Home / Science / Explosive Debate: Jason Arday, Nathan Cofnas, and the Academic Plagiarism Controversy

Explosive Debate: Jason Arday, Nathan Cofnas, and the Academic Plagiarism Controversy






Jason Arday, Nathan Cofnas en de plagiaatkwestie


Jason Arday, Nathan Cofnas en de mist rond het vermeende plagiaat

Hoe een eenvoudige academische vraag veranderde in een explosief debat over racisme, identiteit, academische vrijheid, reputatie en macht.

Er zijn van die verhalen waarbij je na verloop van tijd het gevoel krijgt dat de oorspronkelijke vraag volledig is verdwenen onder alles wat eromheen is gebouwd.

De zaak rond de voormalige Cambridge-professor Jason Arday is daar een opvallend voorbeeld van.

Wat aanvankelijk in essentie een academische kwestie was — zijn er in het werk van Arday passages overgenomen uit eerder werk zonder correcte bronvermelding, en is dat volgens de academische normen plagiaat? — groeide in korte tijd uit tot een veel groter maatschappelijk conflict.

Het ging plots over racisme. Over diversiteit. Over de positie van zwarte academici. Over vermeende aanvallen op progressieve wetenschappers. Over academische vrijheid. Over de reputatie van universiteiten. Over de vraag of iemand die controversiële ideeën heeft wel als geloofwaardige klokkenluider kan optreden. En uiteindelijk ook over de Universiteit Gent, waar onderzoeker Nathan Cofnas werkzaam was.

Daarmee dreigt precies datgene uit beeld te verdwijnen wat in eerste instantie het gemakkelijkst controleerbaar zou moeten zijn:

Wat staat er precies in de teksten?

En misschien nog belangrijker:

Is er, op basis van die teksten, daadwerkelijk sprake van plagiaat?

Wie was Jason Arday?

Jason Arday was een Britse socioloog die zich onder meer bezighield met ras, ongelijkheid, onderwijs en sociale mobiliteit. In 2023 werd hij professor aan de University of Cambridge. Hij werd daarbij breed in de media voorgesteld als Cambridge’s jongste zwarte professor.

Dat was niet zomaar een detail in zijn biografie. Zijn persoonlijke verhaal en zijn positie als zwarte academicus maakten deel uit van de manier waarop zijn carrière publiek werd beschreven.

Arday werd daarmee voor velen een symbool van sociale mobiliteit en diversiteit binnen de Britse academische wereld.

Dat hoeft op zichzelf helemaal geen probleem te zijn. Representatie kan betekenisvol zijn en academici mogen uiteraard onderzoek doen naar racisme, discriminatie en ongelijkheid.

Maar er ontstaat wel een probleem wanneer de identiteit van een wetenschapper zo sterk onderdeel van diens publieke profiel wordt dat kritiek op diens wetenschappelijke werk onmiddellijk wordt geïnterpreteerd als kritiek op de groep die hij of zij vertegenwoordigt.

Dat is precies het punt waarop de discussie rond Arday bijzonder gevoelig werd.

De beschuldiging die alles veranderde

In 2026 publiceerde Nathan Cofnas een uitgebreide analyse waarin hij beweerde dat delen van Ardays academische werk plagiaat bevatten.

Cofnas was op dat moment verbonden aan de Universiteit Gent als postdoctoraal onderzoeker.

Zijn beschuldiging was niet simpelweg dat Arday ergens een bron vergeten was te vermelden. Cofnas legde concrete tekstvergelijkingen voor.

Een belangrijk onderdeel van zijn analyse betrof Ardays proefschrift uit 2015. Cofnas vergeleek passages uit dat proefschrift met onder meer het proefschrift van Paula Zwozdiak-Myers uit 2009.

Volgens Cofnas vertoonden tientallen passages sterke overeenkomsten. Hij stelde dat sommige passages slechts minimaal waren aangepast en wees er ook op dat bepaalde eigenaardige formuleringen en zelfs fouten uit het eerdere werk terugkwamen.

Dat laatste is interessant, omdat het een potentieel sterker signaal kan zijn dan een gewone overeenkomst in inhoud. Wanneer twee onderzoekers onafhankelijk van elkaar een algemeen idee formuleren, is enige overeenkomst niet vreemd. Wanneer echter een zeer specifieke formulering wordt overgenomen — inclusief ongebruikelijke fouten — wordt de vraag naar de herkomst ervan vanzelf veel interessanter.

De Guardian rapporteerde later dat er volgens een analyse meer dan honderd passages in het proefschrift waren die overeenkomsten vertoonden met eerder werk van Zwozdiak-Myers.

Dat betekent nog steeds niet automatisch dat alle honderd passages juridisch of academisch als plagiaat moeten worden gekwalificeerd.

Maar het betekent wel dat de zaak moeilijk kan worden afgedaan als een willekeurige beschuldiging zonder concreet materiaal.

Waarom concrete passages belangrijker zijn dan de reputatie van de beschuldiger

Een van de opvallendste aspecten van deze zaak is dat de discussie al snel verschoof van de teksten naar de persoon die de beschuldigingen naar voren bracht.

Nathan Cofnas is namelijk geen onomstreden academicus. Hij heeft uitgesproken standpunten over ras, intelligentie en de verhouding tussen genetica en maatschappelijke verschillen. Zijn eerdere publieke uitlatingen hebben eveneens tot controverse geleid.

Dat maakt zijn persoon relevant voor de context.

Maar het maakt zijn tekstvergelijkingen niet automatisch onjuist.

Dat is een onderscheid dat in het debat vaak verloren gaat.

Stel dat iemand met zeer controversiële politieke overtuigingen morgen een wetenschappelijke fraudezaak ontdekt. Dan kan zijn politieke overtuiging aanleiding zijn om extra kritisch naar zijn werk te kijken.

Maar uiteindelijk moet worden vastgesteld of zijn bewijs klopt.

Een slechte boodschapper kan een juiste boodschap hebben.

En het omgekeerde is natuurlijk ook waar. Een zeer gerespecteerde professor kan een onjuiste beschuldiging maken.

De identiteit van de boodschapper is dus geen vervanging voor de beoordeling van het bewijsmateriaal.

Plagiaat is niet hetzelfde als een fout

Een belangrijk punt wordt in publieke discussies over plagiaat vaak vergeten: niet iedere tekstuele overeenkomst is automatisch plagiaat.

Wetenschappers gebruiken bepaalde standaardbegrippen. Onderzoekers binnen hetzelfde vakgebied bespreken dezelfde theorieën. Sommige formuleringen liggen voor de hand. En wanneer een bron correct wordt geciteerd, kan een letterlijk citaat uiteraard legitiem zijn.

Daarom moeten ten minste de volgende vragen worden gesteld:

  • Is de tekst letterlijk overgenomen?
  • Hoe groot is de overeenkomst?
  • Is de oorspronkelijke bron vermeld?
  • Is het citaat correct aangegeven?
  • Is de passage voldoende geparafraseerd?
  • Betreft het een eenmalige fout of een patroon?
  • Heeft de overname invloed op de originaliteit van het onderzoek?
  • Welke academische regels golden op het moment waarop het werk werd geschreven?
  • Wat heeft de instelling die het proefschrift oorspronkelijk beoordeelde hierover vastgesteld?

Pas wanneer die vragen worden beantwoord, kan men met voldoende zekerheid spreken over plagiaat.

Maar hier zit precies het probleem

Er bestaat namelijk al een voorgeschiedenis.

De beschuldigingen tegen Arday waren niet volledig nieuw. Volgens eerdere berichtgeving was er al onderzoek door Liverpool John Moores University, de instelling die hem zijn doctoraat toekende.

Dat onderzoek hield de beschuldiging van plagiaat niet in stand. Volgens de berichtgeving werd geconcludeerd dat er geen plagiaat of academische misconduct was vastgesteld, waarbij mogelijke problemen werden toegeschreven aan wat als een honest and reasonable error werd omschreven.

Arday verwees zelf eveneens naar eerdere onderzoeken en stelde dat een academische misconductcommissie geen plagiaat had vastgesteld.

Dat gegeven is belangrijk.

Het betekent namelijk dat het verhaal niet eerlijk kan worden samengevat als: “Cofnas ontdekte plagiaat en daarmee was de zaak bewezen.”

Maar het kan evenmin eerlijk worden samengevat als: “Er is ooit onderzoek naar gedaan en dus is elke nieuwe vraag automatisch onzin.”

Nieuwe concrete aanwijzingen kunnen immers aanleiding zijn om een eerdere beoordeling opnieuw te bekijken.

Daarom blijft de centrale vraag overeind:

Wat vinden onafhankelijke deskundigen van de concrete passages die later publiek zijn gemaakt?

Wanneer racisme een antwoord wordt op iedere kritiek

Hier ligt een veel bredere maatschappelijke kwestie.

Racisme bestaat. Discriminatie bestaat. Het is volkomen legitiem om te onderzoeken of een wetenschapper anders wordt behandeld vanwege zijn afkomst of huidskleur.

Maar het wordt problematisch wanneer het begrip racisme niet langer een hypothese is die met feiten moet worden onderbouwd, maar een soort universele verklaring wordt die iedere kritiek kan neutraliseren.

Als iemand zegt: “Deze professor wordt niet bekritiseerd vanwege zijn wetenschappelijke werk, maar vanwege zijn huidskleur”, dan is dat een ernstige bewering.

Maar dan moet ook worden gevraagd:

  • Welke feiten tonen dat aan?
  • Welke vergelijkbare gevallen bestaan er?
  • Worden witte academici in dezelfde omstandigheden anders behandeld?
  • Is er sprake van aantoonbare dubbele standaarden?
  • Welke uitspraken of beslissingen kunnen specifiek aan discriminatie worden gekoppeld?

Ook de bewering “dit is racisme” verdient dus bewijs.

Dat is geen aanval op antiracisme. Integendeel: het maakt de term juist geloofwaardiger wanneer hij wordt gebruikt waar er daadwerkelijk bewijs voor bestaat.

De paradox van identiteit

Er is bovendien iets merkwaardigs aan de manier waarop universiteiten en media soms over academici spreken.

Bij Arday werd zijn positie als zwarte professor sterk benadrukt. Dat was begrijpelijk vanuit het perspectief van representatie en diversiteit.

Maar het kan ook een onbedoeld gevolg hebben.

Wanneer iemand voortdurend wordt voorgesteld als “de zwarte professor”, “de eerste zwarte professor” of “een belangrijke zwarte stem”, wordt ras juist een belangrijk onderdeel van zijn publieke identiteit.

En wanneer er vervolgens kritiek komt, wordt die kritiek gemakkelijk onderdeel van hetzelfde identiteitsverhaal.

Dan ontstaat een vicieuze cirkel: de persoon wordt vanwege zijn identiteit als symbool naar voren geschoven, vervolgens wordt kritiek op de persoon geïnterpreteerd als kritiek op de identiteit, en daarna wordt de identiteit gebruikt om de kritiek te verklaren.

Dat kan uiteindelijk niemand helpen.

Een professor zou in de eerste plaats moeten kunnen zeggen:

“Beoordeel mijn onderzoek op zijn kwaliteit.”

En precies dezelfde norm moet gelden voor de criticus.

De rol van Cambridge

Cambridge kwam uiteindelijk zelf onder druk te staan.

De universiteit kondigde een onderzoek aan naar de beschuldigingen. Arday nam vervolgens ontslag uit zijn positie.

Dat is relevant omdat een instelling als Cambridge enorme reputatiemacht heeft.

Wanneer een professor daar wordt benoemd, krijgt die persoon niet alleen een academische titel. De universiteit verleent ook institutionele geloofwaardigheid.

Daarom is het begrijpelijk dat er bij ernstige beschuldigingen opnieuw naar het academische dossier wordt gekeken.

Maar hetzelfde principe werkt in de andere richting.

Als een instelling eerder heeft geoordeeld dat er geen plagiaat was, moet zij ook kunnen uitleggen waarom nieuw materiaal aanleiding geeft tot een andere beoordeling — of waarom dat niet het geval is.

Voor het publiek is transparantie daarover essentieel.

De Universiteit Gent komt in beeld

Daarmee komen we bij het Belgische deel van het verhaal.

Nathan Cofnas, de onderzoeker die de beschuldigingen publiek maakte, was verbonden aan de Universiteit Gent.

Na de verdere escalatie van de affaire werd Cofnas door UGent preventief geschorst in het kader van een disciplinair onderzoek.

De universiteit maakte niet alle details van de procedure publiek.

Dat is op zichzelf begrijpelijk. Disciplinaire procedures hebben ook recht op vertrouwelijkheid.

Maar de timing maakt de zaak politiek en maatschappelijk gevoelig.

De persoon die de plagiaatbeschuldigingen naar buiten bracht, wordt immers door zijn eigen universiteit geschorst.

Dan is het onvermijdelijk dat mensen zich afvragen:

Is dit een normale disciplinaire procedure die toevallig op dit moment plaatsvindt, of speelt zijn rol in de Arday-affaire daarbij een rol?

Op dit moment is het antwoord daarop niet publiek bewezen.

Maar de vraag stellen is daarom nog niet onredelijk.

Een schorsing bewijst niets over het plagiaat

Dit onderscheid verdient bijzondere nadruk.

Zelfs wanneer Cofnas uiteindelijk disciplinair schuldig zou worden bevonden, betekent dat niet automatisch dat de plagiaatbeschuldigingen tegen Arday onjuist waren.

En als Cofnas uiteindelijk volledig wordt vrijgesproken, betekent dat evenmin dat Arday automatisch plagiaat heeft gepleegd.

Het zijn twee afzonderlijke dossiers.

Dossier één: wat is er met Ardays academische werk gebeurd?

Dossier twee: heeft Cofnas zich schuldig gemaakt aan gedrag dat een disciplinaire sanctie rechtvaardigt?

Die dossiers mogen niet met elkaar worden vermengd.

Petra De Sutter en de vraag naar dubbele standaarden

Ook rector Petra De Sutter is inmiddels onderdeel geworden van de discussie.

De Sutter kwam eerder in opspraak naar aanleiding van een rectorale rede waarin onjuiste citaten waren opgenomen. Zij erkende de fout en verklaarde dat het gebruik van generatieve AI daarbij een rol had gespeeld.

Het is belangrijk om daar precies te blijven: een foutief of door AI gegenereerd citaat is niet automatisch hetzelfde als plagiaat.

Toch is het begrijpelijk dat mensen zich vervolgens vragen stellen over academische normen.

Wanneer een universiteit optreedt tegen een onderzoeker wegens mogelijke schendingen van academische of maatschappelijke normen, vraagt het publiek zich terecht af of die normen voor iedereen hetzelfde zijn.

Dat is geen bewijs van een dubbele standaard.

Maar het is wel een legitieme vraag.

En de beste manier om die vraag te beantwoorden is niet door verontwaardiging, maar door transparantie.

Is de schorsing een afrekening?

Dat is de meest vergaande interpretatie van de gebeurtenissen.

De timing is zonder twijfel opmerkelijk. Cofnas bracht de beschuldigingen naar buiten. De kwestie kreeg enorme aandacht. Vervolgens werd hij door UGent preventief geschorst in het kader van een disciplinaire procedure.

Dat is voldoende om vragen te stellen, maar niet voldoende om een motief als feit te presenteren.

Het zou onverantwoord zijn om te beweren dat UGent Cofnas heeft geschorst omdat hij een ongemakkelijke waarheid over Arday aan het licht bracht.

Maar het zou evenmin verstandig zijn om te doen alsof de timing geen vragen oproept.

De juiste houding is daarom:

Onderzoek de reden voor de schorsing en maak, binnen de grenzen van de procedure, duidelijk waarop de beslissing is gebaseerd.

Als Cofnas de regels van zijn universiteit heeft overtreden, moet dat worden vastgesteld en beoordeeld.

Als hij enkel een ongemakkelijke wetenschappelijke kritiek heeft geuit, is een disciplinaire sanctie een heel andere zaak.

Het onderscheid moet uit het onderzoek blijken.

De tragedie van Ardays overlijden

Dan is er nog het meest gevoelige onderdeel van het verhaal: het overlijden van Jason Arday.

Zijn overlijden heeft begrijpelijkerwijs geleid tot verdriet en tot discussies over de manier waarop hij publiekelijk werd behandeld.

Maar juist hier is voorzichtigheid noodzakelijk.

Een mens kan door publieke druk, reputatieschade, bedreigingen of een opeenstapeling van persoonlijke omstandigheden volledig ten einde raad raken. Dat maakt iemand niet zwak en het betekent evenmin dat iemand daarmee schuld bekent.

Omgekeerd kan uit een tragische gebeurtenis ook geen bewijs van onschuld worden afgeleid.

Een tragisch overlijden is geen academisch bewijsstuk.

De menselijke tragedie moet met respect worden behandeld en tegelijk gescheiden worden gehouden van de vraag wat er precies in een proefschrift of wetenschappelijk artikel staat.

Het grootste probleem: de feiten zijn moeilijker te vinden dan de meningen

En hier komen we volgens mij bij de kern van de zaak.

Er zijn inmiddels enorm veel meningen.

Er zijn mensen die Arday zien als slachtoffer van racistische aanvallen.

Er zijn mensen die Cofnas zien als een klokkenluider die een ernstig academisch probleem heeft blootgelegd.

Er zijn mensen die Cofnas vooral zien als een ideologisch gemotiveerde activist die een persoonlijke of politieke agenda uitvoert.

Er zijn mensen die Cambridge verwijten dat het Arday te lang heeft beschermd.

Er zijn mensen die Cambridge juist verwijten dat het onvoldoende bescherming bood tegen een publieke heksenjacht.

En er zijn mensen die UGent verdenken van een politieke afrekening met Cofnas.

Maar bijna al die stellingen hebben één probleem:

ze gaan over interpretatie.

De teksten zelf zijn veel minder interpretatief.

Een zin staat ergens of staat er niet.

Een bron is vermeld of is niet vermeld.

Een passage is letterlijk overgenomen of niet.

Een academische commissie vindt iets wel of niet in strijd met de regels.

Dat is precies waarom het zo frustrerend is dat de tekstuele kern van de zaak niet veel prominenter in het publieke debat staat.

Waarom de concrete passages centraal zouden moeten staan

De meest overtuigende manier om deze discussie te voeren zou zijn om de passages gewoon naast elkaar te leggen.

Niet honderden pagina’s politieke analyse. Niet eindeloze discussies op sociale media. Niet de vraag wie sympathiek is.

Maar eenvoudig:

  1. De passage uit Ardays werk.
  2. De oorspronkelijke passage.
  3. De bronvermelding in Ardays werk.
  4. De geldende academische regels.
  5. De beoordeling door onafhankelijke deskundigen.

Dat zou voor de gemiddelde lezer veel waardevoller zijn dan nog een opiniestuk over racisme of politieke kampen.

Want als de overeenkomsten overtuigend zijn, wordt dat zichtbaar.

Als ze niet overtuigend zijn, wordt dat eveneens zichtbaar.

En als sommige gevallen ernstig zijn en andere niet, kan ook dat worden vastgesteld.

Wat als het inderdaad plagiaat blijkt te zijn?

Dan lijkt de conclusie eigenlijk eenvoudig.

Dan heeft de academische status van de persoon daar niets mee te maken.

Niet zijn huidskleur.

Niet zijn politieke overtuiging.

Niet zijn maatschappelijke betekenis.

Niet het feit dat hij professor aan Cambridge was.

Niet het feit dat hij zich inzette voor racismebestrijding.

En evenmin het feit dat degene die het ontdekte controversiële ideeën heeft.

Plagiaat blijft plagiaat.

Een universiteit die wetenschappelijke integriteit ernstig neemt, zou dat moeten kunnen erkennen zonder zich daarvoor politiek te schamen.

En wat als het géén plagiaat blijkt te zijn?

Dan moet ook dat worden aanvaard.

Als onafhankelijke deskundigen aantonen dat de overeenkomsten academisch verklaarbaar zijn, dat de bronnen voldoende waren vermeld, of dat de passages niet voldoen aan de definitie van plagiaat, dan moet de beschuldiging worden ingetrokken of genuanceerd.

Ook dan kan de persoon van Cofnas niet als argument dienen om de conclusie te verwerpen.

Het bewijs moet de doorslag geven.

Dat is precies wat een eerlijke academische cultuur hoort te betekenen.

Hetzelfde principe geldt voor racisme

Ook de tegenovergestelde conclusie moet mogelijk zijn.

Als zou blijken dat Arday inderdaad anders werd behandeld vanwege zijn huidskleur, dan moet dat worden benoemd.

Als blijkt dat racistische motieven of dubbele standaarden een rol hebben gespeeld, dan is dat ernstig.

Maar ook dan moet het bewijs centraal staan.

Niet iedere harde kritiek is racistisch.

En niet iedere beschuldiging van racisme is onterecht.

Precies daarom moet het begrip serieus worden genomen.

Een beschuldiging van racisme is te belangrijk om als universele stopknop voor kritiek te gebruiken.

Het probleem met academische rompslomp

Misschien is dat uiteindelijk ook waarom zoveel mensen gefrustreerd raken door dit soort affaires.

Er komen commissies.

Procedures.

Vertrouwelijkheid.

Juridische adviezen.

Disciplinaire onderzoeken.

Institutionele verklaringen.

Persberichten.

En ondertussen blijft de gewone lezer achter met één eenvoudige vraag:

“Heeft hij het nu wel of niet overgenomen?”

Dat is misschien een simplistische vraag.

Maar soms is de eenvoudige vraag precies de vraag die niet verloren mag gaan.

Een professor moet geen symbool hoeven zijn

Er zit ook een bredere les in deze zaak.

Het is niet gezond voor de academische wereld wanneer professoren voortdurend worden behandeld als vertegenwoordigers van een bepaalde politieke of identitaire categorie.

Een zwarte professor hoeft niet permanent de vertegenwoordiger van zwarte mensen te zijn.

Een vrouwelijke professor hoeft niet de vertegenwoordiger van alle vrouwen te zijn.

Een conservatieve professor hoeft niet de vertegenwoordiger van conservatieven te zijn.

Een progressieve professor hoeft niet de vertegenwoordiger van progressieven te zijn.

Een professor is in de eerste plaats een wetenschapper.

En wetenschappers moeten kunnen worden beoordeeld op hun werk.

Dat is uiteindelijk juist een vorm van gelijkheid.

Maar hetzelfde geldt voor de criticus

Ook Nathan Cofnas moet volgens diezelfde maatstaf worden behandeld.

Zijn opvattingen over ras kunnen controversieel zijn. Zijn politieke overtuigingen kunnen controversieel zijn. Zijn eerdere geschiedenis kan aanleiding geven tot kritiek.

Maar dat mag niet worden gebruikt als vervanging voor een beoordeling van de concrete beschuldigingen die hij heeft gedaan.

Als hij fout zit, moet men aantonen waar hij fout zit.

Als hij gelijk heeft, moet dat evenzeer kunnen worden erkend.

Dat is de enige werkelijk consequente vorm van academische vrijheid.

Wat zou een goede oplossing zijn?

De oplossing is eigenlijk niet zo ingewikkeld.

  1. Maak de concrete beschuldigingen inzichtelijk. Laat zien welke passages worden betwist.
  2. Toon de oorspronkelijke bronnen. Niet alleen samenvattingen van de beschuldigingen.
  3. Geef Ardays reactie per geval weer.
  4. Laat onafhankelijke academici de passages beoordelen.
  5. Maak duidelijk welke academische normen worden toegepast.
  6. Maak onderscheid tussen slordigheid, foutieve bronvermelding en plagiaat.
  7. Maak vervolgens een duidelijk eindrapport.

Daarmee zou veel van de huidige mist verdwijnen.

Feiten vóór verhalen

Misschien is dat uiteindelijk de meest ouderwetse, maar ook meest bruikbare regel:

Laat eerst zien wat er gebeurd is. Trek daarna pas conclusies over waarom het gebeurd is.

Als er plagiaat is, moet dat kunnen worden aangetoond.

Als er geen plagiaat is, moet dat eveneens kunnen worden aangetoond.

Als er racisme was, moet dat worden onderzocht.

Als er geen racisme was, moet ook dat kunnen worden gezegd.

Als Cofnas de regels van zijn universiteit heeft overtreden, moet dat worden vastgesteld.

Als hij enkel een ongemakkelijke wetenschappelijke kritiek heeft geuit, moet ook dat duidelijk worden.

En als instellingen fouten hebben gemaakt, moeten die fouten kunnen worden benoemd zonder dat daar meteen een politieke identiteit aan wordt gekoppeld.

De vraag die boven alles blijft hangen

Daarom blijft voor mij de belangrijkste vraag in deze hele affaire opmerkelijk eenvoudig:

Zijn de concrete plagiaatbeschuldigingen waar?

Niet: is Arday links? Niet: is Cofnas rechts? Niet: was Arday een symbool van diversiteit? Niet: heeft Cofnas controversiële opvattingen over ras?

Dat zijn allemaal mogelijke contextuele vragen.

Maar ze zijn niet de kern.

De kern ligt in de documenten.

De kern ligt in de passages.

De kern ligt in de bronnen.

De kern ligt in de academische normen.

En uiteindelijk in de vraag of een onafhankelijke beoordeling de beschuldigingen bevestigt of verwerpt.

Slot: laat het bewijs spreken

De zaak rond Jason Arday is inmiddels zo beladen dat het bijna onmogelijk lijkt geworden om er nog neutraal naar te kijken.

Voor sommigen is Arday een slachtoffer van racisme en een meedogenloze mediacampagne.

Voor anderen is hij het voorbeeld van een academisch systeem dat iemand te lang beschermde.

Voor sommigen is Nathan Cofnas een klokkenluider.

Voor anderen is hij een ideologisch gemotiveerde provocateur.

Voor sommigen is de schorsing door UGent een normale disciplinaire maatregel.

Voor anderen lijkt zij verdacht veel op een afrekening.

Het is verleidelijk om onmiddellijk één van die verhalen te kiezen.

Maar misschien is dat precies wat we beter niet doen.

Want zolang de concrete academische vraag niet helder en transparant is beantwoord, blijft iedere grote conclusie voorbarig.

De dood van een mens maakt een zaak tragischer, maar maakt een academische beschuldiging niet automatisch waar of onwaar.

De huidskleur van een professor maakt een tekstuele overeenkomst niet automatisch racistisch.

De politieke overtuiging van een criticus maakt een tekstuele overeenkomst niet automatisch correct.

Een universiteit maakt een disciplinaire beslissing niet automatisch rechtvaardig omdat zij een universiteit is.

En een beschuldiging wordt niet automatisch waar omdat zij overtuigend klinkt.

Daarom zou de hele discussie moeten terugkeren naar waar zij begon:

Welke passages zijn overgenomen? Uit welke bronnen? Was dat correct vermeld? Wat zeggen de academische regels daarover? En wat concludeert een onafhankelijke beoordeling?

Dat is misschien minder spectaculair dan een debat over racisme, woke versus anti-woke of academische macht.

Maar het is wel de vraag waarop uiteindelijk een serieus antwoord moet komen.

Laat de teksten spreken. Laat de feiten spreken. En laat daarna pas de meningen volgen.


Redactionele noot: In dit artikel worden de plagiaatkwesties beschreven als beschuldigingen en niet als een definitief vastgesteld feit. Er is eerder academisch onderzoek naar Ardays proefschrift geweest waarbij de plagiaatbeschuldiging niet werd gehandhaafd. Tegelijk zijn later nieuwe en zeer concrete tekstvergelijkingen publiek gemaakt die aanleiding hebben gegeven tot hernieuwde vragen. De verschillende beweringen moeten daarom zorgvuldig van elkaar worden onderscheiden.

Ook de disciplinaire procedure tegen Nathan Cofnas aan de Universiteit Gent staat los van de vraag of de beschuldigingen tegen Arday inhoudelijk juist zijn. Een preventieve schorsing is geen oordeel over de waarheid van die beschuldigingen.


Tagged:
error

Enjoy this blog? Please spread the word :)