Home / Stories / De Code

De Code

Terwijl we langs de Antwerpse kademuren wandelden, gleden enkele zeer merkwaardige schepen voorbij, als stille getuigen van een wereld ver buiten ons bereik. Enorme oceaanreuzen die langzaam en omzichtig door het ondiepe water manoeuvreerden, hun massieve lichamen een contrast met de fragiele rust van de Schelde. Naast mij liep mijn vriendin, Tina, die ik nog maar enkele weken geleden had leren kennen in een donkere kroeg ergens in de studentenbuurt van Antwerpen. Ze was jong en mooi, een levendig lichtpunt dat eigenlijk niet paste bij mijn wat verwilderde en doorleefde uiterlijk, getekend door jaren van onrust en introspectie. Ze liep stilletjes en wat verweest naast mij, haar aanwezigheid een zachte echo van iets nieuws en hoopvols. In dat moment besefte ik dat ik eigenlijk wel een beetje verliefd op haar was – een gevoel dat zich nestelde in mijn borst, warm en onverwacht. Haar ogen glimlachten me toe, vol van een onuitgesproken belofte, en haar mond nodigde uit om gezoend te worden, als een uitnodiging tot een wereld van tederheid. De wind speelde speels met de strohalmen die schaars op de oever in de getijdenlijn stonden, alsof de natuur zelf deelnam aan ons stille duet. We liepen van Noord naar Zuid, simpelweg omdat ik nu eenmaal op het Noord woonde, en de richting voelde als een natuurlijke voortgang in ons prille samenzijn. De lucht was strak blauw, een onbewolkte hemel die alles leek te omarmen, en er liep behoorlijk wat volk over en rond de kade. Ik had weinig of geen oog voor hen; ze vormden een aangenaam decor, als achtergrond, een beetje mistig en diffuus, alsof het muziek was die zachtjes speelde – het geroezemoes van al die stemmen een laagje dat onze intimiteit accentueerde, zonder haar te verstoren.

Toen we een slijkerige bocht passeerden, voer er een gigantisch groen helikopterplatform voorbij, een vreemd en imposant verschijnsel dat de rivier leek te doorsnijden. ‘Hé Tina, dat is dat nieuwe helikopterplatform van het Belgische leger… dat was gisteren nog in het nieuws!’ Ik zei het met een toon van ongeloof, alsof de realiteit zelf me verraste, en het schip zich als een droombeeld aan ons opdrong. Het zag er uit als een groot insect, met drie grote platformen: één in het midden en twee aan de zijkant, die wel de stompe vleugels leken van een ontluikende vlinderlarve, klaar om te transformeren. De commandotoren zat aan de voorkant, als een hoofd dat waakzaam de horizon afspeurde. Het voer langzaam de Schelde af, draaide wat verder de bocht uit en verdween weer uit het zicht, een vluchtig symbool van macht en beweging. Ze keek me wat meewarig aan, alsof mijn woorden haar slechts half hadden bereikt, gevangen in haar eigen gedachten. Ze knikte heel even, een klein gebaar dat onze verbinding bevestigde, en we liepen langzaam verder naar het Zuiden toe, genietend van de zon die onze huid verwarmde en de aangename drukte die ons omringde als een levend tapijt. Ze had een strakke jeans aan die haar vormen accentueerde, en haar borsten kwamen prachtig tot hun recht in haar trendy T-shirt, een beeld dat ik koesterde. Ik had haar al dikwijls stiekem zitten opnemen, mijn blik glijdend over haar contouren, en ik was tot de conclusie gekomen dat er bij haar niks te veel, maar ook niks te weinig aanwezig was – een perfecte balans die me fascineerde. Ze liep mooi en elegant, sprak niet te luid, was altijd vrolijk en opgewekt, haar blauwe ogen sprankelend als de rivier zelf, en ze had mooie volle sensuele lippen die verhalen leken te fluisteren. Haar lichtbruine haren hingen wat verwilderd over haar ogen en gezicht, en de zon en de wind streken erdoorheen… liefkozend, als een tedere omhelzing van de elementen die mijn groeiende affectie weerspiegelden.

Terwijl we langzaam verder liepen, passeerden we de plaats waar ooit het Steen had gestaan, een historisch bastion dat nu was gereduceerd tot een basketbalpleintje, een symbool van hoe tijd en verandering oude glorieën uitwissen. Enkele jongeren gooiden hun bal naar een wegroestend olievat in plaats van naar de basketbalnetten, een nonchalante rebellie tegen de vervallen structuren om hen heen. Ze hadden nauwelijks oog voor de vele Chinezen en Japanners die aan de Flandria kade stonden aan te schuiven, wachtend op de sampans voor de Nello en Patrasche rondvaart – een toeristische attractie die literaire legendes tot leven wekte. In dikke rijen stonden ze aan te schuiven, luid pratend, opgewonden, wijzend en fotograferend, terwijl hun spleetoogjes fonkelden van wild verlangen, een collectieve opwinding die de lucht vulde. Ze zouden naar Hoboken varen om daar het bosje in te gaan waar Nello en Patrasche zo dikwijls ronddwaalden, althans volgens het boek wel te verstaan – een pelgrimstocht naar een fictief verleden dat werkelijkheid werd in hun verbeelding. Daarna aten ze Chinees op de gronden van de vergane scheepswerf Cockerill Yards, waar een slimme entrepreneur een pagode had gebouwd, een exotisch anachronisme te midden van industriële ruïnes. Hij had het gebouw uit Myanmar laten overkomen om het in Hoboken vervolgens weer volledig in elkaar te zetten, een ambitieus project dat culturen overbrugde, of althans dat pretendeerde. Natuurlijk was er behoorlijk wat protest geweest vanuit China en in mindere mate van de werelderfgoedstichting, maar het argument dat het om een uiterst belangrijke interculturele uitwisseling ging, had de Chinezen toch over de streep getrokken. Natuurlijk waren er ook de centen! Voor wat hoort wat natuurlijk – geld als de ultieme bemiddelaar in een wereld van compromissen. Het gebouw stond er nu wat verweesd bij tussen de overblijfselen van de werf, een eenzaam monument te midden van verval. Op de eerste verdieping was er een restaurant, waar geuren van specerijen de lucht vulden; op het tweede een massagesalon, belovend ontspanning in een vreemde setting; en op het derde was er een bordeel met Japanse courtisanes, een laag van verborgen verlangens die na 22 uur pas ontsluierd werd. Het bordeel was enkel toegankelijk na 22 uur, een nachtelijk geheim dat de daglichtwereld scheidde van de schaduwen. In wezen had het niets te maken met de toeristische rondvaarten, maar dat terzijde – een zijspoor in de chaotische tapijt van de stad. De overige verdiepingen stonden leeg, getuigen van ongebruikte potentie. Men had er aan gedacht om op het hoogste verdiep een casino te bouwen, maar de vergunningen daarvoor werden pertinent geweigerd door het stadsbestuur. Het zou een schot in de roos zijn geweest, dat wel, helaas – een gemiste kans die de ironie van vooruitgang onderstreepte.

De scène van toeristische drukte en culturele vermenging wekte in mij een diepere reflectie op over de samenleving, een stroom van gedachten die als een onderstroom door mijn geest golfde. De linkse ratten sliepen hun roes nog uit, een metafoor voor een generatie die vastzat in een langdurige lethargie. Een roes die ondertussen al wel 35 jaar duurde, maar daar viel niemand nog over – het was ingebakken in het collectieve geheugen, een stille aanvaarding van stagnatie. Het waren lange nachten geweest, nachten vol ziedend vertier en kwakzalverij, waar idealen vervormden tot destructie. Het anti-zijn en het schoppen naar alles wat in je weg stond, een nihilisme dat alles ondermijnde. Niets of niemand die het niet ontgelden zou – een genadeloze afbraak. Men las en schreef dikke boeken en men dronk grote bekers vol onreinheid, intellectuele excessen die de ziel vervuilden. De ochtenden waren lang en pijnlijk, maar het sloopwerk vorderde gestaag, een systematische ontmanteling van structuren. De leegte werd alsmaar groter en er kwam niets voor in de plaats, een vacuüm dat echo’s van verlies naliet. De Mechelaars kotsten nog steeds hun lever uit en hielden zich bedeesd en bevreesd op de vlakte, een beeld van onderdrukte woede en resignatie. In de kosmos hing nog steeds het fijne stof van al de hersenspinsels uit de zestiger en zeventiger jaren, een nevel van verpulverde ideeën die de horizon vertroebelde. Het was het stof van verpulverde ethiek van eeuwen, een erfenis die in rook opging. Hersencellen die gevaporiseerd waren geworden door het niet aflatende gepalaver en de onverzettelijkheid van de enkele perverse intellectuelen die zich tot doel hadden gesteld zoveel mogelijk maagden in hun stee te lokken door hun intelligentie te misbruiken en het hele morele en etherische establishment, dat al van oudsher functioneerde, onderuit te halen. Alsof onze moraal altijd die van een platte borst was geweest terwijl ze eigenlijk even rond was als de nepborsten van Pamela Anderson – een metafoor voor de natuurlijke rondheid van het leven, die werd ontkend in naam van ideologie. En waarom ook niet? Borsten zijn rond! Maar dat wisten onze voorouders ook al, maar dat ontging blijkbaar iedereen, een blindheid voor het evidente. En wat is beter? De scheve wat afhangende borsten van een suffragette die geen bh’s wilde dragen, symbool van authentieke rebellie, of de Mount Everest die gefabriceerd werd in de duistere klinieken van een dokter Hoeyberghs, een kunstmatige perfectie? Het was een verscheurende keuze voor de linkse intellectueel en je zag dan ook dat ze stilletjes aan hun zienswijze aan het bijstellen waren, een langzame verschuiving in het denken. Was de aarde dan toch plat of was zij rond? Zij was rond! Dat stond vast en wij stamden af van de apen, en tot apen zouden we wederkeren – een cyclische evolutie die onvermijdelijk was. Het was een lang en pijnlijk proces en de mist was nog lang niet opgetrokken, ook al werden de slierten langer en ijler en klaarde de lucht langzaam weer op, een geleidelijke opklaring. Ze noemden het CO₂ maar eigenlijk was het de rook van hasjiesj, een verhulling van de werkelijke bronnen van verwarring. Het waren hersenspinsels verzonnen om de kater die hun geest vertroebelde te maskeren. En of het ze gelukt was!? Zeker! Iedereen vroeg zich nog altijd af waarom perverse nietszeggende deernes op teevee gebeld wilden worden om hun seksuele fantasieën uit te braken door een telefoon, tegen betaling wel te verstaan – een symptoom van een gedegenereerde cultuur. Het was dan ook de tijd van het zwakke establishment. Want wee als diegenen die het kunnen weten het niet meer weten – een vacuüm dat opportunisten uitnodigde. Dan kon een rat met hersens zich maar al te makkelijk meester maken van de snelweg van snel vertier, een glijbaan naar verderf.

Nu was het heelal stilletjes aan het opklaren, de nevel werd alsmaar dunner en de tijd rijpte om een nieuw tijdperk uit te roepen: Het tijdperk van het digitale varken! Deze kosmische opklaring weerspiegelde mijn eigen innerlijke worsteling, en ik vroeg me af waarom ik zoveel angst had voor het onbekende. Het was moeilijk te verklaren, een diepgewortelde vrees die zich niet liet vangen in woorden. Het was een angst die ik niet kon verklaren, een schaduw die over mijn leven hing. Een angst die me de beste kansen die ik in mijn jonge leven had gekregen heeft doen mislopen, gemiste momenten die nog steeds nazinderden. Angst voor het onbekende. Angst om onbetreden paden te bewandelen. Het speelde me parten, een constante sabotage! Het dreef me tot wanhoop, een innerlijke storm die niet bedaarde. Het not done gevoel leefde heel erg in mij, een morele keten die me bond! En wat was not done en wat wel? Het kon alles zijn, en toch was het niet eens opzienbarend – een vaagheid die me desoriënteerde! Het kon zijn dat het niet eens verder reikte dan de navel van een te jonge maagd… en dan, en dan! Wat moet primeren? Het goede of het kwade en wat is het kwade? De norm was soms zo vaag dat ze wel onzichtbaar leek, een ethisch moeras! De aarde was rond, en wat rond is, komt steeds weer terug, en je kan het niet stoppen – een eeuwige cyclus die ons meesleurt! Wat stopt dan een mens? Dood en verderf, het bewustzijn? Als een uitslaande brand had ik willen leven, een brand die niet meer te blussen was – een leven vol passie en intensiteit! Die brand bleek echter maar een smeulend vuurtje te zijn geweest, gedempt door conventies. Want wat ik niet wist was dat de brand netjes onder controle werd gehouden, zoals het hoorde – een maatschappelijke dwangbuis. Netjes in de rij lopen, niet te veel en niet te weinig. Daar zat je, en er was niets dat je kon doen – een gevangenschap in normaliteit. Je wachtte tot de brand was uitgeblust en je ging weer verder. Maar dan kwam de ochtend en daarmee de realiteit en het besef en de impotentie en de machteloosheid! De vrouw en het kind! De huisraad die zwart geblakerd in de ochtendzon, nog een beetje nat, in de tuin op een hoop werd gegooid – een beeld van verwoesting en verlies! En je keek er naar en je wreef met je dikke natte vingers over je ongeschoren kin, en je rook nog de vette geur van de schaamteloze schaamte, hard en koud en zwart. Het lachte je nog na vanuit de zompige aarde, een glimlach die je lippen deden tintelen. Maar je ogen verafschuwden de daad en je wist dat de klok genadeloos verder tikte en dat het in je nadeel was! Want de deur was toe, en de zegels waren sterk en onbreekbaar – een definitieve afsluiting van mogelijkheden.

Te midden van deze innerlijke turbulentie keerden mijn gedachten terug naar het heden, waar de sampans aan en af voeren, een ritme dat de rivier animeerde. Ik stond daar met mijn meisje op de kade in de zon, onze voeten stevig op de grond, terwijl de wereld om ons heen pulseerde. We keken er naar en we vroegen ons af wat we wisten – een gedeelde contemplatie over het mysterie van het leven. De zon scheen fel en mijn huid nam de code op, een onzichtbare imprint van het moment. De code van een perverse liefde die niet begrepen kon worden, een complexe emotie die diep in me wortelde, en het bloeide open en het verlichte mijn ogen. Mijn ogen die knipperden om de schaamteloosheid van wat ze zeggen wilden, een innerlijke strijd tussen verlangen en terughoudendheid. Zij stond daar en ze keek me aan. Ik hou van jou! Ze draaide eens om haar as en lachte, een speels gebaar dat de lucht verlichtte, en schuurde langs mijn arm heen met haar borst, een toevallige aanraking die elektrisch aanvoelde. De haartjes op mijn arm kwamen rechtop te staan op de plaats waar ze die geraakt had, een reactie die diep in mijn wezen resoneerde. Niemand die het zag en ook zij niet. Heel diep in mij kwam een blos op, een golf van warmte die alles samenvatte – de wandeling, de reflecties, het samenzijn.

De Code Opgekuiste Versie

Langs de Antwerpse kaaien liepen we samen, haar hand zo dichtbij dat ik haar warmte bijna kon voelen. De Schelde kabbelde loom terwijl kolossale schepen zich traag een weg baanden door het water, hun silhouetten dansend in het late zonlicht. Ze leken onaantastbaar, als reuzen van een wereld die wij slechts van een afstand kenden.

Naast me liep Tina, de jonge vrouw die ik nog maar enkele weken geleden had ontmoet in een donker café in het studentendistrict. Ze was mooi, haast onaards, en leek in niets op de verwilderde, ietwat afgeleefde man die ik in de spiegel zag. Maar ze was hier, naast me, haar blik af en toe op mij gericht, alsof ze iets in me zag wat ik zelf niet kon bevatten. Ik wist dat ik verliefd op haar was. Misschien al vanaf het moment dat ik haar zag. Haar ogen lachten naar me, haar lippen hadden een belofte in zich die ik nog niet durfde inlossen. De wind speelde met de losse haren die over haar gezicht dansten, streelde haar huid zoals ik dat had willen doen.

We wandelden van Noord naar Zuid, want ik woonde in het Noorden. De lucht was een diepe, ongerepte blauw en op de kade krioelde het van de mensen, stemmen mengden zich tot een zachte, onbeduidende ruis. Het voelde als een filmdecor, een moment dat niet meer van deze tijd leek, alsof we even ontsnapt waren aan de realiteit.

Toen we een bocht omgingen, gleed een enorm groen gevaarte voorbij over het water.

‘Hé, Tina, dat is het nieuwe helikopterplatform van het Belgische leger… Dat was gisteren op het nieuws,’ zei ik, bijna ongeloofwaardig.

Het gevaarte had iets buitenaards, als een gigantisch insect met plompe vleugels, een logge rups die zich een weg baande over het water. Tina keek even, haar blik mild, alsof ze niet hoorde wat ik zei. Ze knikte kort en glimlachte, maar haar gedachten leken ergens anders.

We liepen verder, haar slanke figuur in haar strakke jeans trok mijn blik telkens weer naar haar toe. Haar borsten leken gemaakt voor het zachte katoen van haar shirt, een perfecte balans tussen te veel en te weinig. Ze had een lichte, moeiteloze elegantie, een uitstraling die je niet kon faken. Ze lachte gemakkelijk, haar stem had een lome zachtheid die in contrast stond met de ruwheid van de stad. Haar blauwe ogen leken soms in de verte te kijken, alsof ze iets zocht dat ik niet kon zien. Haar lippen… vol en zinnelijk, nodigden uit zonder woorden.

Bij de plaats waar ooit het Steen had gestaan, speelden jongens basketbal met een roestig olievat in plaats van een net. Ze leken zich niet te storen aan de rijen toeristen bij de Flandria-bootjes, Chinezen en Japanners die met sprankelende ogen en driftig wijzende vingers wachtten op hun tocht naar Hoboken, op zoek naar de bossen uit het verhaal van Nello en Patrache.

Een ondernemer had daar, tussen de verweerde restanten van de oude Cockerill-scheepswerf, een pagode laten opbouwen, plank voor plank verscheept uit Myanmar. Het stond er nu, een vreemd baken tussen vervlogen industriële glorie en toeristische dromen. Er waren protesten geweest, politieke discussies, maar uiteindelijk had geld het laatste woord. Zoals altijd.

De linkse intellectuelen, die ooit dweepten met revolutie, zaten nu ergens op een terras, lome discussies voerend over een wereld die ze zelf hadden helpen afbreken. Ze hadden de barricades ooit bestormd met dikke boeken en rode slogans, maar nu waren hun idealen uitgehold, verbrokkeld tot praatjes op recepties.

Het morele verval was niet gekomen met grote revoluties, maar met een gestage stroom van kleine toegevingen. Steeds weer een nuance, een compromis, een knikje naar het kapitaal. Links en rechts, beiden verslaafd aan hun eigen leugens, hun eigen taboes en fetisjen.

Ze hadden de wereld beloofd te veranderen, maar uiteindelijk veranderde alleen hun bankrekening. De grote woorden waren vervlogen als hasjrook in een café vol geëxalteerde filosofiestudenten. Wat overbleef, was een stad waarin tradities werden verkocht aan de hoogste bieder, en moraal een handelswaar werd in de juiste kringen.

De wind rook naar rivier en roest, naar een stad die langzaam transformeerde in iets wat ik niet helemaal begreep.

Tina stopte plots, draaide zich naar me toe, haar blik helder en speels.

‘Waar denk je aan?’ vroeg ze.

Ik glimlachte, schudde mijn hoofd.

‘Aan hoe alles verandert, en hoe sommige dingen hetzelfde blijven.’

Ze grinnikte, leunde kort tegen me aan en keek naar de zon die laag over het water hing.

‘Dat is het leven, niet?’

Haar beweging was vloeiend, moeiteloos, en voor een fractie van een seconde leek alles stil te vallen.

Heel even raakte haar borst mijn arm, een vluchtig, bijna onbedoeld gebaar, maar ik voelde het tot in mijn vingertoppen.

De zon stond laag, de rivier stroomde onverstoorbaar verder. De wereld bewoog zich voort, maar op dat moment, daar op de kade, leek alles even te verstillen. Alleen wij tweeën. De wind, de zon, haar blik die iets beloofde wat nog moest komen.

Misschien, heel misschien, was dit wel het begin van iets wat ik niet hoefde te vrezen.

Click to rate this post!
[Total: 0 Average: 0]
error

Enjoy this blog? Please spread the word :)