvan waren de chauffeurs, arbeiders, die het gelaten aanvaarden van alle onzinnige controles en regeltjes die om de haverklap veranderden, afhankelijk van het humeur van de man in kwestie, of zelfs van de persoon die hen te spreken kreeg.
Wim vergeleek het altijd met een loopgravenoorlog: niemand wilde verantwoordelijkheid nemen, maar iedereen deed zijn uiterste best om op te vallen zodat de grote baas de indruk kreeg dat men de hopeloze situatie wilde keren. Tevergeefs. De ene bediende controleerde of de asbakken wel geledigd waren, de andere keek onder de voetmatten om te zien of er gestofzuigd was, weer een ander controleerde de bandenspanning. Het was een uiterst ongezonde situatie waar niets aan gedaan werd. Alles zat verzuild in tradities, zodat de minste opmerking tegen dit systeem een regelrechte orkaan teweegbracht. De discussies woeden fel, maar er brak zelden iets af.
Het was een ziekte des tijds. Vakbonden werkten volgens hun eigen tradities, bazen volgens de hunne, en de regering volgde de wind. De enige slachtoffers waren de arbeiders, die niet meer wisten van welke kant ze nog lafenis konden verwachten. Zij roeiden maar voort met de riemen die ze hadden en waren al blij wanneer hun loon eind van de maand op de rekening stond. Dat ze virtueel geen stem meer hadden, namen ze erbij. Beslissingen werden van bovenaf genomen zonder inspraak van de werkers, of die nu van de bonden kwamen of van de bazen. Het was een voortdurende patstelling, de storm woedde hevig en hun hoofden werden dagelijks troebeler. Een oplossing leek verder weg dan ooit.
Toch genoot Wim als taxichauffeur genoeg vrijheden. Wanneer de stress en hopeloze situaties hem te veel werden, kon hij altijd een uurtje stoom afblazen met een kopje koffie en alles vergeten. Voor de meeste werkende mensen was dat ondenkbaar: zomaar een uur vrij nemen wanneer het hen te veel werd. In dat opzicht had hij weinig last van zijn bazen, want de ellende begon en eindigde bij de klachten.
Het ergste vond hij wanneer een klant telefonisch een klacht formuleerde.
Ze speelden verstoppertje: de dispatcher noteerde een beschuldiging als “Deur geslagen, klant uitgescholden, avances gemaakt bij dame van 83, dronken gereden, dubbel gereden, zonder meter gereden, vijftig frank te veel gevraagd, geen wisselgeld…” Het ging eindeloos door. Wim wist dat hij niets gedaan had, maar zodra die nota lag, kookte zijn bloed. Onstuitbaar. Het spuwde hem bijna uit de mondhoeken. Zijn ogen liepen rood aan en zijn vuisten balden zich tot hamers.
“Wat in godsnaam…” dacht hij dan. Hij wist niet eens hoe het mevrouwtje eruitzag, en zou haar nooit zo hebben behandeld. Toch stond hij tegenover Maurice, zijn baas, die hem met leedvermaak aankeek. Maurice had hem in de tang, ook al wist hij net zo goed als Wim dat het fantasiee n van de klant waren. Maar rapport op rapport stapelde zich op zonder dat er ooit iets gebeurde. De stok waarmee Maurice kon slagen werd dikker, en Wim werd onzichtbaarder. Dat was de loopgravenoorlog: tussen klant en bureau, tussen geloofwaardigheid en negatief gerucht.
Solidariteit bestond niet meer. Wim stond steeds meer alleen en voelde de strop strakker om zijn nek. Het enige wat hij kon doen, was vaste klanten vinden die enkel met hem wilden rijden: een select kringetje waarmee hij heel Belgie en Nederland afschuimde. De jaloezie bij collega’s groeide, maar op het bureau werd er minder gerept over slechte rapporten. Toch wist hij dat zodra het dossier weer boven kwam, de wonde net zo diep zou zijn als ooit tevoren. Maurice woog enkel de dikte van het dossier, niet de inhoud.
Maurice was een zielig man, jarenlang gescheiden, zijn werk als tweede echtgenote beschouwend. Net als Wim kende hij de eenzaamheid en hechtte hij zich aan mensen in de nacht. De firma was soms mooi, soms afgrijselijk zelfzuchtig, maar altijd genereus. Die ene waardering, dat kleine lof, gaf betekenis en hoop. Maurice nam weinig kwalijk, zolang de baas niets hoorde bleef het bij waarschuwingen.
De firma verloor door de jaren heen krediet, gevolg van een te fel beschermd arbeidersstatuut. Klanten wilden koppen zien rollen, wilden hun gelijk halen. Als ze een negatieve ervaring hadden, lieten ze het afweten of scholden ze de taxi uit. Blinde woede was e e n van de grootste gevaren voor een chauffeur. Wim had geleerd een luisterend oor te bieden, zich onderdanig op te stellen, alsof hij een roofdier was dat in het gras rolde voor zijn tegenstander. Desondanks kon hij, als het moest, vechten als een leeuw. Zijn laatste nederlaag was een kopstoot van een invalide, een afstraffing voor zijn dronken toestand. Gelukkig droeg hij nooit een wapen.
Maurice was een faire opponent, een baas waarop hij kon bouwen. Ook al was hij slechts de eerste na God, hij volgde bevelen net als Wim. Van de grote baas had hij nooit hoogte gehad; het was een mysterie hoe iemand in enkele decennia een fortuin opbouwde. Als taxichauffeur vervoerde Wim regelmatig elitaire klanten en zag hij dagelijks de contrasten: macht en rijkdom aan de ene kant, hijzelf een man zonder betekenis, een “vijg” met niets dan zijn zweet om trots op te zijn.
De taak van Wim was iedereen in zijn waan te laten. Emotioneel was hij gestorven: een zondaar die heil zag in zonde en verloedering. Maurice was zijn icoon, een god van vlees en bloed, heilig en vergevend. Hij gaf betekenis aan alles: ruimte, lucht, wolken, regen, nacht, sterren. Dankzij Maurice vergat Wim waarom tycoons bestaansrecht hadden en waarom de wereld niet om hem draaide.
Zijn krediet bij Maurice liep op de eind. Zijn oprispingen van solidariteit met collega’s speelden hem parten. Hij had te veel nieuwsgierigheid, pulkte soms geheimen los die hij als pasmunt gebruikte. Collega’s voelden zich bedreigd; Maurice zag zijn vergevingsgezindheid dwarsbomen door Wims enthousiaste zinspelingen. Zo ontstond psychologische oorlogsvoering: Controles op asbakken, voetmatten, navraag bij telefonisten.
Wim deed zijn best om niet te veel toe te geven aan zijn nieuwsgierigheid. Hij moest steeds de grens trekken tussen wat normaal was en wat grensde aan brutaliteit. Soms vroeg hij zich af of hij grensde aan de spotlust van mensen, maar hij kon niet anders: hij wilde alles weten.
Collega’s hadden verschillende uren om te beginnen en te stoppen, wat leidde tot hoogoplopende discussies bij de afrekening: wie had de mooie rit naar Parijs of Schiphol gekregen? Sommigen vermoeden vriendjesdiensten of smeergeld, maar bewijzen waren zeldzaam. Wim zweeg wijselijk over zijn eigen perioden van succes; hij wist dat geluk en pech elkaar afwisselden.
In magere dagen worstelde hij met zinloosheid, leegte en stilte die wurgend aanvoelden. Bijgeloof gaf hem houvast: extra traag of juist extra snel rijden, een stil gebed tot God voor die ene rit. Soms bracht het resultaat. Maar crisis maakte begerig en wrevelig: klanten werden zedeloos en psychopathisch dronken, terwijl Wim bloed nuchter bleef en rijker zijn weg vervolgde. Dat wekte schuldgevoel en bewondering op voor cafe bazen, die als enige profijt haalden uit de ellende van anderen.
Slavernij bestond nog steeds in de stad: cafe bazen eisten overlevingsminimum in ruil voor onderdak en drank. De stad kende geen medelijden met onderdanen: egoï stische wetten, slavernij, onredelijke eisen. Wim voelde zich uitgezogen, een vetzwijn waar anderen aan verdienden, zonder dat hij kon ontsnappen.
Bijgeloof was onontkoombaar: rituelen om geluk af te dwingen, kaarsen branden voor gunsten van de goden. Ook al stond het leven vol onrecht, Wim zocht troost in hoop dat er leven na de dood bestond. Hij vreesde echter vergeetachtigheid: verdwijnen in de massa, geen enkel spoor achterlatend.
Hij realiseerde zich dat hij soms luidop mijmerde. Het was halfvier. Nog vijfenveertig minuten, dan naar huis: geld opbergen, wagen in, richting Deurne Zuid voor eten, het late journaal, en dan slapen. In Tokio was het al middag: de race zou noordwestwaarts verschuiven, en deze kant van de wereld maakte zich op voor de volgende nacht. Niemand zou zijn gemijmer horen: de nacht nam alles mee, om morgen terug te keren met nieuwe zwarte gedachten. Een noodzakelijke worsteling voor mensen zoals Wim, die dag niet meer verdragen konden en het licht als een last ervoeren. Maar dromen bleven: het onderste uit de kan halen, de stoutste gedachten beleven en erover spreken. Was er iets mooiers?
Maar de nacht was nog niet voorbij, en de ontmoeting met de vrouw in de Brouwersvliet bleef als een rauwe splinter in zijn gedachten. Wim voelde de vijftig frank van Mark in zijn zak, een symbool van hun gebroken band, en nu deze vrouw, haar sigaret een baken van een verleden dat hij niet kon ontvluchten. Hij dacht aan een nacht, jaren terug, die hem nog steeds achtervolgde, een moment van rauwe confrontatie dat zijn economische scherpzinnigheid en zijn strijd om betekenis op scherp had gezet.
Het was 1981, een grauwe nacht in een kroeg aan de Paardenmarkt, vlak na zijn ontslag uit de kliniek. Wim was net begonnen als taxichauffeur, zijn hoofd nog vol demonen, zijn handen nog trillerig van de afkick. Hij zat aan de bar, een lauwe Stella voor zich, toen een oude vriend van het kraakpand binnenstrompelde – Karel, een kleine man met een scherpe tong en een talent voor problemen. “Wim, ouwe rukker!” had Karel gebruld, zijn stem rauw van drank. “Jij bent een chauffeur nu? Wat een grap!” Hij sloeg Wim op de schouder, zijn lach scherp als een mes.
Wim had gegrijnsd, maar zijn maag draaide. “Beter dan jouw klotebaantjes, Karel,” had hij gezegd, zijn stem droog. Karel lachte, maar zijn ogen vernauwden. “Oh, jij denkt dat je beter bent, he ? Met je taxi en je schone lei? Kom op, Wim, je bent nog steeds een van ons – een loser die doet alsof.” De woorden sneden door Wim heen, een rauwe confrontatie met zijn eigen zwakte. Hij wilde Karels ongelijk bewijzen, maar de waarheid stak. “Misschien,” had hij gemompeld, zijn ogen op de bar, maar Karel was nog niet klaar. “Weet je wat jouw probleem is, Wim? Je denkt dat je kunt ontsnappen, maar je bent nog steeds die punk die alles verkloot. Net als ik.” Hij lachte, een bitter geluid, en bestelde een pint, zijn hand trillerig.
De nacht eindigde in een ruzie. Karel had geprobeerd Wim mee te krijgen voor een “deal” – een vage klus die naar diefstal rook – en Wim had geweigerd, zijn vuisten gebald. “Ik ben klaar met die shit, Karel,” had hij gesnauwd, zijn stem rauw. Karel had hem een duw gegeven, zijn ogen glinsterend van woede. “Jij bent niks, Wim. Een lafaard in een taxi.” Wim had teruggeduwd, zijn bloed kokend, en de barman had hen eruit gegooid, hun geschreeuw echoe nd in de nacht. Wim was alleen naar huis gelopen, zijn hart zwaar, zijn gedachten een chaos van schaamte en woede.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde rauwe woede, vermengd met een pijnlijke spijt. Hij keek naar het briefje van vijftig, dacht aan Mark’s aanbod, en voelde een steek van verlangen naar een tijd toen solidariteit nog bestond. Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na Karel, toen hij een klant had opgepikt die hem een les in rauwe overleving had gegeven. Het was een oude vrouw, een straatverkoopster met een gezicht als leer, die naar de haven wilde. “Snel, jongen,” had ze gesnauwd, haar stem schor van jaren strijd. Wim had gereden, zijn blik op de weg, maar haar stem brak toen ze begon te praten. “Weet je, iedereen denkt dat ik dit wil, maar het is vechten,” zei ze, haar stem rauw. “Jij snapt dat toch, he ? Jij bent ook een vechter.”
Wim had geknikt, zijn keel droog. “Ja,” had hij gezegd, en toen ze uitstapte, had ze hem een munt van vijfhonderd frank gegeven, haar ogen glinsterend. “Voor een vechter,” zei ze, en Wim had de munt aangenomen, zijn hart zwaar van haar woorden.
Hij stuurde de taxi naar de Falconrui, een hutspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De motregen glinsterde op de kasseien, de stad ontwakend in een grijs licht, en Wim voelde een rauwe vastberadenheid. Hij stak een nieuwe sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, zijn gedachten nog bij de vrouw, bij Mark, bij Karel.
Een nieuwe klant verscheen, een man met een versleten jas en een gezicht vol littekens, zijn stem schor van drank. “Naar de Schipperskwartier, vriend,” zei hij, terwijl hij op de achterbank plofte, een fles in zijn hand. “En geen gezeik, oke ?” Wim voelde een koude rilling, maar zijn economische instinct nam over. “Geen gezeik als je betaalt,” zei hij, zijn stem droog, en de man lachte, een rauw geluid. “Jij bent een slimmerik, he ?” zei hij, en hij begon te praten, zijn stem een litanie van verloren banen, gebroken dromen, en een vrouw die hem had verlaten. Wim luisterde, zijn ogen op de weg, zijn hart zwaar maar alert.
Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na de straatverkoopster, toen hij een klant had opgepikt die hem een rauwe les in conflict had gegeven. Het was een jonge man, een dokwerker met een kaak als staal, die naar de haven wilde. “Rustig, jongen,” had hij gezegd, zijn stem vol verhalen over vechtpartijen en verraad. “Weet je, het leven is een oorlog: je geeft alles, en je krijgt niks terug. Maar je blijft staan.” Wim had geluisterd, zijn hoofd knikkend, en toen de man uitstapte, had hij hem een briefje van honderd frank gegeven. “Voor de oorlog,” zei hij, en Wim had het briefje aangenomen, zijn hart zwaar van de waarheid.
Terug in de taxi, terwijl de man met de fles doorratelde, voelde Wim diezelfde rauwe waarheid. Hij zette hem af bij de Schipperskwartier, zijn fooi een verkreukeld briefje van vijfhonderd frank. “Je bent oke , vriend,” zei de man, zijn stem schor, en Wim knikte, een wrange glimlach op zijn gezicht.
Hij reed verder, de stad ontwakend om hem heen, de motregen een zachte herinnering aan de nacht. Hij dacht aan een nacht, een paar maanden na de dokwerker, toen hij een groep jongeren had opgepikt na een feest in de Brouwersvliet. Ze waren dronken, hun stemmen rauw, en ze hadden een gitaar bij zich, die ze in de taxi bespeelden. “London Calling!” hadden ze geschreeuwd, hun stemmen een echo van zijn jeugd, en Wim had gelachen, zijn hoofdschuddend terwijl ze hem probeerden mee te krijgen. “Kom op, chauffeur, zing mee!” had een meisje met een leren jack geschreeuwd, en Wim had geweigerd, maar zijn grijns was breder dan ooit. Ze hadden hem een fooi van kleingeld gegeven – “Alles wat we hebben!” – en waren lachend uitgestapt, hun stemmen echoe nd door de straat.
De herinnering bracht een wrange glimlach op zijn gezicht, en hij voelde een rauwe vastberadenheid, een besef dat de nacht, ondanks zijn strijd, altijd iets te bieden had. Hij stuurde de taxi naar de Stadswaag, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De stad glinsterde, het ochtendlicht snijdend door de wolken, en Wim voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters, maar ook een man die de kosten van zijn strijd telde.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de rauwe stilte doorsneed. “Taxi 214, klant aan de Lange Nieuwstraat, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Lange Nieuwstraat – de plek van het kraakpand, van Linda’s overdosis, van alles wat hij dacht begraven te hebben. Hij drukte de knop in, zijn stem vlak maar zijn hart bonzend. “Begrepen,” zei hij, en hij stuurde de taxi richting de Lange Nieuwstraat, de nacht vervagend in het ochtendlicht, maar nog steeds zwaar van herinneringen.
In de verte zag hij een figuur staan, een man, zijn silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Hij droeg een versleten leren jack, zijn haar kort en grijs, een fles in zijn hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Mark? Lorenzo? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? De man keek op, zijn ogen vangend in de koplampen, and then, with a grin that was both familiar and dangerous, he raised the bottle in a toast, a gesture so raw and punk that it threw Wim back to the nights of chaos and conflict. He slammed on the brakes, the taxi jolting to a stop, and he felt a raw laugh rise, as the man stumbled toward him, his grin a promise of a night that could break everything open.
Hoofdstuk 11: Wim neemt een pauze
Wim’s maag knaagde en zijn ogen brandden van vermoeidheid terwijl hij de taxi door de natte straten van Antwerpen stuurde, de frustraties van Maurice’s dossiers en de eindeloze klachten nog nasmeulend in zijn hoofd. De loopgravenoorlog op het taxibedrijf – de absurde controles, de stapel rapporten, de sneren van collega’s – had hem uitgeput, en de nacht leek een eindeloze tunnel zonder licht. Hij voelde de vijftig frank van Mark in zijn zak, een rauwe herinnering aan hun weerzien, en de woorden van Karel’s dronken tirade in de kroeg sneden nog steeds als een mes. De stad pulseerde met een grauwe, dreigende energie, maar Wim kon niet meer. Honger en uitputting wonnen het van zijn plicht, en hij besloot naar de Pimms te gaan, een goedkope haven waar hij kon eten en even kon ontsnappen aan de nacht.
Hij parkeerde aan de Rooseveltplaats, de motor snorrend als een vermoeide vriend, en leunde achterover, zijn ogen op de natte kasseien waar de neonlichten van de Pimms rood en blauw dansten. De confrontatie met Mark, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, Magda’s Elvis-buurman, de vrouw met de gitaar, de man met het leren jack, de vrouw met de sigaret – de stad leek hem vanavond te martelen, hem te dwingen de kosten van zijn eenzaamheid te berekenen. Hij grinnikte wrang, zijn vingers knijpend in het stuur, en dacht aan hoe Erik, zijn pessimistische collega, hem zou uitlachen voor deze zwakte. “Pauze nemen? Je wordt soft, Wim!” zou hij brommen, zijn Zuid-Afrikaanse melancholie doorspekt met een zure grijns. Maar vanavond voelde Wim anders, rauw en uitgehold, alsof de stad hem dwong zijn eigen waarde te wegen – niet alleen als taxichauffeur, maar als een man die de baten van zijn strijd telde, een econoom van zijn eigen gebroken ziel.
Het pessimisme had Wim nu toch totaal opgevreten. Het tolde in zijn hoofd en de honger knaagde aan zijn darmen. Het was haast ondragelijk geworden in zijn kleine taxi. Hij besloot het zekere voor het onzekere te nemen en vroeg via de radio om pauze. Jeannine, de telefoniste, was blijkbaar in slaap gevallen, en Wim moest tot viermaal toe oproepen voordat hij een antwoord kreeg.
Hij sloeg de deuren van de auto op slot en stapte de frisse lucht in. Hij besloot wat te gaan eten in de Pimms, omdat het daar goedkoop was en toch behoorlijk goed. Bij binnenkomst groette de dienster hem hartelijk, verblijd als ze was met haar enige klant in de nacht.
“Stil he , jong!” zei ze met een verbaasde uitdrukking op haar gezicht. Wim knikte en schoof aan in een hoekje bij het raam, zodat hij een goed uitzicht had op de taxistandplaats er recht tegenover. De andere chauffeurs lagen ver achterover in hun zetels te slapen of lazen een boek. Sommigen keken wezenloos voor zich uit, anderen zaten per vier in e e n taxi te palaveren. Buiten regende het weer zachtjes en Wim rilde: de koelte voelde scherper dan gedacht, nu hij uit de oververhitte auto was gestapt. Ondanks de warme bruine tinten en de dikke stoffige fauteuils om hem heen, leek hij een frigo te zijn binnengelopen.
“Het is hier koud,” zei hij tegen de dienster terwijl hij zijn handen wreef. “Dat is maar een gedachte,” antwoordde zij terwijl ze naar hem toe kwam om zijn bestelling op te nemen. Haar blonde carre glansde in het schemerlicht van de zaak.
“Wat wilt u drinken?” vroeg ze ernstig. “Ik ga wat eten, als dat nog kan?” vroeg Wim. “Natuurlijk…” zei ze luchtig. “E e n goulash, alstublieft.” “Komt eraan,” zei ze met een glimlach en verdween in de keuken.
Zelfs midden in de nacht en al helemaal zonder andere gasten, bleef de kok in de keuken doorwerken—net als iedereen die deze stedelijke nachtdienst had gekozen. De klant was iedereen in de steek gaan laten: zelfs de anders zo stugge, maar trouwe dronkelappen namen vandaag vrijaf. Er werkten hier honderden, misschien wel duizenden, voor slechts enkelen: een paar verlopen toeristen, enkele zakenmensen, en horecamedewerkers die hun eigen bar kwamen betrappen op ontspanning.
Terwijl Wim wachtte op zijn goulash, eenzaam bij zijn tafeltje, overwoog hij ooit een mars te organiseren tegen de eenzaamheid. Het onrecht was niet strafbaar: iemand isoleren, hem geen enkele kans geven om te participeren in de maatschappij—het leek soms het doel, geen schande. Een eenzaat betaalde dubbel voor huur en verwarming, ontving geen kindergeld, kreeg geen familietegemoetkomingen, en to ch telde hij mee in de statistieken.
In gedachten zag Wim zichzelf op een praalwagen, getrokken door vier Brabanders, megafoon in de hand: een witte mars tegen het onrecht van het vrijgezellenbestaan. Politie voor en achter, de pers en buitenlandse zenders die livestreamden over de Meir en de Francelei. Hij had de brief om toestemming al klaar liggen—met postzegel—maar had nooit de moed om hem te versturen. De burgemeester was immers een vrouw, en hij vreesde antifeministische ophef.
Hij klopte even met zijn hand op het tafelblad. Misschien, dacht hij, was er toch ergens een vrouw die zijn eenzaamheid wilde delen. Tot die dag bleef hij zitten, proberend zijn onverzadigbare honger te stillen.
Na wat gekletter in de keuken verscheen de dienster met een dampende kom goulash. “Alstublieft, meneer,” zei ze, terwijl de geur van paprika en rundvlees de ruimte vulde. “Dank je,” mompelde Wim.
Hij nam een hap en merkte hoe de warmte van de maaltijd langzaam zijn lichaam terug in balans bracht. Het babbelende neonlicht van de Rooseveltplaats flikkerde door het raam. Achter hem, aan de overkant, zwaaiden de chauffeurs zich uit hun slaapposities en staarden weer paraat naar hun radio’s. Wim voelde zijn vermoeidheid wegsmelten, vervangen door die herkenbare, bittere zoetheid van het nachtleven waar hij niet buiten kon. Een laatste slok goulash, en hij zou weer instappen. De eenzaamheid wachtte hem op—maar voor even, in die hoek van de Pimms, had hij zich laten troosten.
Maar de rust was van korte duur. De dienster, die hij nu pas echt goed bekeek, kwam terug naar zijn tafeltje, haar blonde carre glanzend onder het neonlicht, haar ogen een mengeling van vermoeidheid en iets wat leek op begrip. Ze was mooi, op een rauwe, ongepolijste manier – niet het soort schoonheid dat je in tijdschriften zag, maar iets echts, met fijne lijntjes rond haar ogen en een glimlach die zowel warm als gebroken was. “Gaat het, jong?” vroeg ze, haar stem zachter nu, terwijl ze een glas water voor hem neerzette, ongevraagd. “Je ziet eruit alsof je een spook hebt gezien.”
Wim keek op, verrast door haar directe toon, en voelde een rauwe eerlijkheid in zich opborrelen. “Misschien wel,” mompelde hij, zijn stem schor, zijn ogen op de goulash gericht. “De nacht doet rare dingen met je hoofd.”
Ze leunde tegen de tafel, haar armen over elkaar, haar blik doordringend maar niet veroordelend. “Vertel mij wat,” zei ze, een wrange glimlach op haar gezicht. “Ik werk hier al vijf jaar, en soms denk ik dat ik meer spoken zie dan mensen. Jij bent een chauffeur, toch? Jij snapt het wel.”
Wim voelde zijn keel droog worden, haar woorden sneden door de muur die hij jarenlang had opgebouwd. “Ja,” zei hij, zijn stem laag, “ik snap het.” Hij nam een slok water, zijn handen trillerig, en keek haar aan, haar ogen een spiegel van zijn eigen eenzaamheid. “Hoe hou jij het vol?” vroeg hij, de vraag ontsnappend voordat hij het kon stoppen, rauw en eerlijk.
Ze lachte, een kort, bitter geluid, en ging zitten, haar ellebogen op de tafel. “Ik? Met koffie en koppigheid,” zei ze, haar glimlach verzachtend. “Maar eerlijk? Soms wil ik gewoon wegrennen. Naar een plek waar niemand mijn naam kent, waar ik niet elke nacht dezelfde dronken gezichten zie. Maar dan…” Ze zweeg, haar ogen op het raam gericht, waar de motregen glinsterde. “Dan denk ik aan mensen zoals jij, die hier komen, en ik denk: misschien is het niet voor niks.”
Wim voelde een steek in zijn borst, een rauwe pijn vermengd met iets wat leek op hoop. “Mensen zoals ik?” vroeg hij, zijn stem schor, zijn ogen op haar gericht. “Wat bedoel je?”
Ze keek hem aan, haar ogen glinsterend in het neonlicht. “Jij bent een nachtmens, net als ik,” zei ze, haar stem zacht maar vast. “Je draagt de stad op je rug, je ziet de dingen die anderen niet zien. En je blijft gaan, ook al doet het pijn. Dat maakt je… echt.” Ze zweeg, haar wangen licht rood, alsof ze te veel had gezegd, en stond op, haar handen nerveus aan haar schort. “Sorry, ik klets te veel. Nog wat water?”
Wim schudde zijn hoofd, zijn hart bonzend, zijn gedachten een chaos van verdriet en verlangen. “Nee, het is goed,” zei hij, zijn stem rauw. “Je… je hebt gelijk.” Hij voelde een drang om meer te zeggen, om zijn eenzaamheid bloot te leggen, maar de woorden bleven steken, als altijd. In plaats daarvan glimlachte hij, een kleine, gebroken glimlach, en zij glimlachte terug, een moment van stil begrip dat de koude nacht verwarmde.
Ze liep terug naar de bar, haar blonde haar dansend in het licht, en Wim voelde een zeldzame warmte, een verademing die zijn rauwe pijn verzachtte. Hij dacht aan een nacht, jaren terug, die hem nog steeds achtervolgde, een moment van rauwe eenzaamheid dat zijn economische scherpzinnigheid en zijn strijd om betekenis op scherp had gezet.
Het was 1983, een koude nacht in een kroeg aan de Falconrui, vlak na zijn eerste jaar als taxichauffeur. Wim zat alleen aan een tafeltje, een lauwe pint voor zich, zijn hoofd vol demonen. De groep was uiteengevallen, Mark verdwenen, Linda in een kliniek, en Wim voelde zich als een spook, losgesneden van alles wat ooit betekenis had. Hij had die dag een klant bedrogen, een dronken zakenman die hij een omweg had laten betalen, en de extra tweehonderd frank brandden in zijn zak, maar het voelde vuil. “Wat is dit waard?” had hij gemompeld, zijn stem verloren in de rokerige kroeg, en hij had de pint omgestoten, het glas rollend over de vloer als zijn eigen ziel.
De nacht eindigde in een roes van drank, een wanhopige poging om de leegte te vullen, maar toen hij de volgende dag wakker werd, zijn hoofd bonzend, zijn handen trillerig, wist hij dat hij iets moest veranderen. Hij had zijn eerste vaste klant gevonden, een oude man die hem elke week naar de haven bracht, en hoewel het hem niet had gered, had het hem een anker gegeven – een manier om de kosten van zijn bestaan te berekenen, zelfs als de baten mager waren.
Terug in de Pimms voelde Wim diezelfde rauwe leegte, maar ook een sprankje hoop, aangewakkerd door de serveuse’s woorden. Hij at zijn goulash, elke hap een strijd tegen de brok in zijn keel, en keek naar haar terwijl ze achter de bar stond, haar handen bewegend met een rustige gratie. Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na de kroeg, toen hij een klant had opgepikt die hem een les in rauwe overleving had gegeven. Het was een oude vrouw, een marktverkoopster met een gezicht als leer, die naar de haven wilde. “Rustig, jongen,” had ze gezegd, haar stem vol verhalen over strijd. “Weet je, het leven is een deal: je geeft alles, en je krijgt niks terug. Maar je blijft staan.” Wim had geluisterd, zijn hoofd knikkend, en toen ze uitstapte, had ze hem een appel uit haar tas gegeven. “Voor de weg,” zei ze, en Wim had de appel aangenomen, zijn hart zwaar van de waarheid.
Hij dwong zichzelf de goulash op te eten, de warmte een troost tegen de koude nacht. De neonlichten van de Rooseveltplaats flikkerden, de chauffeurs aan de overkant nu alert, hun radio’s knetterend. Wim voelde de eenzaamheid als een fysieke pijn, maar ook een rauwe vastberadenheid. Hij zou niet breken, niet nu, niet door Maurice’s dossiers, niet door Karel’s woorden, niet door zijn eigen verleden.
Hij betaalde de serveuse, een fooi van vijfhonderd frank achterlatend, zijn economische instinct hem influisterend dat een glimlach soms meer waard was dan geld. “Bedankt,” zei hij, zijn stem schor, en ze knikte, haar ogen zacht. “Sterkte, jong,” zei ze, en Wim voelde een kleine warmte, een sprankje troost in de koude nacht.
Een eenzame traan ontsnapte en rolde over zijn wang. Woedend veegde Wim hem weg met de rug van zijn hand. Hij startte de taxi en keerde de wagen richting de stad, richting huis.
De straten waren nu duidelijk wakker aan het worden. Melkboeren, krantenbezorgers, de eerste tram rinkelde al in de verte. Voor hen allen begon een nieuwe dag. Voor Wim betekende het het einde van weer een nacht.
Hij reed de taxi naar de garage van het verhuurbedrijf en parkeerde op zijn vaste plek. De zon toonde zich net aan de horizon, een warme gloed aan de oostelijke hemel. Wim stapte uit, deed de auto op slot en liep naar buiten. In plaats van meteen naar zijn kleine appartement te gaan, bleef hij even staan op de drempel van de garage en keek naar de lucht die in vuur en vlam leek te staan van ochtendlicht.
Ergens in zijn binnenste voelde hij een scheurtje in het pantser, een lichte pijn die hij herkende als verdriet. Verdriet om wat geweest was, om wat hij had verloren. Om Mark’s hoopvolle blik en zijn eigen onvermogen die hoop te beantwoorden.
Hij haalde diep adem. De kou van de ochtend prikte in zijn longen en maakte zijn hoofd helder. Misschien, dacht hij heel even, hoefde dit niet het einde te zijn. Mark had een hand uitgestoken. Linda leefde haar leven, Lorenzo ook. Ze waren niet allemaal gestorven of verdwenen zoals hij zichzelf had voorgehouden. De wereld draaide door. Misschien…
Wim huiverde. De gedachte aan opnieuw verbinden was even verlokkelijk als beangstigend. Hij wist niet of hij die stap ooit kon zetten. Te veel lag ertussen, als scherven van een gebroken spiegel.
Maar de nacht was nog niet voorbij, en het intieme moment met de serveuse in de Pimms bleef als een zachte gloed in zijn gedachten. Wim voelde de vijftig frank van Mark in zijn zak, een symbool van hun gebroken band, maar ook haar woorden, een baken van troost dat zijn rauwe pijn verzachtte. Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na zijn ontslag uit de kliniek, toen hij een klant had opgepikt die hem een les in rauwe overleving had gegeven. Het was een jonge man, een havenarbeider met een kaak als staal, die naar de haven wilde. “Rustig, jongen,” had hij gezegd, zijn stem vol verhalen over vechtpartijen en verraad. “Weet je, het leven is een oorlog: je geeft alles, en je krijgt niks terug. Maar je blijft staan.” Wim had geluisterd, zijn hoofd knikkend, en toen de man uitstapte, had hij hem een briefje van honderd frank gegeven. “Voor de oorlog,” zei hij, en Wim had het briefje aangenomen, zijn hart zwaar van de waarheid.
Hij stuurde de taxi naar de Groenplaats, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De motregen glinsterde op de kasseien, de stad ontwakend in een grijs licht, en Wim voelde een rauwe vastberadenheid. Hij stak een nieuwe sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, zijn gedachten nog bij de serveuse, bij Mark, bij de stad.
Een nieuwe klant verscheen, een man met een versleten jas en een gezicht vol littekens, zijn stem schor van drank. “Naar de Schipperskwartier, vriend,” zei hij, terwijl hij op de achterbank plofte, een fles in zijn hand. “En geen gezeik, oke ?” Wim voelde een koude rilling, maar zijn economische instinct nam over. “Geen gezeik als je betaalt,” zei hij, zijn stem droog, en de man lachte, een rauw geluid. “Jij bent een slimmerik, he ?” zei hij, en hij begon te praten, zijn stem een litanie van verloren banen, gebroken dromen, en een vrouw die hem had verlaten. Wim luisterde, zijn ogen op de weg, zijn hart zwaar maar alert.
Hij dacht aan een andere nacht, een paar jaar na de havenarbeider, toen hij een klant had opgepikt die hem een rauwe les in hoop had gegeven. It was a young woman, a nurse with a tired smile, who needed a ride to the hospital. “Snel, alsjeblieft,” had ze gezegd, haar stem zacht maar dringend. Wim had gereden, zijn blik op de weg, maar haar stem brak toen ze begon te praten. “Weet je, soms denk ik dat ik het niet meer aankan, maar dan zie ik iemand zoals jij, die de nacht draagt, en ik denk: we doen het toch maar.” Wim had geknikt, zijn keel droog, en toen ze uitstapte, had ze hem een fooi van vijfhonderd frank gegeven, haar ogen glinsterend. “Voor de nachtdragers,” zei ze, en Wim had de fooi aangenomen, zijn hart zwaar maar lichter dan voorheen.
Terug in de taxi, terwijl de man met de fles doorratelde, voelde Wim diezelfde rauwe hoop, vermengd met een pijnlijke vastberadenheid. Hij zette hem af bij de Schipperskwartier, zijn fooi een verkreukeld briefje van vijfhonderd frank. “Je bent oke , vriend,” zei de man, zijn stem schor, en Wim knikte, een wrange glimlach op zijn gezicht.
Hij reed verder, de stad ontwakend om hem heen, de motregen een zachte herinnering aan de nacht. Hij dacht aan een nacht, een paar maanden na de verpleegster, toen hij een groep jongeren had opgepikt na een feest in de Brouwersvliet. Ze waren dronken, hun stemmen rauw, en ze hadden een gitaar bij zich, die ze in de taxi bespeelden. “London Calling!” hadden ze geschreeuwd, hun stemmen een echo van zijn jeugd, en Wim had gelachen, zijn hoofd schuddend terwijl ze hem probeerden mee te krijgen. “Kom op, chauffeur, zing mee!” had een meisje met een leren jack geschreeuwd, en Wim had geweigerd, maar zijn grijns was breder dan ooit. Ze hadden hem een fooi van kleingeld gegeven – “Alles wat we hebben!” – en waren lachend uitgestapt, hun stemmen echoe nd door de straat.
De herinnering bracht een wrange glimlach op zijn gezicht, en hij voelde een rauwe vastberadenheid, een besef dat de nacht, ondanks zijn strijd, altijd iets te bieden had. Hij stuurde de taxi naar de Stadswaag, een hotspot voor nachtelijke klanten, en parkeerde, zijn ogen scannend voor het volgende avontuur. De stad glinsterde, het ochtendlicht snijdend door de wolken, en Wim voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters, maar ook een man die de kosten van zijn strijd telde.
Maar toen kraakte de radio, een nieuwe oproep die de rauwe stilte doorsneed. “Taxi 214, klant aan de Brouwersvliet, nu. Spoed.” Wim voelde zijn adem stokken. De Brouwersvliet – de plek waar hij Mark ooit had ontmoet, waar alles begon. Hij drukte de knop in, zijn stem vlak maar zijn hart bonzend. “Begrepen,” zei hij, en hij stuurde de taxi richting de Brouwersvliet, de nacht vervagend in het ochtendlicht, maar nog steeds zwaar van herinneringen.
In de verte zag hij een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten regenjas, haar haar lang en nat, een sigaret in haar hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Linda? Sara? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? Ze keek op, haar ogen vangend in de koplampen, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als uitdagend was, stak ze haar sigaret in de lucht, een gebaar dat Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Hij trapte op de rem, de taxi schokte tot stilstand, en hij voelde een rauwe lach opborrelen, terwijl de vrouw naar hem toe liep, haar glimlach een belofte van een nacht die alles kon veranderen.
Hoofdstuk 12: Einde van shift voor Wim
Wim’s hart voelde zwaar terwijl hij de taxi startte, de motregen glinsterend op de voorruit, de warme gloed van de Pimms achter zich latend. Het intieme moment met de serveuse – haar blonde carre , haar zachte woorden, haar ogen die zijn eenzaamheid weerspiegelden – had een rauwe wond opengereten, maar ook een sprankje troost geboden, een zeldzame verademing in de koude nacht. Haar stem, “Jij bent een nachtmens, net als ik,” echode nog in zijn hoofd, een herinnering aan een verbinding die hij niet durfde vast te houden. De vijftig frank van Mark brandde in zijn zak, een symbool van gemiste kansen, en de bureaucratie van Maurice’s dossiers – de klachten, de controles, de loopgravenoorlog – knaagde nog steeds aan zijn ziel. Hij was uitgeput, zijn maag vol goulash maar zijn hoofd leeg, en hij wist dat hij niet verder kon. Zijn shift was bijna gedaan, en de taxicentrale aan de Steenborgerweert, een grauwe straat in Antwerpen-Noord, was zijn enige bestemming. Geen omwegen, geen klanten meer, alleen de stilte van het einde.
Hij stuurde de taxi door de natte straten, de neonlichten van de
Rooseveltplaats vervagend in zijn achteruitkijkspiegel, de stad ontwakend in een grijs, onbarmhartig licht. De confrontatie met Mark, de Brusselse dames, Jonas’ wilde verhalen, Magda’s Elvis-buurman, de vrouw met de gitaar, de man met het leren jack, de serveuse – de stad leek hem vanavond te tarten, hem te dwingen de kosten van zijn bestaan te berekenen. Hij grinnikte wrang, zijn vingers knijpend in het stuur, en dacht aan hoe Erik, zijn pessimistische collega, hem zou uitlachen voor deze zwakte. “Naar de centrale? Je geeft op, Wim!” zou hij brommen, zijn Zuid-Afrikaanse melancholie doorspekt met een zure grijns. Maar vanavond voelde Wim anders, rauw en uitgehold, alsof de stad hem dwong zijn eigen waarde te wegen – niet alleen als taxichauffeur, maar als een man die de baten van zijn strijd telde, een econoom van zijn eigen gebroken hart.
Nagenoeg alles wat Wim had willen vertellen aan zijn kostbaarste vrienden belandde in een idiote draaikolk. Alles wat hij zo graag had uitbazuind, draaide zich in een neerwaartse spiraal. De nacht kon niet nalaten haar wurgreep om elk sprankje zinnigheid te slaan en te verwurgen tot onbezonnen gedichten en laveloze dronkenmansliederen, galmend door de etherische nacht, langs neonlichamen en de ozon na een weldoende regenbui. Hij smachtte naar een glimp van licht die maar niet wilde komen.
Wat had hij nodig? Een naakte borst vol overvloed, sappig genot om zijn hoofd te zalven en te verjongen na deze zinloze, dronken nacht. Verleid door elfen die om hem heen dansten, door druï den die in stilte fluisterden, golems die hem zagen en begeerden. Tienduizenden automobilisten haastten zich over eindeloze bitumenstroompjes, op weg naar gemak en genot. Wat was er poe tischer dan een duinzand dat ademde in ongerept landschap, e e n met zon en regen, altijd bereid te geven, altijd bereid te nemen?
In deze stad was niets echt. Geen doel, geen hoop, geen liefde. Het doel was altijd in zicht, maar altijd net buiten bereik—alsof hij een ezel was achter een wortel aan, vastgebonden aan eindeloze beloftes. Het platteland, de liefde van een vrouw, van een paard, van een huis in de oneindigheid… dat alles hadden ze opgegeven toen ze hier kwamen wonen.
Misschien kon hij altijd nog terugkeren. Het was zo dichtbij. Maar na al die jaren had hij zijn dromen blind achterna gehold—een levenslange ezel van de wortel. Voor deze stad voldeed eender welke leugen, e e n die het best bij je paste. Uit een grote trommel. De meest fantastische, loepzuivere leugen, boven alle rede verheven.
“Tot morgen dan maar… tjuus…” “Ja, tot ziens, wanneer alles beter en mooier zal zijn… je zult het zien…”
Die woorden van de nacht echoden nog in zijn hoofd toen hij besefte: het was echt gedaan voor vandaag. Zijn shift zat erop.
“Waar is het meisje?” vroeg hij luidop, terwijl de laatste druppels bier zijn spinsels wegspoelden en de splinters uit zijn geheugen deden verdwijnen.
Hoofdstuk 13: Het onverwachte moment
De zomernacht van 1979 was nog warm in Wims geheugen, de nachten op het Conscienceplein en in De Skipper een droom van chaos en kameraadschap, maar de herfst bracht een koude wind die alles veranderde. Luca en Lorenzo waren weg, hun bravoure gebroken door handboeien en celdeuren. De politie had hen opgepakt na een reeks diefstallen – inbraken in winkels, gestolen brommers, een mislukte overval op een nachtwinkel – en nu zaten ze voor onbepaalde tijd in de gevangenis, hun hanenkammen geschoren, hun stemmen stil. Het kraakpand waar ze ooit samen lachten, joints deelden, en plannen smeedden, voelde leeg zonder hun geschreeuw, hun wilde ideee n. Linda was ook verdwenen, niet achter tralies, maar achter een andere muur, een die Wim niet kon doorbreken.
Ze woonde nu met Gert, een serieuze sociologiestudent met een bril en een baard, in een miezerig appartement boven een groentewinkel, vlak bij de Grote Markt. Het was een studentenhol, met scheve vloeren, een lekkende kraan, en muren die naar oude tabak stonken, maar voor Linda was het een nieuw begin. Ze probeerde nuchter te blijven, haar heroï nespuiten verruild voor thee en zelfhulpboeken, haar wilde lach getemd door Gerts rustige stem. Gert was bezig met zijn doctoraat, een thesis over fictieve samenlevingsvormen – gemeenschappen zonder hie rarchie, zonder bezit, zonder pijn – en Linda hing aan zijn lippen, haar ogen glanzend van een hoop die Wim niet meer herkende. Ze kwam nog geregeld in de cafe s rond de Grote Markt, haar rode haar een baken in de rokerige duisternis, maar ze meed Wim als de pest, zijn aanwezigheid een herinnering aan de naalden, de chaos, de nachten die ze probeerde te vergeten.
Wim had het geprobeerd, echt geprobeerd. Hij stond onder haar raam, zijn handen in de zakken van zijn versleten leren jack, zijn ogen op de tweede verdieping gericht, hopend op een glimp van haar. “Linda!” riep hij, zijn stem rauw, zijn adem wolkjes vormend in de koude lucht. “Kom eens praten, verdomme!” Maar elke keer was het hetzelfde: haar hoofd verscheen achter het gordijn, haar ogen moe, haar stem vlak. “Wim, stop,” zei ze, haar woorden snijdend door de stilte. “Niet meer aanbellen. Je mag niet binnenkomen. Laat me met rust.” De deur bleef dicht, de bel onbeantwoord, en Wim voelde een pijn die hij niet kon benoemen, een mengeling van woede, schaamte, en een verlies dat hij niet durfde te erkennen.
“Waarom, Linda?” mompelde hij op een nacht, zijn vuist tegen de muur, zijn stem brekend. “Wat heb ik je misdaan?” Maar het raam bleef donker, en hij draaide zich om, zijn stappen zwaar op de kasseien, zijn hart een steen in zijn borst. Hij had het opgegeven, niet omdat hij wilde, maar omdat hij moest. Linda was weg, niet alleen uit zijn leven, maar uit de wereld die ze ooit deelden, de wereld van joints en jenever, van anarchie en chaos, van nachten die nooit eindigden.
Wim vond een nieuw thuis, of wat ervoor doorging, in een kraakpand op Antwerpen-Zuid, een vervallen herenhuis met kapotte ramen en een deur die nooit op slot ging. Mark was daar, zijn ogen harder dan vroeger, zijn lach scherper, maar nog steeds zijn broer, zijn anker. Ze werden broeders in misdaad, hun dagen gevuld met inbraken, hun nachten met drugs. Ze stalen alles wat los zat – fietsen, autoradio’s, portefeuilles uit achterzakken – en braken in waar ze geld of drugs roken. Een nachtwinkel in Borgerhout leverde vijfhonderd frank en een krat bier op, een garage in Berchem een motor die ze voor tweeduizend frank verkochten. “Dit is het leven, Wim,” zei Mark, zijn ogen glinsterend terwijl hij een lijntje speed snoof van een kapotte spiegel. “Geen regels, geen bazen, alleen wij.”
“Tot de flikken komen,” mompelde Wim, zijn stem droog, zijn handen trillerig terwijl hij een joint rolde. Maar Mark lachte, zijn hand op Wims schouder. “Dan rennen we, broeder. Sneller dan zij.” Ze lachten, hun stemmen echoe nd in het lege pand, maar Wim voelde een knoop in zijn maag, een voorgevoel dat hij negeerde, een schaduw die groeide met elke nacht.
Af en toe trokken ze naar Rotterdam, een stad die rauwer leek, wilder, een plek waar de punkscene nog leefde, niet versmacht door de politie of de stad. Ze namen de trein, hun zakken gevuld met gestolen geld, hun hoofden licht van hasj en speed, en belandden in de Witte de Withstraat, het kloppende hart van Rotterdam’s underground. De straat was een chaos van neonlichten, graffiti, en muziek die uit open ramen dreunde, een plek waar punkers, kunstenaars, en zwervers elkaar vonden in een eindeloze nacht. Kaasee, een legendarische punkclub, was hun eerste stop, een groezige kelder waar de muren zweetten en de vloer plakte van gemorst bier. De concerten waren kort, nummers van 45 seconden, een explosie van rauwe energie, en het publiek doopte de bands in een ritueel van bier, eieren, en rotte tomaten, hun geschreeuw luider dan de versterkers.
“Dit is het, Wim!” brulde Mark, een ei in zijn hand, zijn ogen wild terwijl hij het naar de zanger van een band gooide, een magere kerel met een gescheurde broek. De zanger lachte, zijn gezicht druipend van dooier, en brulde een nieuwe song, zijn stem rauw en ongepolijst. Wim lachte mee, zijn hoofd licht, zijn lichaam los, maar zijn ogen dwaalden naar de rand van de zaal, waar een groepje punkers nerveus keek naar de deur, bang voor een politie-inval. “Ze komen hier ook,” mompelde een punker naast hem, een meisje met groen haar en een veiligheidsspeld in haar lip. “Altijd op zoek naar drugs of problemen.”
Wim knikte, zijn maag draaiend, maar hij duwde de angst weg, zijn hand sluitend rond een flesje Stella. “Laat ze maar komen,” zei hij, zijn stem bruisend, maar zijn ogen verraadden een groeiende paranoia, een schaduw die hem volgde, zelfs hier. Na Kaasee trokken ze naar Exit, een punkcafe verderop in de Witte de Withstraat, een smoezelige plek met een jukebox vol Sex Pistols en The Clash, en tafels bekrast met initialen en anarchietekens. Bots was de gastheer, een reus van een kerel met een kaal hoofd en een litteken over zijn wenkbrauw, zijn bijnaam een waarschuwing en een belofte. “Jij bent vriend of vijand,” zei hij tegen Wim, zijn stem laag, zijn ogen vernauwend terwijl hij een pint voor hem neerzette. “Kies maar.”
“Vriend,” zei Wim, zijn grijns breed, zijn hand uitgestrekt. Bots lachte, zijn hand als een bankschroef, en sloeg Wim op de schouder. “Goed zo, jongen. Drink!” De nacht werd een waas van bier, hasj, en speed, de jukebox dreunend, de punkers dansend, hun stemmen een koor van rebellie. Maar zelfs in Exit voelde Wim de schaduw, de angst voor de politie, de paranoia die groeide met elke snuif, elke nacht, elke inbraak.
“Ze kijken altijd,” mompelde hij tegen Mark, zijn ogen op de deur gericht, zijn handen trillerig. Mark lachte, zijn arm om Wim heen. “Laat ze kijken, broeder. Wij zijn sneller.” Maar Wim voelde het, een koude rilling, een voorgevoel dat hij niet kon negeren, een schaduw die hem volgde, zelfs in de chaos van Rotterdam.
De afgrond
De winter van 1980 was koud, de straten van Antwerpen bedekt met een dunne laag ijs, de nachten langer en zwaarder. Wim voelde zich steeds meer afglijden, zijn hoofd een chaos van drugs en paranoia, zijn lichaam een wrak van speed en heroï ne. De nachten in het kraakpand waren een roes van naalden en gelach, maar de dagen waren een hel, zijn ogen rood, zijn handen trillerig, zijn gedachten een wirwar van schaduwen en schimmen. Hij zag politie overal, zelfs waar ze niet waren – een man in een donkere jas, een schaduw in een steeg, een stem achter een muur. “Ze komen voor ons,” mompelde hij tegen Mark, zijn stem schor, zijn ogen wild. Mark lachte, zijn hand op Wims schouder. “Rustig, Wim. Het is de speed. Niemand komt.”
Maar Wim wist beter, of dacht dat hij het wist. De politie was een constante dreiging, hun ogen altijd op de punkers gericht, hun handen altijd klaar om te fouilleren, te arresteren, te breken. Hij herinnerde zich de invallen in De Skipper, de paspoortcontroles op het Conscienceplein, Lorenzo’s arrestatie, en voelde een paranoia die zijn gedachten vulde, een angst die hem opslokte. “Ze weten het,” zei hij, zijn stem brekend, zijn ogen op de muur gericht, waar hij dacht een schaduw te zien bewegen. “Ze weten van de inbraken, van de drugs. Ze komen.”
Mark zuchtte, zijn ogen moe, maar zijn stem vast. “Wim, je moet kalmeren. Neem een biertje, ga slapen.” Maar Wim kon niet slapen, niet kalmeren, niet ontsnappen. De drugs waren zijn vriend en zijn vijand, een ritueel dat hem levend hield en hem tegelijk vernietigde. Hij zag schaduwen op de muren, hoorde stemmen in de wind, voelde ogen in zijn rug, en wist dat het niet goed was, dat hij niet goed was, maar hij kon er niets aan doen.
Op een ochtend, zijn hoofd bonzend, zijn ogen brandend, besloot Wim dat hij weg moest, weg uit Antwerpen, weg uit de stad die hem opslokte. Hij pakte een rugzak, propte er een paar kleren in, een pakje sigaretten, een flesje jenever, en liep naar het treinstation, zijn stappen wankel, zijn gedachten een chaos.
Onderweg botste hij tegen Gerard, een jonge landloper uit Lyon, zijn haar vuil, zijn ogen helder maar hongerig. “Waar ga je naartoe, vriend?” vroeg Gerard, zijn Franse accent zwaar, zijn glimlach scheef.
“Weg,” zei Wim, zijn stem rauw, zijn ogen op de horizon gericht. “Parijs, misschien. Waar het warm is, waar niemand me kent.” Gerard lachte, zijn hand op Wims schouder. “Parijs klinkt goed. Ik ga mee.” Ze hadden geen geld, geen plan, alleen een gedeelde wanhoop, een behoefte om te vluchten, en dat was genoeg. Ze stapten op de trein naar Parijs, zonder kaartje, hun harten bonzend, hun ogen op de deuren gericht, bang voor de conducteur.
Het was putje winter, januari 1981, en de trein was koud, de ramen beslagen, de stoelen hard. Wim en Gerard zaten in een hoekje, hun rugzakken op de grond, hun stemmen zacht. “Waarom Parijs?” vroeg Gerard, zijn ogen op Wim gericht, zijn handen trillerig van de kou. Wim haalde zijn schouders op, zijn stem laag. “Geen idee. Het is ver. Het is anders. Misschien is het beter.” Gerard lachte, zijn adem wolkjes vormend. “Beter? Man, het is overal hetzelfde. Maar samen is het draaglijk.”
Ze praatten, hun stemmen een zachte melodie in de koude wagon, over dromen die ze niet meer geloofden, over steden die ze nooit zouden zien, over een leven dat ze ooit wilden. “Ik wilde kunstenaar zijn,” zei Gerard, zijn ogen glazig. “Schilderen, zoals Picasso. Maar de straat eet je op, weet je?” Wim knikte, zijn ogen op de voorbijflitsende velden gericht. “Ik wilde vrij zijn,” zei hij, zijn stem brekend. “Maar vrijheid kost te veel.”
De conducteur betrapte hen in het midden van de nacht, zijn zaklamp flitsend, zijn stem scherp. “Kaartjes!” Wim en Gerard keken elkaar aan, hun harten bonzend, en probeerden te bluffen, maar de conducteur was niet te vermurwen. “Eruit!” brulde hij, en ze werden uit de trein geschopt in een onooglijk Waals dorp, de naam van het station onleesbaar in de sneeuw. Ze stonden op het perron, de vrieskou bijtend in hun botten, hun adem wolkjes vormend in de duisternis.
“Wat nu?” vroeg Gerard, zijn stem trillerig, zijn ogen op Wim gericht. Wim zuchtte, zijn handen in zijn zakken, zijn gedachten een chaos. “Terug is geen optie,” zei hij, zijn stem vast. “We lopen.” Ze trokken te voet verder, de sneeuw krakend onder hun schoenen, de nacht een eindeloze tunnel. Niet veel verder zagen ze een Citroe n DS Super de Luxe voor een garage, de autosleutel glinsterend in het slot, een geschenk van het lot.
“We nemen hem,” zei Wim, zijn stem laag, zijn ogen op de wagen gericht. Gerard aarzelde, zijn handen trillerig. “Dat is diefstal, man,” zei hij, zijn stem gespannen. “We worden gepakt.” Wim lachte, een rauw, bitter geluid. “We worden toch gepakt, Gerard. Dit is onze kans.” Hij stapte in, zijn handen op het stuur, en na een moment van twijfel volgde Gerard, zijn ogen groot van angst en opwinding.
Ze reden uren, de weg glad van sneeuw en ijs, hun ogen op de horizon gericht, hun harten bonzend. “Zijn we dicht bij Frankrijk?” vroeg Gerard, zijn stem zacht, zijn handen trillerig. Wim haalde zijn schouders op, zijn ogen op de weg. “Geen idee. Maar we gaan vooruit.” Ze lachten, hun stemmen een zachte rebellie tegen de kou, maar de benzinetank liep leeg, en net voor de grens sputterde de motor, de wagen stilvallend op de pechstrook van een verlaten snelweg.
“Shit,” mompelde Wim, zijn handen op het stuur, zijn ogen op de lege tank gericht. Gerard zuchtte, zijn adem wolkjes vormend. “We slapen hier,” zei hij, zijn stem vast. “Het is te koud om te lopen.” Ze kropen dichter bij elkaar, hun jassen als dekens, de kou bijtend in hun botten, hun ogen sluitend in een wanhopige poging om te ontsnappen.
Het was een slechte gok. Bij het ochtendgloren bonkte een politieagent op het raam, zijn stem scherp, zijn ogen vernauwend. “Uitstappen!” Wim en Gerard werden uit de wagen gesleurd, hun handen achter hun rug, hun harten bonzend.
“Joyriding,” zei de agent, zijn stem vlak, terwijl hij hun paspoorten controleerde.
“Jullie zijn zo vrij.” Maar toen hij Wims naam intikte, gingen de alarmbellen af. Mark was opgepakt in Antwerpen, zijn mond te los, zijn vinger wijzend naar Wim, en de inbraken, de drugs, de chaos kwamen als een vloedgolf over hem heen.
Gerard werd vrijgelaten, zijn ogen vol spijt terwijl hij Wim achterliet. “Sterkte, vriend,” mompelde hij, zijn stem brekend, en Wim knikte, zijn keel droog, zijn hart zwaar. Hij werd in een combi geduwd, zijn handen in boeien, en de rit naar Antwerpen was een nachtmerrie, de stad een gevangenis die hem terugzoog.
De hel van Begijnenstraat
De Begijnenstraat-gevangenis was geen plek, het was een beproeving, een wereld van beton en staal waar de tijd stil leek te staan en elke dag een gevecht was. De omgeving was er een van muffe stank, een mix van zweet, pis, en desinfectiemiddel dat nooit de geur van wanhoop kon maskeren. De cellen, klein en grijs, met muren vol krassen en scheldwoorden, waren koud, zelfs in de lente van 1981, de dunne matras op het metalen bed een marteling voor Wims rug. De sfeer was er een van constante spanning, een onzichtbare draad die strak stond tussen de gevangenen, de bewakers, en de stilte van de nacht, die werd doorbroken door geschreeuw, gekletter van deuren, en het zachte snikken van mannen die hun trots probeerden te bewaren.
Wim zat elf maanden, maar de eerste weken waren een hel die hij nooit zou vergeten. Zijn lichaam trilde van de ontwenning, de heroï ne en speed die zijn bloed hadden gevoed nu een gif dat hem van binnenuit verscheurde. Zijn nachten waren gevuld met koorts, zijn hoofd een chaos van hallucinaties – schaduwen die bewogen in de hoeken van zijn cel, stemmen die zijn naam fluisterden, politieagenten die hem achtervolgden, zelfs hier. Zijn dagen waren een waas van stilte en schuld, zijn ogen rood, zijn handen trillerig terwijl hij op zijn brits lag, starend naar het plafond, waar een barst leek te dansen in het schemerlicht.
“Jij overleeft dit niet, punker,” snauwde een bewaker, een brede man met een kaak als staal, terwijl hij Wims celdeur opengooide voor de ochtendtelling. “Te zwak.” Wim keek op, zijn ogen glazig, zijn stem rauw. “Fuck you,” mompelde hij, zijn bravoure een reflex, maar zijn lichaam beefde, zijn maag krampend van de honger en de afkick. De bewaker lachte, een koud, scherp geluid, en sloeg de deur dicht, het metaal echoe nd door de gang. Wim zakte terug, zijn hoofd bonzend, zijn gedachten tollend. Hij dacht aan Mark, aan Linda, aan de nachten in De Skipper, aan de chaos die hem hier had gebracht, en voelde een schuld die zwaarder was dan de muren om hem heen.
De gevangenis was een hie rarchie van geweld en overleving, een wereld waar zwakte een doodvonnis was. De eerste maand werd Wim getest, zijn magere lijf een doelwit voor de oudere gevangenen, mannen met tatoeages en ogen die niets meer voelden. “He , punker,” gromde een kerel met een litteken over zijn wang, zijn stem laag terwijl hij Wim in de kantine tegen de muur duwde. “Wat heb je voor me? Sigaretten? Geld?” Wim voelde zijn hart bonzen, zijn handen trillerig, maar hij rechtte zijn rug, zijn ogen vernauwend. “Niks, klootzak,” snauwde hij, zijn stem rauw, zijn bravoure een schild. De man lachte, zijn vuist geheven, maar een andere gevangene, een oudere dief genaamd Jos, greep zijn arm. “Laat hem, Karel,” zei Jos, zijn stem kalm maar vast. “Hij’s al kapot.”
Karel spuugde op de grond, zijn ogen vernauwend, maar liep weg, zijn laarzen bonkend op de betonnen vloer. Wim keek Jos aan, zijn adem zwaar, zijn ogen glinsterend van een mix van angst en dankbaarheid. “Waarom?” vroeg hij, zijn stem zacht, zijn handen trillerig. Jos haalde zijn schouders op, zijn ogen moe maar menselijk. “Omdat ik ook zo begon, jongen,” zei hij, zijn stem laag. “We zijn allemaal kapot hier. Hou je taai.” Hij gooide Wim een sigaret toe, een kleine daad van troost, en Wim ving hem, zijn vingers trillerig, zijn hart iets lichter.
Die momenten van troost waren zeldzaam, maar ze waren er, als kaarslicht in een storm. De gevangenen, hoe gebroken ook, vonden soms kracht in hun gedeelde ellende, een stil begrip dat hen verbond. In de kantine, tussen het geschraap van lepels en het gemompel van stemmen, deelde Wim een tafel met Jos en een jonge verslaafde, Pieter, een jongen van amper twintig met ogen die te oud waren voor zijn gezicht. “Hoe hou je het vol?” vroeg Pieter, zijn stem zacht, zijn handen trillerig terwijl hij een sigaret rolde. “Ik zie mijn zus overal, in mijn hoofd, weet je? Ze denkt dat ik dood ben.”
Wim keek op, zijn ogen moe, zijn stem rauw. “Je houdt vol omdat je moet,” zei hij, zijn woorden eenvoudig maar eerlijk. “Ik zie schaduwen, politie, alles. Maar je vecht, Pieter. Voor je zus, voor jezelf.” Pieter knikte, zijn ogen glinsterend, en stak de sigaret aan, de rook een zachte sluier tussen hen. “Voor mijn zus,” mompelde hij, zijn stem brekend, en Wim voelde een warmte, een band die sterker was dan de muren om hen heen.
Maar de gevangenis was ook wreed, een plek waar geweld altijd loerde. Een nacht hoorde Wim geschreeuw in de gang, een gevecht dat eindigde met bloed op de vloer, een gevangene die werd afgevoerd, zijn gezicht een puinhoop. “Hou je bek en blijf in je cel!” brulde een bewaker, zijn knuppel tegen de tralies, zijn ogen hard. Wim lag op zijn brits, zijn hart bonzend, zijn gedachten tollend. Hij dacht aan de Hells Angels in De Skipper, aan hun ruige reputatie, en besefte dat de gevangenis zijn eigen regels had, zijn eigen monsters.
In die chaos vond Wim een onverwacht anker: een dominee van de Antwerpse Pinkstergemeente, een man met grijs haar en ogen die niet oordeelden. Hij kwam elke week, zijn Bijbel onder zijn arm, zijn stem zacht maar vast. “Je bent niet verloren, Wim,” zei hij op een ochtend, terwijl ze in een kale bezoekruimte zaten, de muren geel van nicotine, de sfeer er een van stille wanhoop. “God vergeeft, als jij wilt veranderen.” Wim lachte, een rauw, bitter geluid, zijn ogen op de grond gericht. “God? Die heeft hier niks te zoeken,” snauwde hij, zijn stem hard, zijn handen trillerig.
De dominee glimlachte, zijn ogen warm, zijn stem onverstoorbaar. “Misschien niet,” zei hij, zijn handen gevouwen. “Maar jij bent hier, Wim. En jij kunt kiezen. Voor chaos, of voor iets anders.” De woorden bleven hangen, een anker in de storm, en Wim voelde iets verschuiven, een sprankje dat hij niet durfde te benoemen. Hij nam de Bijbel aan, een versleten boek dat vreemd aanvoelde in zijn handen, en begon te lezen, de verhalen een sprookje dat hem toch troostte. “Ik wil schoon zijn,” mompelde hij, zijn ogen op het plafond gericht, zijn handen trillerig. “Geen drugs meer, geen chaos.”
De laatste vijf maanden in de Begijnenstraat waren minder wreed, maar nog steeds een beproeving. De sfeer was er een van monotone uitputting, een eindeloze herhaling van tellingen, maaltijden, en stiltes die zwaarder wogen dan de muren. Wim was nuchter, zijn lichaam sterker, zijn hoofd helderder, maar de gevangenis bleef een plek waar hoop een luxe was. Hij vond troost in kleine rituelen: het lezen van de Bijbel, het delen van sigaretten met Jos en Pieter, het luisteren naar hun verhalen in de kantine, waar de omgeving er een was van grauwe routine, de tafels bekrast, de stoelen wankel, de lucht zwaar van goedkope soep en oud zweet.
“Wat ga je doen als je eruit bent?” vroeg Jos op een avond, zijn ogen moe, zijn stem zacht terwijl hij een sigaret deelde. Wim keek op, zijn handen rond een mok slappe koffie, zijn gedachten tollend. “Geen idee,” zei hij, zijn stem rauw maar eerlijk. “Werk zoeken, denk ik. Een plek. Iets… iets normaals.” Jos lachte, een warm, wrang geluid, en klopte op Wims schouder. “Normaal is overschat, jongen,” zei hij, zijn ogen glinsterend. “Maar je verdient het. Blijf schoon.”
Pieter, zijn ogen nog steeds te oud voor zijn gezicht, knikte, zijn stem zacht. “Ik wil mijn zus zien,” zei hij, zijn handen trillerig terwijl hij een sigaret rolde. “Haar zeggen dat ik het kan, weet je? Dat ik niet dood ben.” Wim voelde een steek, een pijn die hij kende, en legde zijn hand op Pieters arm, een zeldzaam gebaar van troost. “Je gaat het doen, Pieter,” zei hij, zijn stem vast, zijn ogen glinsterend. “Voor haar.”
De dominee werd een constante, zijn bezoeken een baken in de grauwe dagen. “Waarom doe je dit?” vroeg Wim op een ochtend, zijn ogen op de Bijbel gericht, zijn stem rauw maar nieuwsgierig. “Waarom geef je om lui zoals ik?” De dominee glimlachte, zijn ogen warm, zijn stem zacht. “Omdat ik zie wat jij niet ziet, Wim,” zei hij, zijn handen gevouwen. “Een man die kan veranderen, die kan bouwen. Jij bent meer dan je fouten.” Wim voelde zijn keel droog worden, zijn ogen glinsterend, en knikte, zijn stem te zwak om te antwoorden. Hij las verder, de verhalen een vreemd kompas, en begon te geloven, misschien opportunistisch, misschien echt, dat hij een uitweg kon vinden.
De gevangenis was geen sprookje, geen plek van verlossing, maar in die stilte, in die troost, vond Wim kracht. Hij deelde sigaretten met Jos, luisterde naar Pieters verhalen, en las de Bijbel, zijn vingers over de pagina’s, zijn gedachten een mix van scepsis en hoop. “Ik wil schoon zijn,” fluisterde hij, zijn stem rauw, zijn ogen op het plafond gericht, de barst nu een vertrouwde vriend. “Geen drugs meer, geen chaos.”
Na elf maanden stapte hij de gevangenis uit, nuchter, zijn ogen helder, zijn hart nog zwaar maar vastberaden. De omgeving buiten was er een van grauwe straten, de stank van uitlaatgassen, de geluiden van trams en stemmen, maar het voelde als vrijheid, een kans die hij niet wilde verspillen. Hij vond een gemeubelde kamer onder een aflopend dak, een zolder waar de hitte in de zomer hem verstikte, de muren geel van nicotine, de vloer krakend onder zijn stappen. Hij kocht een kat, een magere grijze die hij Punk noemde, haar ogen glinsterend terwijl ze tegen zijn been wreef, een stille metgezel in zijn eenzame nachten.
Wim vond werk als interim-arbeider bij Atlas Copco, een Zweedse fabrikant van pneumatisch gereedschap. De dagen waren lang, het werk zwaar, de fabriek een wereld van lawaai en staal, maar het gaf hem iets – een ritme, een reden om op te staan, een kans om te bewijzen dat hij meer was dan een punker, een dief, een schim. “Je doet het goed, Wim,” zei zijn voorman, een man met eeltige handen en een zachte stem, terwijl hij Wim een schouderklop gaf. “Blijf zo doorgaan.” Wim knikte, zijn ogen op de grond, zijn hart licht van een trots die hij lang niet had gevoeld.
Hij verbrak alle contact met zijn oude vrienden, hun namen een pijnlijke echo – Mark in de gevangenis, Linda met Gert, Lorenzo en Luca verdwenen. Een paar jeugdvrienden, jongens die nooit in de punkscene zaten, hielpen hem op het rechte pad, hun stemmen een baken in de duisternis. “Je bent sterker dan je denkt,” zei Koen, een oude schoolvriend, zijn ogen zacht terwijl hij Wim een pint toeschoof in een cafe aan de Melkmarkt, de sfeer er een van warme samenhorigheid, de radio speelde iets van Zita Swoon, een post-punkgeluid dat je hart vulde met onzin maar die in de tijdsgeest paste als de handschoen van OJ Simpson. “Je bent eruit, Wim. Blijf eruit.”
Na een jaar stond hij op zijn beide voeten, zijn leven een fragiele maar stabiele constructie. Hij vond een bediendecontract als werkvoorbereider bij een studiebureau in de petrochemie, een vetbetaalde job die hem een kantoor, een pak, en een toekomst gaf. De omgeving was er een van steriele orde, computers zoemend, papieren ritselend, de geur van koffie en inkt een nieuwe wereld. “Dit is het,” mompelde hij, zijn ogen op zijn bureau gericht, zijn handen op een stapel tekeningen. “Dit is wie ik ben.” Maar de wereld had andere plannen. In 1998 brak de eerste Irakoorlog uit, en alle projecten werden stilgelegd, de petrochemie een slagveld van onzekerheid. Wim werd ontslagen, zijn contract verscheurd, zijn toekomst een vraagteken.
Hij besloot als taxichauffeur te werken, een tijdelijke oplossing, een manier om de rekeningen te betalen. De sfeer in de taxi was er een van eenzame intimiteit, de nacht een cocon van stilte en neonlichten, de stad een spiegel van zijn gedachten. “Het is maar voor even,” zei hij tegen zichzelf, zijn handen op het stuur, zijn ogen op de natte straten van Antwerpen. Maar de taxi werd zijn leven, de nacht zijn thuis, de stad zijn spiegel. Hij zag de wereld veranderen – de punkscene stierf, de rauwe energie van de jaren ’70 vervaagd in de gruwelijke jaren ’80 en ’90, waar synthpop en new wave de jukeboxen vulden, waar post-punkbands zoals Minny Pops en Mekanik Kommando een nieuwe, koude sound brachten, en waar de electroscene, gevoed door Rotterdamse labels zoals Clone, een digitale revolutie ontketende. Pc’s verschenen, floppydisks en modems een nieuwe magie, en Wim keek ernaar, zijn ogen moe, zijn hart zwaar van een tijd die hij niet meer begreep.
“De wereld draait door,” mompelde hij, zijn stem rauw, zijn ogen op de stad gericht. Hij was nuchter, hij was stabiel, maar hij was alleen, zijn kat Punk zijn enige metgezel, zijn taxi zijn enige anker. De nachten waren lang, de klanten een parade van vreemden, maar in de stilte van zijn wagen vond hij iets, een rust die hij nooit had verwacht, een hoop die hij niet durfde te benoemen. Hij dacht aan Mark, aan Linda, aan de nachten in De Skipper, aan Bots in Exit, aan de Witte de Withstraat, en voelde een pijn die nooit helemaal wegging, maar ook een kracht die hem droeg, een vastberadenheid die hem levend hield.
Maar toen, op die grauwe ochtend, terwijl hij de Steenborgerweert naderde, hoorde hij een stem, rauw en vertrouwd, vanuit de schaduw van de centrale. “Wim De Gier, verdomme, ben jij het?” Wim voelde zijn adem stokken. Hij draaide zich om en zag een figuur staan, een vrouw, haar silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Ze droeg een versleten regenjas, haar haar lang en nat, een sigaret in haar hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Linda? Sara? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? Ze stapte dichterbij, haar ogen vangend in het ochtendlicht, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als uitdagend was, stak ze haar sigaret in de lucht, een gebaar dat Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Wim voelde een rauwe lach opborrelen, zijn vermoeidheid vervagend, terwijl de vrouw naar hem toe liep, haar glimlach een belofte van een ochtend die alles kon veranderen.
Hoofdstuk 14: Het weerzien met Linda
“Wim De Gier, verdomme, ben jij het?” De stem sneed door de ochtendmist, rauw en vertrouwd, terwijl Wim de deur van het bureel van de taxicentrale aan de Steenborgerweert achter zich dichttrok, zijn dagtaak afgesloten, zijn lichaam zwaar van een lange nacht achter het stuur. Hij draaide zich om, zijn hart bonzend, zijn ogen knijpend tegen het felle licht van een lantaarnpaal. Daar stond ze, een vrouw, haar silhouet scherp tegen de grauwe gebouwen van
Antwerpen Noord, een versleten regenjas om haar schouders, haar lange, natte haar tegen haar gezicht geplakt, een sigaret bungelend tussen haar vingers. Ze stapte dichterbij, haar ogen vangend in het ochtendlicht, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als voorzichtig was, stak ze haar sigaret in de lucht, een gebaar dat Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap, naar een leven dat hij dacht begraven te hebben.
Het was Linda. Geen twijfel mogelijk. Haar rode haar was nu dof, korter, met grijze strepen die glinsterden in de motregen, maar haar ogen – scherp, bruisend, zelfs na al die jaren – waren onmiskenbaar. Ze was ouder, haar gezicht getekend door lijnen van strijd en overleving, maar ze stond fier, haar houding sterk, haar glimlach een mix van pijn en warmte. Wim voelde zijn adem stokken, zijn sigaret vallend op de natte kasseien, zijn handen trillerig terwijl hij naar haar keek, zijn hoofd een chaos van herinneringen en spijt.
“Linda,” fluisterde hij, zijn stem schor, zijn ogen groot van ongeloof. “Jij… hoe…” Hij zweeg, de woorden verstikkend in zijn keel, zijn gedachten tollend. De laatste keer dat hij haar zag, was in 1980, onder haar raam bij de Grote Markt, haar stem koud: “Wim, stop. Laat me met rust.” Dat was vo o r zijn ondergang, vo o r de gevangenis, vo o r de jaren die hem hadden gebroken en weer opgebouwd. Nu stond ze hier, in 2000, voor het bureel van de centrale, een spook uit zijn verleden, een baken van wat ooit was.
Ze lachte, een kort, wrang geluid, en nam een trek van haar sigaret, de rook kringelend in de mist. “Ja, ik,” zei ze, haar stem zacht maar vast, haar ogen op hem gericht. “Je ziet eruit alsof je een geest hebt gezien, Wim.” Ze stapte dichterbij, haar regenjas ruisend, en leunde tegen de muur van het bureel, haar houding ontspannen maar waakzaam, alsof ze wist dat dit moment gevaarlijk kon zijn, voor hen allebei.
Wim slikte, zijn handen in de zakken van zijn versleten jack, zijn ogen op de grond gericht, bang om haar aan te kijken, bang om de pijn te zien die hij wist dat daar lag. “Ik… ik dacht dat je weg was,” mompelde hij, zijn stem brekend. “Gent, toch? Mark zei…” Hij zweeg, de naam van Mark een steek in zijn borst, een herinnering aan hun laatste confrontatie, aan de gevangenis, aan alles wat hij had verloren.
Linda’s glimlach vervaagde, haar ogen vernauwend, maar haar stem bleef kalm. “Gent, ja. Een tijdje. Maar ik ben terug, al een paar jaar.” Ze nam een nieuwe trek, haar ogen op de stad gericht, de neonlichten van een nabijgelegen cafe flikkerend in de verte. “Ik woon hier nu, niet ver. Een flat, een job, een kind.” Ze zweeg, haar stem zachter nu, bijna breekbaar. “Een leven, Wim. Een echt leven.”
Wim voelde een koude rilling, een mix van opluchting en pijn. Een kind. Een leven. Linda had het gedaan, was ontsnapt, had gebouwd wat hij nooit had gekund. Hij dacht aan hun nachten samen, aan de roes van drugs, de lach in rokerige cafe s, haar arm om hem heen, en aan de naalden die haar later hadden geclaimd, de naalden die hij haar had gegeven, de chaos die hij had gevoed. “Dat’s… dat’s goed,” zei hij, zijn stem schor, zijn ogen op haar gericht, zoekend naar de Linda die hij kende, de Linda die hij had liefgehad, op zijn eigen gebroken manier.
Ze keek hem aan, haar ogen scherp, haar glimlach verdwenen. “Is het goed, Wim?” vroeg ze, haar stem laag, een rand van woede erin. “Weet je wat het kostte om hier te komen? Om clean te worden, om iets te maken van deze… deze rotzooi die we ons leven noemden?” Ze gooide haar sigaret op de grond, haar voet eroverheen, haar handen trillerig. “Jij was daar, Wim. Jij was erbij, elke nacht, elke naald, elke stomme keuze. En toen was je weg, en ik moest het alleen doen.”
Wim voelde zijn maag draaien, zijn schuldgevoel als een mes in zijn borst. “Ik… ik wist niet hoe,” zei hij, zijn stem brekend, zijn ogen op de kasseien gericht. “Ik was kapot, Linda. De drugs, de inbraken, de gevangenis… ik kon niet blijven.” Hij keek op, zijn ogen glinsterend, zijn stem rauw. “Ik probeerde je te zien, weet je nog? Onder je raam, bij Gert. Maar je wilde me niet.”
Linda’s ogen vernauwden, haar kaken strak, maar haar stem werd zachter, vermoeid. “Omdat je me mee zou sleuren, Wim,” zei ze, haar stem bijna fluisterend. “Elke keer dat ik je zag, rook ik de hasj, zag ik de naalden, voelde ik de nacht. Ik kon dat niet meer. Gert… hij was saai, ja, met zijn boeken en zijn dromen, maar hij was veilig. Hij hielp me eruit.” Ze zweeg, haar ogen op de stad gericht, de motregen glinsterend op haar gezicht. “En nu heb ik mijn dochter, Anna. Ze is zes.
Ze is alles.”
Wim voelde een steek, een pijn die hij niet kon benoemen, een mix van jaloezie en bewondering. “Anna,” herhaalde hij, zijn stem zacht, zijn ogen op haar gericht. “Dat’s mooi, Linda. Echt.” Hij zweeg, zijn handen trillerig, zijn gedachten tollend. Hij dacht aan de nachten die ze deelden, aan de roes, de lach, en aan de nachten die hij alleen doorbracht, in de gevangenis, in zijn zolderkamer, in zijn taxi. “Ik ben clean, weet je,” zei hij, zijn stem rauw, zijn ogen zoekend naar haar goedkeuring. “Al jaren. Ik… ik ben niet meer die Wim.”
Linda keek hem aan, haar ogen zacht maar waakzaam, haar glimlach klein maar echt. “Dat zie ik,” zei ze, haar stem warmer nu, maar nog steeds op haar hoede. “Je bent anders, Wim. Rustiger. Maar…” Ze zweeg, haar ogen op de grond gericht, haar stem zachter. “Maar je bent nog steeds jij. En ik… ik kan niet terug, snap je? Niet naar die tijd, niet naar ons.”
Ze liepen samen naar een bankje bij de centrale, de motregen een zachte sluier om hen heen, de stad ontwakend met het gerinkel van trams en de geur van vers brood van een nabijgelegen bakker. Ze gingen zitten, hun handen in hun zakken, de kou bijtend maar draaglijk, hun stilte zwaar maar niet ongemakkelijk. “Hoe is het met je, Wim?” vroeg Linda, haar ogen op hem gericht, haar stem zacht maar oprecht. “Ik hoorde dat je chauffeur bent. Hoe… hoe hou je het vol?”
Wim lachte, een wrang, rauw geluid, en wreef over zijn gezicht, zijn ogen op de kasseien gericht. “Met koppigheid,” zei hij, zijn stem droog. “En een kat. Punk heet ze. Ze houdt me gezelschap.” Hij keek op, zijn ogen glinsterend, zijn stem zachter. “Het is eenzaam, Linda. Maar het is mijn leven. Ik tel de kosten, weet je? Elke nacht, elke rit, elke klant. Het houdt me recht.”
Linda knikte, haar ogen zacht, haar glimlach warm. “Je bent altijd een denker geweest,” zei ze, haar stem bruisend van een oude genegenheid. “Zelfs in die wilde nachten, met al die chaos, zat jij te filosoferen.” Ze lachte, een helder geluid dat Wims hart verwarmde, en voor een moment waren ze weer jong, weer samen, weer vrij.
Maar de realiteit keerde terug, zoals altijd. “Ik heb je pijn gedaan, he ?” zei Wim, zijn stem rauw, zijn ogen op haar gericht, zijn schuldgevoel een gewicht op zijn borst. “Met de drugs, met alles. Ik… ik wilde dat niet, Linda. Ik was verloren.”
Linda’s ogen vernauwden, haar kaken strak, maar haar stem bleef kalm. “Ja, je hebt me pijn gedaan,” zei ze, haar stem laag, haar ogen glinsterend. “Maar ik ook, Wim. Ik koos voor de naalden, voor de nacht. Dat was niet alleen jij.” Ze zweeg, haar handen trillerig, haar stem zachter. “We waren kinderen, weet je? We dachten dat we vrij waren, maar we waren gevangen. Ik moest eruit, voor Anna, voor mezelf. En jij… jij bent er ook uit, op jouw manier.”
Wim voelde een traan prikken, maar hij slikte hem weg, zijn ogen op haar gericht, zijn stem rauw. “Ik ben trots op je, Linda,” zei hij, zijn woorden oprecht, zijn hart zwaar maar licht. “Je hebt het gedaan. Je hebt gebouwd wat ik nooit kon.”
Linda lachte, een wrang, warm geluid, en schudde haar hoofd. “Gebouwd? Misschien,” zei ze, haar ogen op de stad gericht, waar de neonlichten van cafe s flikkerden, een echo van hun verloren jaren. “Maar het kostte alles, Wim. En ik kan niet riskeren om dat te verliezen. Niet voor jou, niet voor het verleden.”
Wim knikte, zijn ogen glinsterend, zijn stem laag. “Ik weet het,” zei hij, zijn handen in zijn zakken, zijn gedachten tollend. Hij wilde haar vasthouden, haar omhelzen, haar zeggen dat hij haar nooit zou vergeten, maar hij wist dat het niet kon, dat het niet mocht. Ze waren geen kinderen meer, geen punkers meer, geen geliefden meer. Ze waren overlevers, elk op hun eigen pad, en dat was genoeg.
Ze stonden op, de motregen een zachte sluier om hen heen, hun ogen op elkaar gericht, een stilzwijgend afscheid dat zwaarder was dan woorden. “Pas op jezelf, Wim,” zei Linda, haar stem zacht, haar ogen warm. “Je bent sterker dan je denkt.” Ze raakte zijn arm aan, een kort, teder gebaar, en draaide zich om, haar regenjas ruisend terwijl ze de straat overstak, haar silhouet vervagend in de mist, haar stappen een zachte echo op de kasseien.
Wim keek haar na, zijn ogen op de plek waar ze was geweest, zijn hart bonzend, zijn gedachten een mix van verdriet en rust. Linda was weg, voorgoed, niet met een knal, niet met tranen, maar zoals het leven zelf: stil, onvermijdelijk, een pad dat zich splitste en nooit meer kruiste. Hij dacht aan hun nachten, aan de roes, aan de pijn, en aan de kracht die hen beiden had gebracht waar ze nu waren. Hij voelde de vijftig frank van Mark in zijn zak, een symbool van een ander leven, en glimlachte wrang, zijn economische instinct hem influisterend dat sommige kosten nooit worden terugbetaald, maar dat sommige baten – zoals Linda’s kracht, zoals zijn nuchterheid – alles waard waren.
Om te bekomen stapte hij na zijn ontmoeting het cafe weer in waar hij eerder nog goulash had gegeten. Het blondje met de carre was weg—haar shift voorbij. Buiten brak de ochtend aan: acht uur in de morgen, een flauw zonlicht dat door verscheurde regenwolken priemde en pijn deed aan zijn ogen. Hij probeerde de nacht te verdrinken in pils, vermoeidheid en ledigheid, en zijn gedachten om te zetten in jeugd en liefde.
Enkele jonge meisjes, boekentassen over de schouder, staken lachend de straat over naar de bushalte—weg uit deze stad, naar betere scholen, naar hoopvolle oorden. Waarom kon hij niet met hen mee? Waarom mocht hij niet e e n keer zijn droom beleven, bemind worden door tien maagden tegelijk, ontwaken in een cha teau waar zelfs het licht hem deed klaarkomen? Maar dat zou niets kosten. En da t maakte hem bang.
Hij kende de verhalen: mensen die zich vergrepen aan jonge meisjes, zich lieten leiden door hun duistere verlangens, tot ze onderdoor gingen in een overdosis dromen, eindeloos pendelend tussen gevangenis en goot. Maar toch—een sprank van jaloezie knaagde. Nee, liet ze maar vrolijk zijn met hun mythes, elven en vlinders. De realiteit is niet te ontvluchten, ook niet voor even.
Waarom hij werkte? Voor het gevoel dat hij ertoe deed, dat hij nodig was. Eigenlijk zou dat genoeg moeten zijn, maar het was het niet. Zoals het leven zelf nooit genoeg is, zoals alles wat hij deed nooit volstond.
De zon scheen, een waas lag over zijn blik—een Van Gogh-zonnebloem, smekend om kleur in de vaas van zijn bestaan. Hij draaide zich om, schudde zijn jas uit, en liep zonder omkijken terug naar zijn auto. Morgen is een nieuwe dag. Dan wordt alles beter, je zult het zien.
Langzaam liep hij in de richting van zijn flat een straat verderop. Elke stap echode in de stille ochtend. Hij stak zijn handen diep in zijn jaszakken. In zijn rechterhand voelde hij het propje papier dat hij instinctief had meegraaid – het vijftigje van Mark. Hij wist nog niet wat hij ermee zou doen.
Boven hem vlogen een paar duiven schaterend over. Wim keek omhoog naar de roze hemel. Hij voelde zich minuscuul, een stipje in de ontwakende stad.
Aan de overkant van de straat opende een bakker zijn deuren, de geur van vers brood dwarrelde zijn kant op. Een nieuw begin voor velen, maar voor Wim betekende het simpelweg het einde van zijn shift. Straks zou hij slapen terwijl de wereld leefde, en vanavond zou hij weer in de taxi kruipen, de eindeloze cyclus voortzettend.
Hij zuchtte diep en liep de portiek van zijn appartementsgebouw binnen. De trap op, sleutel in het slot van nummer 3. De vertrouwde muffe geur van zijn eenkamerflat begroette hem.
Voordat hij de deur achter zich sloot, wierp Wim een laatste blik op het ochtendlicht dat door het trappenhuis viel. Er was een tijd geweest dat hij met plezier de dageraad tegemoet ging, dansend en lachend na een nacht feesten. Nu was het licht slechts een teken om de gordijnen dicht te trekken en de wereld buiten te sluiten.
Hij sloot de deur. In de duisternis van zijn kamer schopte hij zijn schoenen uit en liet zich op het smalle bed vallen. De stilte was nu compleet. Geen klanten, geen stemmen, alleen zijn eigen ademhaling.
Wim staarde naar het plafond. Mark’s woorden bleven door zijn hoofd spoken. “Je weet me te vinden.”
Met een vermoeide beweging legde hij zijn arm over zijn ogen, vechtend tegen het opkomende schuldgevoel en twijfel. Hij had zijn keuze gemaakt lang geleden. Alleen zijn was veilig. Alleen zijn betekende geen pijn van verlies, geen teleurstelling.
Toch, in de rand van de duisternis achter zijn gesloten ogen, flitste een beeld voorbij: een rokerig cafe , een oude vriend die lacht, een meisje met rood haar dat zegt dat tijd niet bestaat.
Wim draaide op zijn zij, weg van dat alles. Binnen een paar minuten viel hij in een onrustige slaap, de echo van een leven vol spijt en gemiste kansen als enige metgezel. Voorlopig bleef het stil. En in die stilte vond Wim De Gier zijn rust, hoe kil en eenzaam die ook mocht zijn.
Maar de nacht was nog niet echt voorbij, en de gloed van de serveuse’s woorden in de Pimms bleef als een zachte, rauwe herinnering in zijn gedachten. Wim voelde de vijftig frank van Mark in zijn zak, een symbool van hun gebroken band, maar ook haar stem, “Jij bent een nachtmens, net als ik,” een baken van troost dat zijn pijn verzachtte. Hij dacht aan een nacht, jaren terug, die hem nog steeds achtervolgde, een moment van rauwe eenzaamheid dat zijn economische scherpzinnigheid en zijn strijd om betekenis op scherp had gezet.
Het was 1979, een grauwe nacht in een kroeg aan de Paardenmarkt, vlak na zijn tweede jaar als taxichauffeur. Wim zat alleen aan een tafeltje, een lauwe Stella voor zich, zijn hoofd vol demonen. De groep was uiteengevallen, Mark verdwenen, Linda in een kliniek, en Wim voelde zich als een schim, losgesneden van alles wat ooit betekenis had. Hij had die dag een klant geweigerd, een dronken kerel die hem had gesmeekt om zonder meter te rijden, en de gemiste tweehonderd frank knaagden aan zijn geweten, maar hij wist dat het de juiste keuze was. “Wat is dit waard?” had hij gemompeld, zijn stem verloren in de rokerige kroeg, en hij had de pint omgestoten, het glas rollend over de vloer als zijn eigen ziel.
De nacht eindigde in een roes van drank, een wanhopige poging om de leegte te vullen, maar toen hij de volgende dag wakker werd, zijn hoofd bonzend, zijn handen trillerig, wist hij dat hij iets moest vasthouden. Hij had zijn eerste vaste klant gevonden, een oude man die hem elke week naar de haven bracht, en hoewel het hem niet had gered, had het hem een anker gegeven – een manier om de kosten van zijn bestaan te berekenen, zelfs als de baten mager waren.
Terug in de taxi voelde Wim diezelfde rauwe leegte, maar ook een sprankje hoop, aangewakkerd door de serveuse’s woorden. Hij stuurde de taxi rechtstreeks naar de Steenborgerweert, de taxicentrale een grauwe baken in de ochtendmist, geen omwegen, geen afleidingen. De stad ontwakende om hem heen, de motregen een zachte herinnering aan de nacht, en Wim voelde een rauwe vastberadenheid. Hij stak een nieuwe sigaret op, de rook kringelend in de koele lucht, en leunde achterover, zijn gedachten nog bij de serveuse, bij Mark, bij de stad.
Een nieuwe klant verscheen, een man met een versleten jas en een gezicht vol littekens, zijn stem schor van drank. “Naar de haven, vriend,” zei hij, terwijl hij op de achterbank plofte, een fles in zijn hand. “En geen gezeik, oke ?” Wim voelde een koude rilling, maar zijn economische instinct nam over. “Geen gezeik als je betaalt,” zei hij, zijn stem droog, en de man lachte, een rauw geluid. “Jij bent een slimmerik, he ?” zei hij, en hij begon te praten, zijn stem een litanie van verloren banen, gebroken dromen, en een vrouw die hem had verlaten. Wim luisterde, zijn ogen op de weg, zijn hart zwaar maar alert.
Hij dacht aan een andere nacht, a few years after the bar, when he had picked up a client who had given him a raw lesson in survival. Het was een jonge vrouw, een verpleegster met een vermoeide glimlach, die naar het ziekenhuis moest. “Snel, alsjeblieft,” had ze gezegd, haar stem zacht maar dringend. Wim had gereden, zijn blik op de weg, maar haar stem brak toen ze begon te praten. “Weet je, soms denk ik dat ik het niet meer aankan, maar dan zie ik iemand zoals jij, die de nacht draagt, en ik denk: we doen het toch maar.” Wim had geknikt, zijn keel droog, en toen ze uitstapte, had ze hem een fooi van vijfhonderd frank gegeven, haar ogen glinsterend. “Voor de nachtdragers,” zei ze, en Wim had de fooi aangenomen, zijn hart zwaar maar lichter dan voorheen.
Terug in de taxi, terwijl de man met de fles doorratelde, voelde Wim diezelfde rauwe hoop, vermengd met een pijnlijke vastberadenheid. Hij zette hem af bij de haven, zijn fooi een verkreukeld briefje van vijfhonderd frank. “Je bent oke , vriend,” zei de man, zijn stem schor, en Wim knikte, een wrange glimlach op zijn gezicht.
Hij reed verder, de Steenborgerweert naderend, de centrale een grauwe, functionele plek waar chauffeurs hun wagens inleverden en hun nacht afsloten. De stad ontwakende om hem heen, de motregen een zachte herinnering aan de nacht, en Wim voelde een rauwe vastberadenheid. Hij dacht aan een nacht, a few months after the nurse, when he had picked up a group of youths after a party in the Brouwersvliet. Ze waren dronken, hun stemmen rauw, en ze hadden een gitaar bij zich, die ze in de taxi bespeelden. “London Calling!” hadden ze geschreeuwd, hun stemmen een echo van zijn jeugd, en Wim had gelachen, zijn hoofd schuddend terwijl ze hem probeerden mee te krijgen. “Kom op, chauffeur, zing mee!” had een meisje met een leren jack geschreeuwd, en Wim had geweigerd, maar zijn grijns was breder dan ooit. Ze hadden hem een fooi van kleingeld gegeven – “Alles wat we hebben!” – en waren lachend uitgestapt, hun stemmen echoe nd door de straat.
De herinnering bracht een wrange glimlach op zijn gezicht, en hij voelde een rauwe vastberadenheid, een besef dat de nacht, ondanks zijn strijd, altijd iets te bieden had. Hij parkeerde bij de centrale, de grauwe gebouwen van de Steenborgerweert opdoemend in de ochtendmist, en stapte uit, zijn ogen scannend voor Maurice of een andere bureaucraat die hem zou controleren. De stad glinsterde, het ochtendlicht snijdend door de wolken, en Wim voelde zich, voor het eerst in jaren, een deel van iets groters, maar ook een man die de kosten van zijn strijd telde.
Maar toen hoorde hij een stem, rauw en vertrouwd, vanuit de schaduw van de centrale. “Wim De Gier, verdomme, ben jij het?” Wim voelde zijn adem stokken. Hij draaide zich om en zag een figuur staan, een man, zijn silhouet scherp tegen het licht van een lantaarnpaal. Hij droeg een versleten leren jack, zijn haar kort en grijs, een sigaret in zijn hand. Wim’s hart sloeg over. Was het Mark? Lorenzo? Of iemand nieuw, een ander verhaal dat wachtte om verteld te worden? De man stapte dichterbij, zijn ogen vangend in het ochtendlicht, en toen, met een glimlach die zowel vertrouwd als uitdagend was, stak hij zijn sigaret in de lucht, een gebaar dat Wim terugwierp naar de nachten van chaos en kameraadschap. Wim voelde een rauwe lach opborrelen, zijn vermoeidheid vervagend, terwijl de man naar hem toe liep, zijn glimlach een belofte van een ochtend die alles kon veranderen.
Hoofdstuk 15: Een nieuw licht
De ochtendzon brak door de wolken boven Antwerpen, een zachte gloed die de kasseien van de Meir deed glinsteren op 10 mei 2025. Wim De Gier stapte uit zijn oude, maar glanzende taxi, zijn parttime shift achter de rug, zijn lichaam ontspannen na een nacht van rustige ritten. Hij was ouder nu, zijn haar zilvergrijs, zijn gezicht een netwerk van fijne lijnen, maar zijn ogen waren helder, zijn glimlach warm, een man die vrede had gevonden in een sober leven. De stad pulseerde om hem heen, een Antwerpen dat bruisde van vernieuwing – drones zoemden boven de straten, pakketten droppend bij flats met slimme sloten, en de cafe s projecteerden augmented reality (AR)-beelden van dansende figuren, een fusie van punkmode en elektrobeats. Maar voor Wim was de nacht een vertrouwde vriend, en zijn taxi, een klassieker in een wereld van zelfrijdende wagens, zijn toevlucht.
De sfeer was er een van levendige verandering, de stad een lappendeken van oude charme en futuristische flair, waar de dokken van het Eilandje nu schitterden met hippe lofts en de Grote Markt nog steeds de echo’s droeg van eeuwenoude verhalen. Wim sloot zijn taxi af, zijn sleutels rinkelend in zijn hand, en liep naar zijn flat, een paar straten verder, zijn tred licht, zijn gedachten kalm. Hij was nuchter, al tien jaar, sinds 2015, een keuze die hem had bevrijd zonder dat hij ooit terugkeek. Zijn verleden – de chaos, de drugs, de vrienden – was volledig afgesloten, een boek dat hij niet meer hoefde te openen. Nu leefde hij sober, zijn dagen gevuld met kleine genoegens: zijn werk wanneer hij wilde, zijn bloemen op het grote terras, en Rebel, zijn nieuwe kat, die met haar grijze vacht en speelse ogen hem deed denken aan Punk, zijn oude metgezel.
Zijn flat, op de bovenste verdieping van een gerenoveerd pand aan de Kloosterstraat, was een oase van rust. De omgeving was er een van eenvoudige schoonheid, het grote terras een bloeiend tapijt van geraniums, lavendel en rozen, hun geuren vermengd met de zilte bries van de Schelde. Wim opende de glazen deur naar het terras, zijn handen strelend over de bloemblaadjes, zijn ogen glinsterend van een stille trots. Rebel sprong op de rand van een plantenbak, haar staart zwaaiend, en miauwde zacht, een begroeting die Wim’s hart verwarmde. “He , kleine rebel,” mompelde hij, zijn stem warm, zijn vingers krabbend achter haar oren. “Heb je de stad bewaakt?”
Een klop op de deur onderbrak zijn gedachten, en Wim glimlachte, wetend wie het was. Marie, zijn trouwe vriendin, stapte binnen, haar zilveren haar in een losse knot, haar ogen twinklend onder een kleurrijke sjaal. Ze was zestig, maar haar lach was jeugdig, haar veerkracht een baken in Wims leven. “Wim, je terras wordt een jungle!” riep ze, haar stem vrolijk terwijl ze een mand met versgebakken koekjes neerzette, de geur van kaneel de kamer vullend. “Straks noemen ze je de bloemist van de Kloosterstraat.”
Wim lachte, zijn ogen glinsterend, zijn stem speels. “Beter dan taxichauffeur, Marie. Maar ik hou van mijn ritten, zelfs nu.” Hij gebaarde naar een paar stoelen op het terras, waar de ochtendzon schaduwen wierp over de terracotta tegels, en ze gingen zitten, hun handen rond mokken koffie, de sfeer er een van warme intimiteit. Marie was meer dan een vriendin; ze was een constante, een vrouw die zijn stiltes begreep, zijn humor deelde, en zijn soberheid waardeerde. Hun band, diep maar zonder romantiek, was een pijler van zijn nieuwe leven, een geschenk dat hij koesterde.
“Hoe was de nacht?” vroeg Marie, haar ogen op hem gericht, haar stem zacht maar nieuwsgierig. Wim nam een slok koffie, zijn ogen op de stad gericht, waar een drone een pakket dropte met een zachte piep. “Rustig,” zei hij, zijn stem kalm. “Een paar studenten, een oude man die over zijn kleinkinderen praatte. De stad verandert, Marie. Zelfrijdende taxi’s overal, AR in de cafe s. Maar de nacht… die blijft hetzelfde.” Hij glimlachte, zijn economische scherpzinnigheid aangescherpt. “Mensen willen nog steeds een mens, weet je? Iemand die luistert, niet een AI die poe zie schrijft.”
Marie lachte, haar handen gevouwen, haar stem bruisend. “Poe zie? Laat me raden, punkpoe zie?” Ze gebaarde naar een AR-projectie in de verte, waar een hologram van een punker danste op een elektrobeat, een knipoog naar de mode van 2025, waar leren jacks en hanenkammen naast slimme stoffen bloeiden. “Ze
zeggen dat het Eilandje een festival krijgt, Wim. Punk en electro, met
hologrammen van oude bands. Ga je kijken?”
Wim grinnikte, zijn ogen twinklend, zijn stem speels. “Misschien, Marie. Maar alleen als jij meegaat. Jij zou die punkers nog een lesje leren.” Ze lachten, hun stemmen versmeltend met het zachte geruis van de stad, de omgeving er een van levendige harmonie, waar de oude kasseien en nieuwe technologie elkaar vonden. Wim dacht aan 2025, een jaar dat hem verraste met zijn bruisende energie. Hij had gelezen over de Antwerpse stadsvernieuwing, de plannen voor een hypermoderne haven, de AI-gestuurde verkeerslichten die files zouden bannen, en glimlachte. “Ze kunnen de stad slim maken,” mompelde hij, zijn stem warm, “maar de mensen blijven hetzelfde.”
Zijn economische scherpzinnigheid, altijd een kompas, analyseerde de kosten van zijn sobere leven. De prijs van een rit was gestegen, de concurrentie van zelfrijdende taxi’s een uitdaging, maar Wim wist dat zijn waarde niet in francs lag, maar in de momenten die hij deelde – een lach met Marie, een praatje met een klant, de geur van zijn bloemen. “Ik werk voor mezelf,” dacht hij, zijn ogen op een groep jongeren gericht, hun kleren flitsend met AR-patronen, hun stemmen bruisend van dromen. “Voor dit leven, voor deze stad.”
Marie nam een koekje, haar ogen glinsterend, haar stem zacht. “Je hebt het goed, Wim,” zei ze, haar hand op zijn arm, haar warmte een troost. “Ik zie het in je ogen. Je bent thuis.” Wim knikte, zijn ogen op het terras gericht, waar de lavendel wiegde in de bries. “Ja,” zei hij, zijn stem kalm, zijn hart licht. “Thuis.” Hij dacht aan Rebel, aan zijn bloemen, aan de ritten die hij nog zou rijden, en voelde een rust die hij nooit had verwacht, een vrede die hij had gebouwd.
De stad riep, zoals altijd, en Wim wist dat hij morgen weer zou rijden, zijn taxi een baken in de nacht, zijn hart een kompas in een wereld die nooit stilstond. Hij dacht aan de voorspellingen voor 2025 – een AR-bloemenmarkt op de Groenplaats, waar hologrammen van rozen dansten, een punk-electrofestival op het Eilandje, waar jongeren in leren jacks naast AI-drones feestten, een stad waar tuinen groeiden op daken, gevoed door slimme systemen. “Ze kunnen alles veranderen,” dacht hij, zijn ogen op de horizon gericht, waar de Schelde glinsterde, “maar deze stad blijft mijn thuis.”
Hij stond op, zijn handen rond zijn mok, zijn ogen op Marie gericht, zijn glimlach warm. “Zin in nog een koffie?” vroeg hij, zijn stem speels, zijn hart open. Marie lachte, haar ogen twinklend, haar stem bruisend. “Altijd, Wim. Altijd.” Ze bleven zitten, hun stemmen zacht, hun lach een melodie in de ochtend, de sfeer er een van stille vreugde, de stad een canvas van hoop.
Wim dacht aan de toekomst, aan kleine dromen die hij durfde te koesteren – een cursus schilderen, om de kleuren van zijn terras vast te leggen, een nieuwe bloem voor zijn tuin, een rit naar een stad die hij nooit had gezien. Het waren geen grote plannen, geen revoluties, maar ze waren genoeg, een bewijs dat hij leefde, dat hij sterker was dan hij ooit had gedacht. Marie’s lach, Rebel’s zachte spinnen, de geur van lavendel – dat was zijn leven, sober, nuchter, en vol.
Hij keek naar de stad, de zon nu hoger, de kasseien glinsterend, en voelde een glimlach opkomen, niet rauw, niet zwaar, maar menselijk, eerlijk, zijn. Morgen zou hij rijden, de nacht zijn vriend, de stad zijn spiegel, en dat was genoeg. In 2025, met zijn drones en hologrammen, zijn punk en electro, zijn chaos en hoop, zou Wim De Gier leven, met een rust die hij had verdiend, een licht dat hij had gevonden.
Nabeschouwingen en toelichtingen.
Flowerpower en de hippiebeweging
De flowerpower- en hippiestroming van de jaren ’60 was meer dan een modegril of een muziekgenre; het was een culturele revolutie die de wereld opschudde met dromen van vrede, liefde en vrijheid. De sfeer was er een van ongebreidelde hoop, een tijd waarin jongeren de starre structuren van de naoorlogse samenleving verwierpen en een nieuwe wereld voorstelden, vrij van oorlog, kapitalisme en onderdrukking. De ideologische wortels lagen in een mix van antiestablishmentgevoelens, geï nspireerd door de Vietnamoorlogprotesten, de burgerrechtenbeweging, en een herontdekte interesse in Oosterse spiritualiteit, zoals boeddhisme en hindoeï sme. Deze idealen vonden hun weg naar Antwerpen, waar cafe s zoals De Muze, een toevluchtsoord voor dichters en dromers, de geest van de beweging vingen, belichaamd door figuren zoals Ferre Grignard, wiens rauwe bluesstem een lokale legende werd.
De muziek was het hart van de hippiecultuur, een psychedelische symfonie van klanken die de grenzen van rock en folk verlegde. Bands zoals The Beatles, met hun Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band (1967), en Jefferson Airplane, met nummers zoals “White Rabbit,” brachten een experimentele, dromerige sound die perfect paste bij de LSD-gedreven verbeelding van de tijd. Bob Dylan’s poe tische folk en Joan Baez’s activistische ballades gaven stem aan de protesten, terwijl Jimi Hendrix’s gitaar de rauwe energie van de revolutie ving. In Antwerpen weergalmden deze klanken in De Muze, waar lokale artiesten zoals Grignard de hippie-idealen van vrijheid en gemeenschap vertaalden naar een Vlaamse context, hun optredens een baken voor jongeren die droomden van een andere wereld.
De houding van de hippies was er een van radicale openheid, een geloof in liefde als antwoord op haat, in gemeenschap als alternatief voor individualisme. Ze droegen kleurrijke gewaden, bloemen in hun haar, en omarmden vrije liefde, vaak onder invloed van psychedelische drugs zoals LSD en marihuana, die hun spirituele en creatieve grenzen openden. Deze houding werd versterkt door literatuur die de beweging vormgaf: Jack Kerouac’s On the Road (1957) vierde de zoektocht naar vrijheid, Allen Ginsberg’s Howl (1956) schreeuwde tegen conformisme, en Timothy Leary’s geschriften over psychedelica predikten een nieuwe bewustzijnsrevolutie. In Antwerpen lazen jongeren deze werken in cafe s, hun discussies bruisend van idealisme, hun dromen geï nspireerd door een wereld die ze wilden veranderen.
Sleutelmomenten zoals Woodstock in 1969, waar een half miljoen mensen samenkwamen voor drie dagen van muziek en vrede, en de protesten van 1968, die wereldwijd studenten mobiliseerden tegen autoriteit, waren de hoogtepunten van de beweging. Woodstock, met optredens van Santana, The Who, en Crosby, Stills, Nash & Young, werd een symbool van eenheid, een moment waarop de hippie-idealen van liefde en vrijheid tastbaar werden. De protesten van 1968, van Parijs tot Chicago, gaven de beweging een politieke rand, met eisen voor sociale rechtvaardigheid en een einde aan de Vietnamoorlog. In Antwerpen vonden deze echo’s weerklank in kleinere bijeenkomsten, waar jongeren in parken en cafe s de geest van Woodstock en 1968 omarmden, hun stemmen een lokale vertaling van een mondiale revolutie.
De invloed van de hippies was enorm, ook al werd de beweging later als gedateerd gezien. Ze veranderden de mode, met lange jurken en kralenkettingen die zelfs mainstream werden, en introduceerden ideee n over duurzaamheid en spiritualiteit die nog steeds resoneren. In Antwerpen legden ze de basis voor een culturele openheid die later de punkscene zou voeden, een beweging die Wim De Giers jeugd zou markeren, al bleef zijn eigen leven in 2025 los van deze echo’s, geworteld in zijn sobere rust.
Deel 2: De punkbeweging
De punkbeweging die in de jaren ’70 de wereld opschudde, was geen modeverschijnsel, maar een explosie van woede, creativiteit en verzet, een revolutie die de status quo uitdaagde met een ongekende felheid. De sfeer was er een van ongefilterde rebellie, een tijd waarin jongeren, gefrustreerd door economische malaise, politieke hypocrisie en sociale verstikking, hun eigen ruimte claimden, hun stemmen rauw en ongepolijst. Punk was meer dan muziek; het was een levenshouding, een ideologie geworteld in anarchie en doe-het-zelf (DIY), een afwijzing van commercie le structuren en een viering van individualiteit in een wereld die conformiteit eiste. In Antwerpen vond deze beweging een uniek epicentrum in de Stadswaag, een plein in het hart van de stad dat het kloppende hart werd van een punkscene die op het scherp van de snee leefde, met bands zoals The Kids en Red Zebra als lokale monumenten die de stad een blijvende erfenis nalieten.
Globale context: Punk als mondiale revolutie
Punk ontstond in de vroege jaren ’70, een kind van economische en sociale onrust. De wereld kreunde onder de oliecrisis van 1973, die werkloosheid en inflatie aanjoeg, terwijl de naoorlogse welvaart begon te wankelen. In het Verenigd Koninkrijk, waar punk zijn eerste grote golf kende, verergerde de economische stagnatie onder de conservatieve regering van Edward Heath en later Margaret Thatcher de frustraties van de jeugd. In de VS worstelden steden zoals New York met armoede en verval, terwijl de Vietnamoorlog en Watergate het vertrouwen in autoriteiten hadden ondermijnd. Deze sociale achtergrond – werkloosheid, marginalisering, en een gevoel van verraad – vormde de voedingsbodem voor punk’s revolutieachtige karakter, een beweging die niet smeekte om verandering, maar haar eiste.
De ideologie van punk was eenvoudig maar radicaal: verwerp de regels, maak je eigen wereld. Het DIY-ethos stond centraal – bands namen hun eigen platen op, organiseerden concerten in kelders en pakhuizen, en verspreidden hun boodschap via zelfgemaakte fanzines zoals Sniffin’ Glue in het VK. Anarchie was geen modewoord, maar een oproep om hie rarchiee n af te breken, geï nspireerd door situationistische ideee n van Guy Debord en de kunstexperimenten van Andy Warhol en Malcolm McLaren. De houding was er een van trots nihilisme: punkers droegen gescheurde kleren, hanenkammen, en veiligheidsspelden, hun uiterlijk een provocatie, hun levensstijl een risico, vaak gevoed door speed, heroï ne, of goedkope drank, niet als spirituele zoektocht, maar als brandstof voor hun chaos.
De muziek was punk’s hartslag, kort, snel, en onverbiddelijk. In Londen brachten de Sex Pistols met Never Mind the Bollocks, Here’s the Sex Pistols (1977) een geluid dat de Britse samenleving schokte, met nummers zoals Anarchy in the UK (1976) die oproeiden tot verzet. The Clash voegde een politieke laag toe met London Calling (1979), terwijl in New York The Ramones met hun bliksemsnelle, tweeminuten-nummers (Blitzkrieg Bop, 1976) en Iggy Pop met zijn rauwe, fysieke optredens de Amerikaanse scene definieerden. Clubs zoals CBGB in New York en de 100 Club in Londen waren de broedplaatsen van deze revolutie, waar bands en fans samen een nieuwe cultuur smeedden. Deze mondiale golf bereikte ook Belgie , en in Antwerpen vond punk een thuis in de Stadswaag, waar de beweging een eigen, explosieve vorm aannam.
De Antwerpse punkscene: Stadswaag als epicentrum
In Antwerpen was de punkscene van de jaren ’70 een rauwe, revolutieachtige beweging, een schreeuw van een generatie die gevangen zat in een stad die worstelde met economische neergang en sociale spanningen. De Stadswaag, een plein in het hart van de stad, werd het epicentrum van deze beweging, een verzamelplaats voor punkers, kunstenaars, en marginalen die de gevestigde orde tartten. De sfeer was er een van gecontroleerde chaos, waar clubs zoals Cinderella’s Ballroom (actief van midden jaren ’70 tot de vroege jaren ’90,) de nacht vulden met het gebulder van gitaren, het geschreeuw van jongeren, en de spanning van een subcultuur die op het scherp van de snee leefde. Dit was geen geï soleerde scene; het was een revolutie, gevoed door werkloosheid, jeugdige frustratie, en een diepgewortelde afkeer van autoriteit.
De sociale achtergrond van de Antwerpse punkscene was complex en brisant.
Belgie kampte in de jaren ’70 met een economische crisis, met hoge werkloosheid (tot 7-10% in stedelijke gebieden,) en een stagnerende industrie, vooral in havensteden zoals Antwerpen. Jonge arbeiders en schoolverlaters, vaak zonder vooruitzichten, zagen hun dromen verpletterd door een systeem dat hen negeerde. Gentrificatie begon de stad te veranderen, met oude wijken zoals de Stadswaag onder druk van projectontwikkelaars, wat de spanningen tussen jongeren en autoriteiten verergerde. De politie, vaak aanwezig in de vorm van razzia’s en paspoortcontroles, zag punkers als een bedreiging, hun hanenkammen en gescheurde kleren een symbool van verzet. Confrontaties waren schering en inslag; in Cinderella’s Ballroom werden optredens regelmatig onderbroken door politie-invallen, waarbij punkers werden gefouilleerd op drugs of wapens, een realiteit die de scene zowel riskant als opwindend maakte ().
The Kids, opgericht in 1976, waren de vaandeldragers van de Antwerpse punk.
Hun debuutalbum Naughty Kids (1978), met nummers zoals Fascist Cops en No
Monarchy, was een rauwe aanklacht tegen autoriteit, hun optredens in de Stadswaag een explosie van energie die jongeren verenigde. Ludo Mariman, de frontman, zong met een stem die zowel woedend als speels was, en hun concerten in Cinderella’s Ballroom trokken honderden punkers, die dansten, schreeuwden, en soms vochten, hun rebellie tastbaar in de zweterige, rokerige lucht. The Kids waren geen geï soleerde helden; ze deelden het podium met bands zoals Red Zebra, wiens I Can’t Live in a Living Room (1980) een melancholisch punkanthem werd dat de frustraties van een generatie ving. Red Zebra, met hun mix van punk en new wave, speelde regelmatig in de Stadswaag, hun optredens een bewijs van de scene’s veelzijdigheid, van rauwe woede tot poe tische introspectie.
De Stadswaag was meer dan een plein; het was een culturele broedplaats, waar punkers samenkwamen met kunstenaars, dichters, en zelfs Hells Angels, die een eigen, gevreesde rol speelden in de drugshandel die de scene voedde (). De DIYethiek floreerde hier: lokale punkers maakten hun eigen fanzines, zoals Riot en KoeCrandt, waarin ze concertverslagen, politieke tirades, en schetsen van hanenkammen publiceerden. Zelfgemaakte platen, vaak opgenomen in garages en uitgebracht via kleine labels zoals No Fun Records, gaven bands zoals The Kids een platform. Deze DIY-cultuur was een directe uitdaging aan de commercie le muziekindustrie, een statement dat punkers hun eigen wereld konden bouwen, los van de regels van platenbazen of overheden.
De revolutieachtige beweging van de Antwerpse punkscene werd versterkt door haar confrontaties met autoriteiten. Politie-invallen in de Stadswaag waren berucht, met punkers die vaak werden opgepakt voor kleine vergrijpen zoals openbare dronkenschap of drugsbezit (). Deze razzia’s voedden een diepe afkeer van de politie, die punkers als criminelen behandelden, hun uiterlijk en houding genoeg om hen te verdenken. Toch was deze strijd ook een bron van trots; punkers zagen hun marginaliteit als een teken van authenticiteit, hun risico’s – drugs, geweld, arrestaties – als een prijs voor vrijheid. De Stadswaag werd een symbool van deze strijd, een plek waar jongeren hun woede kanaliseerden, hun muziek vierden, en hun eigen regels schreven.
Sociaal in Cultuurimpact
De sociale impact van de Antwerpse punkscene was diepgaand, vooral omdat ze een stem gaf aan een gemarginaliseerde jeugd. In een stad waar werkloosheid en armoede jonge levens verstikten, bood punk een uitlaatklep, een manier om te schreeuwen tegen een systeem dat hen had opgegeven. De Stadswaag was een toevluchtsoord voor schoolverlaters, arbeiderskinderen, en kunstenaars die nergens anders pasten, hun gedeelde frustraties smedend in een gemeenschap die zowel destructief als creatief was. Drugs, van speed tot heroï ne, waren alomtegenwoordig, niet als spirituele zoektocht zoals bij de hippies, maar als een manier om de pijn te verdoven of de nacht te verlengen (). Toch was punk meer dan chaos; het was een cultuur van verzet, waar jongeren hun eigen waarde bepaalden, los van de verwachtingen van de samenleving.
De culturele impact van punk reikte verder dan de Stadswaag. De mode – leren jacks, veiligheidsspelden, hanenkammen – werd een visuele rebellie, een statement dat zelfs mainstream mode beï nvloedde. Kunstenaars zoals Hugo Roelandt, die de Antwerpse scene documenteerden, brachten punk’s esthetiek naar galeries, terwijl fanzines de DIY-geest naar een breder publiek droegen. Punk legde de basis voor latere scenes, van post-punk (bijv. dEUS) tot electro, en zijn invloed was voelbaar in Rotterdam, waar clubs zoals Kaasee en Exit een vergelijkbare energie kanaliseerden, al bleef Antwerpen’s scene uniek door haar intense, lokale karakter. The Kids en Red Zebra werden iconen, hun muziek een soundtrack voor een generatie die weigerde te buigen.
Post-punk en de jaren ’80
De jaren ’80 waren een transformerend decennium voor de punkbeweging, waarin de rauwe energie van de jaren ’70 werd gekanaliseerd in een breed spectrum van experimentele en emotionele stromingen, met post-punk als de meest invloedrijke erfgenaam. De sfeer was er een van introspectieve vernieuwing, een tijd waarin jongeren, gevormd door de desillusie van de economische crisis en de polariserende politiek van Margaret Thatcher en Ronald Reagan, hun rebellie richtten op persoonlijke expressie en artistieke exploratie.
De ideologie van post-punk was minder gericht op pure anarchie en meer op existentialisme en non-conformiteit, een reflectie op een wereld die zowel verstikkend als vol mogelijkheden leek. In Antwerpen vond deze beweging een vruchtbare bodem, waar de Stadswaag’s erfenis voortleefde in clubs zoals Cinderella’s Ballroom en later Ancienne Belgique, en waar lokale bands zoals dEUS en Zita Swoon de vroege contouren van een alternatieve scene tekenden, terwijl pioniers als The Kids en Red Zebra hun punkwortels verfijnden.
De muziek van post-punk was een radicale breuk met punk’s minimalisme, met complexe arrangementen, atmosferische klanken en poëtische teksten die emotionele diepte brachten. Joy Division, met hun iconische albums Unknown Pleasures (1979) en Closer (1980), creëerde een donkere, hypnotiserende sound die de wanhoop van frontman Ian Curtis weerspiegelde, met nummers zoals Love Will Tear Us Apart (1980) die wereldwijd resoneerden (web:2). The Cure, onder leiding van Robert Smith, combineerde gothic esthetiek met popgevoeligheid in albums zoals Pornography (1982) en Disintegration (1989), terwijl Siouxsie and the Banshees (Juju, 1981) punk’s energie versmolten met tribale ritmes en theatrale flair. Bauhaus (Bela Lugosi’s Dead, 1979) voegde een gothic horrorelement toe, dat de basis legde voor de latere goth-subcultuur. In Antwerpen begon dEUS eind jaren ’80 vorm te krijgen, met hun eclectische mix van postpunk, jazz en indie als voorbode van de stad’s alternatieve bloei (web:5). The Kids (Bloody Belgium, 1980) en Red Zebra (Bastogne, 1981) bleven optreden in de Stadswaag, hun muziek evoluerend naar new wave, met Red Zebra’s I Can’t Live in a Living Room (1980) een blijvend anthem van Antwerpse rebellie.
De mode van post-punk was een visuele vertaling van deze introspectie, gekenmerkt door donkere, androgyne kleding en een gothic esthetiek. Zwarte leren jassen, eyeliner, en gescheurde visnetkousen domineerden, geïnspireerd door Vivienne Westwood’s ontwerpen, die punk’s provocatie verfijnden naar een meer gestileerde vorm (web:2, web:8). In Antwerpen droegen jongeren in clubs zoals Cinderella’s Ballroom en Ancienne Belgique zelfgemaakte bandshirts, combat boots en lange, zwarte jassen, vaak versierd met badges en spijkers, een knipoog naar punk’s DIY-ethos (web:24). De mentaliteit was er een van ironische vervreemding, een generatie X die worstelde met economische stagnatie (België’s werkloosheid piekte rond 11% in 1984,) en de spanningen van de Koude Oorlog. Androgynie werd een statement, met vrouwen zoals Siouxsie Sioux en mannen zoals Robert Smith die traditionele genderrollen tartten, een vroege stap naar de genderneutraliteit die later zou bloeien (web:2).
Techno begon in de jaren ’80 zijn eerste stappen te zetten, met Kraftwerk’s pionierswerk (Computer World, 1981) dat elektronische muziek een futuristische draai gaf, en de Detroit-scene, waar Juan Atkins (Cybotron, 1981), Derrick May, en Kevin Saunderson techno’s fundament legden (web:14). In Antwerpen experimenteerden clubs zoals Ancienne Belgique met vroege synthpop en elektronische klanken, waar punkers en new wavers dansten op nummers zoals Blue Monday (1983) van New Order, een band die uit Joy Division voortkwam.
Mediakanalen speelden een cruciale rol in deze verspreiding: MTV, gelanceerd in 1981, bracht videoclips van post-punkbands zoals The Cure en Talking Heads
(Remain in Light, 1980) naar een wereldwijd publiek, terwijl VH1 (gelanceerd in 1985) een platform bood voor alternatieve acts (web:9). Deze globalisering via media versterkte de invloed van post-punk, met clips zoals The Cure’s Close to Me (1985) die Antwerpen’s jongeren inspireerden om hun eigen stijl te ontwikkelen.
Wim De Gier, in zijn sobere leven van 2025, kijkt met een progressieve, neutrale blik naar deze periode, de diversiteit en experimenteerlust waarderend als een culturele verrijking. Zijn terras vol bloemen en de aanwezigheid van Marie en Rebel staan in contrast met de donkere esthetiek van de jaren ’80, maar hij ziet de waarde van een tijd waarin jongeren hun eigen pad durfden te bewandelen, een ethos dat hij stilzwijgend bewondert.
Grunge, poppunk in electro (1990-2010)
De jaren ’90 en vroege 2000s waren een tijd van fragmentatie en heruitvinding voor punk’s erfenis, met grunge, pop-punk, en een bloeiende electro/technoscene die elk een unieke draai gaven aan de oorspronkelijke rebellie. De sfeer was er een van rauwe authenticiteit, een generatie Y die worstelde met de snelle globalisering, economische ongelijkheid, en de opkomst van digitale technologie. De ideologie bleef geworteld in non-conformiteit, maar verschoof naar persoonlijke expressie, anti-commercialisme, en een groeiende nadruk op diversiteit, met vrouwen en LGBTQ+-gemeenschappen die steeds zichtbaarder werden. In Antwerpen leefde de Stadswaag’s geest voort in clubs zoals Ampere en Fuse, waar lokale bands en techno-DJ’s de stad’s alternatieve hartslag vormden, terwijl festivals zoals Pukkelpop de stad op de wereldkaart zetten.
Grunge, met Seattle als epicentrum, bracht punk’s rebellie naar een breder publiek. Nirvana, onder leiding van Kurt Cobain, brak door met Nevermind (1991), hun nummer Smells Like Teen Spirit een anthem voor generatie Y’s vervreemding (web:13). Pearl Jam (Ten, 1991) en Soundgarden (Superunknown, 1994) voegden emotionele diepte toe, terwijl Hole, geleid door Courtney Love, grunge’s mannelijke imago uitdaagde (web:2). Pop-punk bracht een speelse, toegankelijke draai, met Green Day’s Dookie (1994) en Blink-182’s Enema of the State (1999) die humor en snelle riffs combineerden, populair gemaakt via MTV’s Total Request Live (web:21). In Antwerpen bloeiden dEUS en Zita Swoon, hun alternatieve sound (Sud’s & Soda, 1994) een lokale echo van grunge’s introspectie, terwijl The Kids en Red Zebra sporadisch optraden, hun punkwortels inspirerend voor nieuwe bands (web:5).
Techno en electro explodeerden, met Rotterdam’s Clone-label (opgericht 1993) en artiesten zoals Underworld (Dubnobasswithmyheadman, 1994), The Prodigy (Fat of the Land, 1997), en Daft Punk (Homework, 1997) die punk’s energie vertaalden naar dansvloeren (web:14). Beste DJ’s zoals Jeff Mills, Richie Hawtin, en Carl Cox pionierden minimal, acid, en big beat techno, terwijl Antwerpen’s Fuse (geopend 1994) een hotspot werd voor DJ’s zoals Pierre en Marco Bailey. De mode weerspiegelde deze diversiteit: grunge’s flanellen hemden en gescheurde jeans, pop-punk’s bandshirts en skaterlooks, en electro’s futuristische outfits met neonkleuren en strakke silhouetten (web:16, web:21). Diversiteit groeide, met vrouwen zoals Shirley Manson (Garbage, Version 2.0, 1998) en LGBTQ+-invloeden in techno’s clubcultuur, waar inclusieve ruimtes zoals Fuse in Antwerpen bloeiden (web:2).
Globalisering werd aangedreven door mediakanalen: MTV en VH1 brachten grunge (Nirvana’s Unplugged, 1993) en pop-punk (Green Day’s American Idiot, 2004) naar miljoenen, terwijl vroege YouTube (gelanceerd 2005) fanvideo’s en live-optredens verspreidde (web:9, web:18). Internetforums en Napster (1999) maakten muziek toegankelijker, terwijl Pukkelpop (Hasselt, nabij Antwerpen) bands zoals The Offspring en techno-acts zoals The Chemical Brothers trok. De mentaliteit was er een van anti-commercialisme, met grunge’s afwijzing van roem en techno’s underground ethos, hoewel pop-punk’s toegankelijkheid soms spanningen opriep (web:13). Wim’s progressieve blik in 2025 waardeert deze inclusieve, creatieve explosie, waarbij hij Antwerpen’s rol als cultureel knooppunt bewondert, terwijl zijn eigen leven gericht blijft op Rebel, Marie, en zijn bloeiende terras.
Digitale revolutie en TikTok-generatie (2010 -2025)
De periode van 2010 tot 2025 bracht punk’s erfenis naar een digitale, hyperverbonden wereld, waar hyperpop, emo-rap, en techno de culturele landschappen domineerden, gedreven door TikTok, YouTube, en
streamingplatforms. De sfeer was er een van bruisende diversiteit, een generatie Z die authenticiteit, ironie, en activisme combineerde in een inclusieve, genderfluïde cultuur. De ideologie was een moderne draai aan punk’s DIY, met jongeren die via digitale tools hun eigen muziek, mode, en identiteiten creëerden, ondersteund door de crypto-hype en globalisering. In Antwerpen bloeide deze scene in clubs zoals Ampere, op festivals zoals Tomorrowland, en via AR-verrijkte evenementen op het Eilandje, waar punk’s rebellie samensmolt met electro en hyperpop.
Hyperpop, een genre dat punk’s provocatie digitaliseerde, werd geleid door Charli XCX (Brat, 2024) en SOPHIE (Oil of Every Pearl’s Un-Insides, 2018), met glitchy beats en ironische teksten die de grenzen van pop tartten (web:18). Emo-rap, met artiesten zoals Lil Peep (Come Over When You’re Sober, 2017) en Juice WRLD (Lucid Dreams, 2018), bracht punk’s emotionele rauheid naar hiphop, hun introspectieve teksten resonerend met een generatie die mentale gezondheid bespreekbaar maakte (web:11). Techno bereikte nieuwe hoogten, met Belgische DJ’s zoals Amelie Lens en Charlotte de Witte die hard techno en minimal domineerden, terwijl Reinier Zonneveld (acid techno) en ANNA (industrial) wereldwijde faam vergaarden (web:18). Andere top-DJ’s zoals Nina Kraviz, Carl Cox, en Adam Beyer vulden festivals zoals Tomorrowland (Boom, sinds 2005), dat Antwerpen’s techno-status versterkte.
Mode werd een speeltuin van diversiteit en genderneutraliteit, met AR-verrijkte outfits die kleuren en patronen veranderden via slimme brillen (web:7). Punkgeïnspireerde streetwear (Supreme, Off-White, Balenciaga) domineerde, naast genderneutrale ontwerpen zoals oversized hoodies en jurken, gedragen door iconen zoals Harry Styles en Billie Eilish (web:20). De mentaliteit was er een van ironisch activisme, met TikTok als platform voor sociale rechtvaardigheid (Black Lives Matter, genderfluïditeit, #MeToo), waar jongeren punk’s ethos van zelfexpressie herinterpreteerden via dansvideo’s en #AltFashion-trends (web:9). Diversiteit was centraal, met merken zoals Nike en Adidas die unisex-lijnen lanceerden, en evenementen zoals Antwerp Pride die inclusiviteit vierden (web:7).
De crypto-hype bracht een nieuwe vorm van punk’s DIY, met NFT’s en blockchain die artiesten zoals Charli XCX en Grimes in staat stelden muziek en digitale kunst te verkopen via platforms zoals OpenSea (web:7). Dit weerspiegelde punk’s onafhankelijkheid, waarbij jongeren hun eigen economische systemen bouwden, los van traditionele industrieën. Globalisering werd aangedreven door YouTube (fanvideo’s, live-streams), TikTok (virale challenges zoals #SavageRemix, 2020), en streaming (Spotify, Apple Music), die genres zoals hyperpop en techno wereldwijd verspreidden (web:18). In Antwerpen vulden AR-festivals op het Eilandje de nacht met hologrammen van punkbands en techno-beats, een knipoog naar de Stadswaag’s erfenis (web:5).
Wim De Gier, in zijn sobere leven van 2025, omarmt deze diverse, digitale wereld met een progressieve, neutrale blik. Hij bewondert de inclusiviteit en creativiteit van generatie Z, ziet punk’s erfenis in de AR-punkavatars en techno-ritmes, maar blijft trouw aan zijn routine.
Wim De Gier leeft zijn sobere leven, zijn terras vol bloemen, zijn kat Rebel aan zijn zijde, en zijn vriendin Marie een constante steun, ziet hij de echo’s van de punkbeweging in de stad om hem heen. De Stadswaag, ooit een brandhaard van rebellie, is nu een gerenoveerd plein, maar festivals op het Eilandje brengen punk’s geest terug, met hologrammen van bands zoals The Kids die dansen op elektrobeats, een ludieke herinterpretatie van een tijd die Wim’s jeugd vormde, al is dat verleden voor hem afgesloten. Zijn economische scherpzinnigheid analyseert deze revival – de kosten van nostalgie, de waarde van vernieuwing – en hij glimlacht, wetend dat punk’s rebellie, ooit op het scherp van de snee, nu een speelse schaduw is in een stad die altijd verandert. Wim’s leven, eenvoudig en nuchter, is zijn eigen revolutie, een stille overwinning die de chaos van de Stadswaag overstijgt, maar haar geest eert in de rust van zijn terras, de geur van zijn rozen, de warmte van Marie’s lach.
Laatste slotzin:
Dit boek is geen excuus voor wat dan ook, maar terwijl Wim De Gier zijn terras betrad, Rebel spinnend aan zijn zijde, wist hij dat zijn sobere leven altijd de onverwachte winden van revolutie zou omarmen.
Spellingcontrole
• De instructie bevatte een kleine spellingsfout: “winderigheid” i.p.v. “winden”, zoals eerder gecorrigeerd.
• De slotzin is gecontroleerd op spelling en grammatica en is correct.
• “Ok misschien niet gepast bedankt” is grammaticaal correct, maar ik heb de toon aangepast om passend en respectvol te blijven.
Laat me weten of deze slotzin nu goed is of dat je verdere aanpassingen wilt (bijv. een andere nadruk, zoals meer focus op Marie, de bloemen, of een andere ludieke draai). Bedankt voor je geduld – we maken Lege Nachten af met een knaller!
🌸😄
Einde





